vrijdag 8 december 2017

Over kernenergie, al ben ik geen ingenieur

     Op de voorpagina van Het Nieuwsblad lees ik het dat N-VA het energiepact ‘opblaast’. Dat is krachtig verwoord, maar alles kan beter, zoals bewezen wordt op bladzijde zes. Daar heet het dat N-VA ‘een atoombom plaatst’ onder de kernuitstap. Nu komen we in de buurt. Als die ‘atoombom’ van bladzijde zes ook nog wordt ‘opgeblazen’ zoals op bladzijde één, kunnen we de jodiumpillen beter in de buurt houden.
     Wie op de redactie aan die hysterische taal niet meedoet, is Pieter Lesaffer. ‘Je hebt minstens een ingenieursdiploma nodig’, schrijft hij in zijn commentaar, ‘om deze discussie met rationele elementen te beslechten.’ Nu kun je van mij veel zeggen, maar niet dat ik ingenieur ben. Toch heb ik mij in het verleden wel eens tot een discussie over kernenergie laten verleiden, zonder mij om rationele elementen te bekommeren. In 1980 wilde mijn universiteit, de KULeuven, een eredoctoraat toekennen aan Norman Rasmussen, een Amerikaanse professor die ingewikkelde berekeningswijzen had uitgevonden om de veiligheid van kerncentrales te beoordelen. Dat vond ik op zich al schandalig. Bovendien was hij tot de conclusie gekomen dat die veiligheidsrisico’s nogal meevielen. Dat vond ik zo mogelijk nog erger. Ik hield als studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad een een klein toespraakje tegen een eredoctoraat voor die pro-kernenergieprofessor. Rector Piet de Somer lachtte mij uit in mijn gezicht. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan over naar het volgende agendapunt.’
     Sinds die dagen in de Academische Raad ben ik tot betere inzichten gekomen. Ik volg nu Pieter Lesaffer. De veiligheid van kerncentrales is iets voor ingenieurs, en niet voor leken zoals ik. Wel zijn de ingenieurs die ik ken toevallig allemaal voorstanders van kernenergie, maar daar wil ik niet te veel gewicht aan toekennen. Zolang ik zelf de veiligheid van zo’n derde generatie thoriumreactor niet kan berekenen, doe ik er beter het zwijgen toe. Zelf het begrip halfwaardetijd kan ik niet correct gebruiken, tot grote wanhoop van mijn lieve collega van fysica.
    Maar ik volg Pieter nu ook weer niet overal. Kernergie, schrijft hij, is een eindig verhaal, en dus kun je er maar beter zo snel mogelijk mee stoppen. Waarom zo snel mogelijk, denk ik dan. Wij zijn allemaal eindige verhalen, en toch willen we er graag nog even mee doorgaan. Misschien is kernenergie inderdaad een eindig verhaal. Dat kan. Misschien zal kernenergie in de toekomst wel degelijk worden afgelost door een alternatieve energiewinning die schoner, veiliger, betrouwbaarder en goedkoper is. Maar dat zegt weinig over de snelheid van die aflossing. Het is niet omdat Apple een iPhone X uit heeft, dat het ‘zo snel mogelijk’ moet ophouden met de productie van iPhone 6, 7 of 8. Die uitfasering komt er, maar het is een hele discussie om te beslissen wanneer die begint en hoe lang die duurt. Om Lesaffers woorden te gebruiken: je moet minstens een handelsingenieur zijn om die discussie met rationele argumenten te beslechten.

     Lesaffer beweert nog meer rare dingen. ‘Er staan investeerders en een hele industrie klaar om de energie van ons land vorm te geven. Maar dan hebben zij wel een stabiel kader nodig.’ Ja, dat zou leuk zijn, zo’n stabiel kader. Je wil wel investeren, op voorwaarde dat je belangrijkste concurrent – de kernenergie – door een politiek ‘energiepact’ is uitgeschakeld. Dan is het niet moeilijk om naast de veiligste en de schoonste ook de betrouwbaarste en de goedkoopste energie te produceren. Als je ongeveer de enige bent, ben je zeker de betrouwbaarste en de goedkoopste. Maar hóe betrouwbaar en goedkoop dat zal zijn, is een heel andere kwestie.
     Wie daar bijvoorbeeld geen goed oog in heeft, is het bedrijfsleven. Lesaffer schrijft dat ‘een deel van het bedrijfsleven’  graag de kernenergie nog wat aanhoudt, terwijl ‘de rest van het bedrijfsleven’ daar tegen is. Het moet omgekeerd zijn, geloof ik. Een welbepaald deel van het bedrijfsleven wil van de kernenergie af – dat is het deel dat zelf groot wil worden door  alternatieve energie te produceren. De ‘rest’ van het bedrijfleven – alle bedrijven die geen energie produceren, maar wel verbruiken –  is bang dat de nieuwe energie véél en véél duurder zal zijn, en minder betrouwbaar.
     Ik geloof dat mijn belangen als verbruiker hier samenvallen met die van de ‘rest’ van het bedrijfsleven.

dinsdag 5 december 2017

Gewetensnood om Sinterklaas

Luns (links) en Bomans als Sinterklaas (rechts)
     Van Godfried Bomans heb ik alle stukjes meermaals gelezen, behalve die over Sinterklaas. Die vind ik kinderachtig. Ik heb nochtans in Sinterklaas geloofd tot in het derde leerjaar. Toen meester Bernard in de godsdienstles zei dat er in de moderne tijden geen mirakels meer gebeurden – het was de tijd van het tweede Vaticaans Concilie –  wees ik hem op het jaarlijkse wonder van de schoorsteen. Daar wist onze meester niet zo gauw een antwoord op. In de klas waren gelovige kinderen zoals ik, en ongelovige, die al door hun ouders waren ingelicht. Wat moest je nu als meester zeggen als je niemand wilde kwetsen?
     Dus gelóven deed ik. Maar geloven is één ding, en respecteren is een ander. Gerespecteerd heb ik Sinterklaas nooit. Ook toen ik nog in hem geloofde, vond ik hem een potsierlijke verschijning, en zijn knecht Zwarte Piet ook. Goed, de man was heilig, en hij had kinderen weer tot leven gewekt die eerder in stukken waren gesneden en ingezouten, en dat kon niet iedereen. Maar ik had meer ontzag voor Romeinen, ridders, zeerovers en musketiers, zoals ik die kende van de films, en waarvan mijn tante nochtans beweerde dat ze níet echt waren. Die films waren maar prentjes, zei mijn tante telkens weer.

     En zo komt het dat ik rond deze tijd van het jaar in gewetensnood verkeer. Ik lees dan hier en daar een stukje van de anti-Zwarte-Piet-club. In die club heeft zich het meer kinderachtige deel van de anti-racistische beweging verzameld. Een moeder denkt met pijn in het hart terug aan die keer toen haar zwarte zoontje schreiend thuiskwam van school. Sinterklaas was op bezoek geweest, herinnert ze zich, en zijn vriendjes hadden gevraagd of hij ook zo stout was als Zwarte Piet. Mens, denk ik dan, raap jezelf bij elkaar. Dat een kind voor zoiets schreit is niet ongewoon, maar daarom moet jíj nog niet beginnen janken.
     Of ik lees van een freelance journalist die in Taiwan – of all places – te horen kreeg dat Zwarte Piet ons koloniale verleden symboliseert.* Voor die journalist is dat aanleiding om daar enkele alinea’s lang over te zaniken. Het is door die kolonies van vroeger, beweert hij, dat we nu ‘extreem rijk’ zijn.  Och jongen, vloek ik stilletjes, kijk eens om je heen, daar in Taiwan. Daar zijn ze ondertussen toch ook flink rijk en ze hebben géén koloniaal verleden. Die rijkdom heeft alles te maken met de productiviteit van nu, en heel weinig met de rooftochten van toen.

     Ik zou op die stukjes willen antwoorden, maar iets houdt me tegen. Als ik antwoord, is het alsof ik de verdediging op mij neem van die hele zes-decembertraditie, en ik eet nog liever mijn hoed op. Zeg ik evenwel niks, dan lijkt het alsof ik mij laat afdreigen door flauwe moeders en door freelance journalisten. Wat moet ik doen? Ik zou aan Sinterklaas raad kunnen vragen, maar die doet daar niet aan, geloof ik. Marsepein en speculaas en zo, dat is meer zijn ding. En die lust ik niet.


* Het stuk van freelance journalist Jeroen Deckmyn verscheen op de radicaal-linkse site van De Wereld Morgen. Het begint met een aardige taalkundige uitweiding over de vraag : hoe vertaal je Zwarte Piet in het Chinees? Leuk. Ook vertelt de journalist over zijn verleden. Dat hij vroeger moest lachen met naïeve Amerikanen die in Zwarte Piet een racistisch symbool zagen. Voor een stuk in De Wereld Morgen, vond ik dat allemaal op een verrassend menselijke toon verteld. Daarna wordt het iets minder.

zaterdag 2 december 2017

De hoed van Beethoven*

     Van Beethoven bestaat een beroemde foto waarop hij aan het wandelen is op een pad tussen het struikgewas. Natuurlijk is het geen echte foto, want Beethoven stierf in 1827 en de eerste foto dateert pas van 1831. Het gaat hier dus om een schilderij, en wel van een zekere Julius Schmid. Het schilderij is geloof ik verloren gegaan, maar er zijn tijdig zwart-wit ansichtkaarten van gemaakt. Je zou zweren dat daarop een grofkorrelige foto staat afgedrukt.
     Wat mij aan de afbeelding boeit, is de hoed die achter de jonge toondichter aan zweeft. Je ziet ook een wandelstok, en die heeft hij stevig in de onzichtbare linkerhand. Maar die hoed, dat is een andere zaak. Die volgt de wandelaar op een zekere afstand. Misschien heeft de hoed wel een kinkoordje en heeft de getormenteerde componist dat koordje aan zijn gekromde rechterwijsvinger gehaakt.
     Negentiende-eeuwers worden vaker afgebeeld met de handen op de rug, en met in die handen een wandelstok en een hoed. Die hoed hield je als vooruitziend man best bij je, want je weet nooit wanneer je door een regenbui overvallen wordt. Maar als ondertussen het zonnetje schijnt, mag die hoed wel even van het hoofd, zonder daarbij de elegantie uit het oog te verliezen. ’t Is een wankel evenwicht waarbij enig overleg gepast is.

     Uit de iconografie blijkt dat er twee scholen hebben bestaan. Je hebt de school-Thackeray, wiens leerlingen de hoed en stok in één hand houden, de rechter, en de school-Schopenhauer die op beide handen inzet – waardoor de stok ten volle zijn ondersteunende werking kan laten gelden.
     Als ik nog eens nog eens naar een kostuumfilm kijk, zal ik erop letten hoe de heren hun hoeden dragen. Op het hoofd is goed, maar hier en daar mag er ook een heer rondlopen met de hoed op de rug. Dat heeft wel iets.


 
Thackeary door F. Walker en Schopenhauer door W. Busch

* Soms mag ik wel eens een stukje aan hoofddeksels wijden, zoals hier, hier, hier en hier.

donderdag 30 november 2017

Klasgemiddeldes op het rapport

Deze school - mijn school - behoort niet tot het GO!
     Soms wind ik mij op over niets.
     In Het Nieuwsblad van vandaag las ik dat het GO! zijn scholen aanraadt om geen gemiddeldes of medianen meer op het rapport te vermelden. Leerlingen zouden zich slechter voelen als ze zich met elkaar vergelijken, zei een woordvoerster. Ik begreep waar ze naartoe wou. Als een leerling vaststelt dat zijn punten onder het mediaan liggen, en die kans is bijna vijftig procent, dan komt zijn ‘welbevinden’ in het gedrang.
     Nu dat weer, dacht ik. Gelukkig heb ik met dat GO! niets te maken.
     ’s Avonds kwam het item op het Nieuws van vtm. En wie zie ik daar op het scherm verschijnen? Mijn eigen directeur – van het Sint-Ursula-Instituut. Dat die gemiddeldes in zijn instituut al lang waren afgeschaft, zei hij, al was het dan een nonnenschool. Zo’n mediaan zei niets over de individuele prestatie van de leerling.
     Dus – die medianen wáren bij ons al afgeschaft, en ik had er niets van gemerkt. Plots leek het allemaal zo erg niet meer.


                ‘De aarde was niet uit haar baan gedreven
                 en ’t huis was overeind gebleven’.

      ’t Systeem zonder gemiddeldes heeft trouwens ook zijn goede kant. Leerlingen met slechte resultaten moeten niet meer komen aanzetten met het excuus van een laag klasgemiddelde. De toets was veel te moeilijk meneer. Kunnen we geen hertoets krijgen? Of iedereen twee punten extra? Die krijgen zij nu niet meer.

woensdag 29 november 2017

Meertalig in de klas - Wetenschap en gezond verstand

      De voorstanders van ‘meertaligheid in de klas’, zoals de mensen van GO!, verwijzen graag naar wetenschappelijk onderzoek dat hun stelling bewijst: als je Arabisch in de klas toelaat en bevordert, zullen Marokkaantjes sneller en beter Nederlands leren. Een jonge collega van mij, een bioloog, vindt dat je dergelijk wetenschappelijk onderzoek niet zomaar kunt wegzetten als een aprilgrap. Wat ik daarvan vond?
      Mja. Met wetenschappelijk onderzoek is het volgens mij gesteld als met het oversteken van een straat: je moet goed uitkijken, en wel naar de twee kanten. Links, want – wat is wetenschap? Rechts, want – wat is onderzoek? Bedoelt men met ‘wetenschap’ zoiets als fysica, scheikunde en biologie, of worden ook de geesteswetenschappen erbij gerekend. En vooral als het over die laatste gaat – maatschappijkunde, zielkunde of opvoedkunde – wil ik graag weten hóe de onderzoekers te werk zijn gegaan: heeft men proefpersonen testjes laten afleggen, wisten die proefpersonen dat ze een testje aan het afleggen waren, heeft men aan proefpersonen gevraagd hoe ze zich voelden, heeft men feitelijke resultaten gemeten?

     Mijn eigen indruk is dat de strenge wetenschappen altijd rare conclusies opleveren. Een licht voorwerp en een zwaar voorwerp vallen even snel naar beneden. Huh? De aantrekkingskracht van de maan zorgt ervoor dat het zeewater op aarde stijgt aan de kant die naar de maan gericht is, én tegelijk ook aan de kant die van de maan verwijderd is. Nee maar! Bij zoiets springt mijn gezond verstand op nul. Voorwerpen, zeewater en manen zijn duidelijk van ander materiaal gemaakt dan mijn verstand – gezond of niet.
     Anders is dat bij de geesteswetenschappen. Daar wil mijn gezond verstand graag een woordje meepraten. Het behoort immers ook tot de wereld van de geest. Het gedrag van mensen, en wat hen drijft, daar weet déze mens wel iets van af, vooral als het gaat om domeinen waar zelfbedrog niet veel voordeel biedt. En zo helemaal fout ben ik dan meestal niet. Als ik soms iets lees van een ernstige geestenswetenschapper, dan staan daar weinig dingen in waar mijn gezond verstand iets anders over te vertellen heeft, zoals dat wel het geval is als het over de zwaartekracht en de normaalkracht gaat.*
     Gebeurt het dan toch dat een geesteswetenschappelijke studie iets anders beweert dan mijn gezond verstand en mijn ervaring mij ingeven, dan krijg ik argwaan. Ik geef toe dat ik het zelf bij het verkeerde eind kan hebben, maar door mijn slechte karakter ben ik desondanks geneigd om de fout bij de studie te zoeken. Of misschien liever nog bij de manier waarop de studie in de populaire pers werd samengevat.
     Zo was er onlangs een studie over aanstrepen met een markeerstift. Het hielp niet bij het studeren, zei de studie. Nou breekt mijn klomp, dacht ik. Bij mij heeft die markeerstift altijd geholpen. Hoe kan dat nu? Achteraf las ik hóe de studie was verlopen. Met had aan twee groepen studenten gevraagd om woordenlijsten te memoriseren. De ene groep beperkte zich tot aanstrepen van woorden, terwijl de andere groep een intensievere leermethode gebruikte. En die eerste groep had minder woorden gememoriseerd. Ja, dàt kon mijn gezond verstand wél aanvaarden.
     Vorige week stond iets in de krant over ‘zwarte’ basisscholen die evengoed voorbereidden op het middelbaar onderwijs als ‘witte scholen’. Hoe is dat nu mogelijk, vroeg ik mij af. Het stond allemaal in een doctoraat van Griet Vanwynsberghe en op het internet kon ik de ‘abstract’ raadplegen. Die maakte mij niet veel wijzer. Het volledige doctoraat kon ik niet opvragen en ik zou dat geleerde geschrift waarschijnlijk toch niet begrepen hebben. Gelukkig botste ik op een facebookpost van een andere doctor, Jeroen Lavrijsen, die dat doctoraat voor mij gelezen had. Het kwam hierop neer, schreef hij, dat men witte en zwarte basisscholen van gelijke effectiviteit vergeleken had. Of, om het nog anders te zeggen, men had witte en zwarte scholen vergeleken, en de verschillende effectiviteit had men uit de vergelijking weggezuiverd. Men had, zoals statistici dat noemen, de effectiviteit ‘gelijk gehouden’. Kijk, daar kon ik met mijn gezond verstand wel weer bij. Dat twee even goede basisscholen evengoed voorbereiden op het middelbaar, dat had ik altijd al geloofd, en nu was het bewezen.**

       Van een krant kun je natuurlijk niet vragen dat hij alle nuances juist heeft. Iets anders wordt het wanneer men discussieert. Wie zich in een discussie beroept op wetenschappelijk onderzoek, en óver dat onderzoek zelf niets zegt, is naar mijn smaak een beetje onbeleefd. Het minste wat zo iemand kan doen, is de methode en de besluiten van het onderzoek heel kort samen te vatten zodat de gesprekspartner zelf kan beoordelen of dat onderzoek iets van waarde toevoegt aan de discussie. Als die toegevoegde waarde er niet is, hebben we niet alleen te maken met een gezagsargument, maar tegelijk ook met een non sequitur
     Thuistalen in de klas helpen om het Nederlands van de kinderen te verbeteren, zeggen studies. Mijn gezond verstand steigert. Als ik op een Spaanse cursus in het buitenland de Vlamingen opzoek en met hen mijn thuistaal Nederlands spreek, dan stagneert mijn Spaans. Zoek ik een groepje op waar men Spaans spreekt, dan verbetert mijn Spaans. Waarom zou dat met een Marokkaans of Turks kind anders zijn? Dus: hoe minder een kind Turks en Marokkaans spreekt, en hoe meer het kind Nederlands spreekt, hoe sneller zijn Nederlands verbetert. Oefening baart kunst.
     En die wetenschappelijke studies dan? Die bestaan wel, geloof ik. Misschien zijn ze zelfs tot de volgende besluiten gekomen

  1. Kinderen die gestraft worden omdat ze thuistaal gebruiken, vinden dat niet leuk;***
  2. Marokkaantjes die wiskunde-uitleg krijgen in het Arabisch, begrijpen sneller wiskunde;
  3. Marokkaantjes die taalvaardig zijn in het Arabisch, leren sneller Nederlands dan Marokkaantjes die hun thuistaal slecht beheersen;
  4. Marokkaantjes op scholen waar extra inspanningen worden gedaan om hen iets extra bij te leren, al was het Arabisch, zullen ook op andere terreinen betere resultaten boeken, zelfs voor Nederlands.
 
     Als die studies bestaan, en ze zijn tot die besluiten gekomen, dan is daar niets bij wat ik zonder meer als een aprilgrap beschouw. Op een goeie dag wil ik dat allemaal voor gangbare munt aannemen. Maar geen enkele van de conclusies lijkt mij een argument te zijn voor Arabisch of Turks in de klas. De straffen (1) zijn een argument om een beetje redelijk met de kinderen om te gaan. De betere wiskunde (2) is een voorbeeld van kortetermijndenken. Op langere termijn zijn de leerlingen beter af met goed Nederlands zodat ze wiskunde ook in díe taal kunnen volgen. En het betere Arabisch (3, 4) zijn geen argument om de kinderen onder elkaar hun thuistaal te laten spreken; het is een argument om lessen Arabisch aan te bieden, wat geloof ik in Scandinavische landen ook gebeurt.
     Kunnen extra lessen Arabisch een hulp zijn om beter Nederlands te leren? Ik geloof het wel. Kinderen leren ook beter Nederlands door Latijn en Grieks te leren. Maar we moeten het anders bekijken. Stel, je krijgt als school vier uur extra. Je verdeelt je jonge Marokkaantjes in twee groepen. De enen krijgen vier aanvullende uren Nederlands en de anderen vier aanvullende uren Arabisch. En dan kijk je welke groep het meeste vooruitgang boekt. In het Nederlands bedoel ik.
     Zou dàt wetenschappelijk onderzoek al eens gebeurd zijn?
 
 __________
 
* Geesteswetenschappelijk onderzoek kan mij wel veel leren over tegenstrijdige strevingen. Ik heb graag veel geld en veel vrije tijd, en ik vermoed dat dat bij mijn medemensen ook het geval is. Maar een studie over deeltijds werk kan mij wel laten zien in welke máte dat het geval is.

** Wat natuurlijk niet belet dat de studie ook andere minder vanzelfsprekende dingen heeft aangetoond.

 *** Ik betwijfel of dat straffen vaak gebeurt. Misschien worden sommige opgeschoten jongens wel eens gestraft omdat ze tegen het uitdrukkelijke verzoek van een leraar of lerares hun thuistaal blíjven spreken. Dat is iets anders, lijkt mij.

zaterdag 25 november 2017

Tom Meeuws vs. Bart De Wever

     Bart De Wever heeft dus ‘emotioneel gereageerd’ op het stuk van Tom Meeuws in De Morgen. Zelf heb ik uit dat stuk van Meeuws vooral veel bijgeleerd wat ik eerder niet wist, en met name over stedenbouw. Als ik ooit een wolkenkrabber wil laten neerzetten in Antwerpen, dan zal ik – weet ik nu – een hele procedure moeten doorlopen. Ik zal moeten kijken wat de bouwkundige voorschriften zijn. Mijn bouwplan zal worden beschouwd als schade aan de omgeving die ik moet compenseren door een speciale taks te betalen – de zogenaamde stedenbouwkundige lasten –waarmee dan turnzalen en parken worden gebouwd en aangelegd. En dan zal ik nog een gunstig advies moeten krijgen van de administratie. Als ik dat gunstig advies niet krijg, kan ik nog hopen dat het stadsbestuur een andere beslissing neemt. En als ik dat gunstig advies wél krijg, kunnen bewoners van de omgeving beroep aantekenen bij de provincie.
     ’t Is wat omslachtig, maar de principes zijn redelijk. Schade moet worden gecompenseerd. Verkozenen kunnen ambtelijke beslissingen ongedaan maken. En ook tegen de beslissing van de verkozenen is beroep mogelijk. Wat wil je nog meer? Als het er zo toegaat in Antwerpen, en in andere steden, vind ik dat een prima systeem.
     En Meeuws vindt dat blijkbaar ook, want hij noemt de bovenstaande regeling ‘op zich … een goede zaak’. Maar, zegt hij, het systeem wordt verkeerd toegepast.  Hij gebruikt daarvoor een reeks woorden die veel insinueren zonder iets te bewijzen: ‘perfide systeem’, ‘wie het spel meespeelt, mag meer dan een ander’, ‘geen regels’, ‘willekeur’, ‘wie geld heeft … wordt bediend’.  Meeuws zegt nog net niet dat De Wever en zijn collega’s zich laten omkopen om bouwvergunningen toe te kennen, maar misschien hoopt hij dat precies die gedachte bij de onaandachtige lezer zal blijven hangen.* Of heb ik mij met die laatste opmerking zelf schuldig gemaakt aan insinuatie?

     Meeuws ondersteunt zijn dossier met twee voorbeelden van omstreden bouwplannen: een woontoren in Hoboken en een reeks appartementsgebouwen in Borgerhout. Ik zal daar niets over zeggen. De Wever heeft beloofd dat die bouwdossiers openbaar zullen worden gemaakt en ik heb daar geen probleem mee, zolang ik ze niet moet lezen. Maar dat bouwplannen altijd omstreden zijn, dat wist ik al als kind. Mijn grootouders wilden twee slaapkamers laten bijbouwen, en de buren dienden een dossier in wegens ‘derving van licht en lucht’. In de buurt waar we nu wonen zouden twee percelen worden samengevoegd en op zo’n manier bebouwd dat niet veel meer over zou blijven van onze bosomgeving. Wij hebben daartegen verzet aangetekend en de samenvoeging heeft niet plaatsgevonden. En toen onze vroegere buren een scheidingsmuurtje optrokken van afgedankte pallets heeft het niet veel gescheeld of we hadden de politie erbij gehaald. Dat er dus ook in Antwerpen over bouwplannen geredekaveld wordt, hoeft ons niet te verwonderen.
     Verder schijnt Meeuws bezwaren te hebben tegen hoogbouw in het algemeen, want de bouwprojecten die hij vermeldt gaan over respectievelijk zestien en negen verdiepingen. Dat is een kwestie van smaak. Voor mij kan er niet hoog genoeg gebouwd worden. Ik vind Manhattan de mooiste plek ter wereld. Ik denk nog vaak terug aan die zondagochtend dat ik met mijn toen veertienjarige zoon de grote Avenues van de stad affietste. Een heerlijk gevoel was dat. En ik lees met plezier dat Christian Rapp, stadsbouwmeester van Antwerpen, ook graag in de hoogte denkt. Maar ik woon niet in Antwerpen – ik mag er met mijn oude dieselwagen zelfs niet binnen – en ik maak mij daar dus niet druk over.
     Waar ik mij ondertussen wel druk over maak is de zoveelste onnadenkende en onsamenhangende commentaar in mijn Nieuwsblad. Peter Mijlemans vat de opinie van Meeuws als volgt samen: ‘Het huidige bestuur verkoopt de stad uit aan de hoogste bieder.’ Hij vindt dat ‘gechargeerd’ en ‘niet altijd correct’. Maar de reactie van Bart De Wever vindt Peter ook ‘gechargeerd’ want: ‘Niemand heeft zijn integriteit in vraag gesteld. Een schijn van partijdigheid wel.’ Wat is dat nu voor een zin, die laatste zin? Heeft die ‘schijn van partijdigheid’ nu iets in vraag gesteld, of werd ze zélf in vraag gesteld? Eén ding is zeker: ze was niet het onderwerp van Meeuws zijn stuk.** Dàt, tenminste, zou duidelijk moeten zijn.

     Zó. Nu heb ik ook eens emotioneel gereageerd.

_______________

 * Mocht de onaandachtige lezer nog twijfelen, dan is Meeuws ook bereid om het duidelijker te formuleren zoals hier: “Wie met een zak geld het bureau van schepen Rob Van de Velde binnenwandelt, kan in Antwerpen alles gedaan krijgen.” Over de banden die Tom Meeuws zelf onderhoudt met de bouwsector, zie hier.
 
** De ‘schijn van partijdigheid’ kwam wél ter sprake in de eerdere klacht van Groen tegen het stadbestuur. Maar die ging over een heel andere vraag, namelijk, of leden van het stadsbestuur naar bepaalde feestjes mochten gaan. Of is dat voor Mijlemans allemaal zo ongeveer een beetje hetzelfde?

zaterdag 18 november 2017

Bart Eeckhout over de 'relletjes'

      Met het kopje hierboven heb ik u, beste lezer, bij de neus genomen. Bart Eeckhout heeft van de week in De Morgen twee stukjes (hier en hier) geschreven over het Brusselse straatgeweld en hij heeft daarbij niet, zoals De Standaard de week ervoor (hier), het vergoelijkende woord ‘relletjes’ gebruikt. Bart Eeckhout gebruikt net heel flinke taal: de gewelddadige jongeren zijn ‘idioten’, ‘asociale onruststokers’ en ‘crapuultjes’. Hij gebruikt nog net niet de ruwe term ‘kutmarokkanen’ die in de kolommen van Het Laatste Nieuws verscheen. Eeckhout heeft de gouden regel begrepen: als je slappe praatjes in de aanbieding hebt, kun je beter sterke woorden gebruiken.
     Eeckhout behandelt in zijn twee stukjes de vraag wat de overheid moet doen om het straatgeweld te bestrijden. Politieoptreden en gevangenisstraf zijn volgens hem niet voldoende. ‘Die overheid,’ schrijft Eeckhout ‘kan niet garanderen dat jongeren zich gedragen … Maar ze kan bijvoorbeeld wel het recht op degelijk onderwijs garanderen.’
     Ordehandhaving en onderwijs, ’t is een oude kwestie en ik kom er nog op terug. Maar zoals Eeckhout ze formuleert, haalt hij beleid en garantie op succes door elkaar. De overheid kan wel politie op straat sturen, maar ze kan niet garanderen dat de crapuultjes zich daardoor laten afschrikken, en de overheid kan ook wel onderwijs aanbieden, maar ze kan evenmin garanderen dat dat onderwijs degelijk is.
     Eeckhout schrijft dat in veel Brusselse scholen ‘deplorabele’ toestanden heersen. Kinderen worden naar een school gestuurd waar ‘het onderbemande en onderbetaalde onderwijspersoneel … dweilt met de kraan open’. Daar klopt niets van, behalve dat van de dweil en de kraan. Kinderen worden niet naar zo’n school ‘gestuurd’ want ons land heeft gelukkig vrije schoolkeuze.* Onderbetaald en onderbemand? Er zullen heus wel financieringsproblemen zijn maar het onderwijspersoneel wordt in die scholen geloof ik hetzelfde betaald als in andere scholen en er zullen ook wel evenveel leraren zijn per aantal leerlingen.
     U hebt mij niet horen zeggen dat die ‘deplorabele’  toestanden in de Brusselse scholen niet bestaan. Die bestaan juist wel. En de oorzaak ligt, vrees ik, bij dezelfde crapuultjes die de straat onveilig maken. Zelf zou ik in zo’n school geen les willen geven, al bood men mij een miljoen en al plaatste men, om ook het probleem van de onderbemanning op te lossen, een co-teacher naast mij. Mocht men in zo’n school een ijzeren tucht willen en kunnen afdwingen, dan wil ik het overwegen, maar daar zal meer voor nodig zijn dan extra financiële middelen.

     Eeckhout schrijft dat gepast repressief optreden tegenover de jonge geweldenaars het ‘gemakkelijke deel’ van de opdracht is. Waar haalt hij dat toch vandaan? De laatste weken hebben net laten zien dat dat ‘deel’ helemáál niet gemakkelijk is. Snel ter plaatse zijn met voldoende politiemensen, ter plaatse oppakken van minderjarige geweldplegers, snelle en efficiënte straffen uitspreken– het stelt allemaal ernstige problemen op het bestuurlijke, juridische en menselijke vlak. Wetgeving moet worden aangepast. Strafinstellingen moeten worden bijgebouwd of omgevormd en vernieuwd. En dan moet de PS-burgermeester mee willen werken en dient er ook nog eens een politieke consensus te worden gevonden met oppositiepartijen als CD&V.
     Ik wil Eeckhout zijn standpunt niet verkeerd voorstellen. De man pleit niet tégen politieoptreden en uitsluitend vóór meer geld naar de scholen. Politieoptreden en welvarende scholen zijn allebei belangrijk, schrijft hij. ‘Laten we niet in de luie redenering trappen dat de ene beleidskeuze de andere uitsluit.’ Maar ook hier is weer van alles fout. Je kunt ten eerste niet in een redenering ‘trappen’.** Er is ten tweede niemand die de redenering aanhangt. En ten slotte, mocht al iemand die redenering aanhangen: zij is zeker niet ‘lui’. Het is net ‘lui’ om géén keuzes te maken en géén rangorde vast te leggen.
     Ik weet niet of Eeckhout lui is. Hij heeft in elk geval op het vlak van geweldbestrijding zíjn rangorde uitgekiend. Bij die rangorde is  repressie noodzakelijk, maar krijgt onderwijs de voorrang. Degelijk onderwijs staat voor preventie, betekent winst op de lange termijn en is de kerntaak van de overheid. Dat zijn goede argumenten, maar onvoldoende om de vraag van de voorrang te beslechten. Tegen alle drie valt immers wel iets in te brengen. Misdaadpreventie door onderwijs –  akkoord, maar een streng strafbeleid heeft ook al menig aankomend straatboefje afgeschrikt. Onderwijs efficiënter op de lange termijn – misschien, maar die lange termijn is nogal speculatief nu blijkt dat integratieproblemen met allochtonen generatie na generatie erger worden. Onderwijs als kerntaak van de overheid – mja, maar er zijn lange periodes in de geschiedenis geweest dat onderwijs werd verstrekt door private of kerkelijke organisaties. Dat is voor repressieve ordehandhaving slechts uitzonderlijk het geval geweest.

     De twist over het beste middel tot misdaadbestrijding is al lang aan de gang. In 1834 bijvoorbeeld zei Victor Hugo dat Frankrijk de lonen van zijn tachtig  beulen beter zou gebruiken om zeshonderd leraren te betalen.*** Dat zou het beste middel zijn om misdaad en prostitutie te voorkomen. Wie weet? Ik ben zelf erg blij dat we in een land leven met meer leraren dan politiemannen. We besteden gelukkig veel meer middelen aan onderwijs dan aan ordehandhaving. Maar als het op ordehandhaving aankomt, geloof ik dat het zwaartepunt toch het beste ligt ... bij ordehandhaving.

 _____________
 
* Als bijna alle Franstalige scholen in Brussel ‘deplorabel’ zijn, en dat kan best, dan blijft er in de praktijk van die vrije schoolkeuze niets meer over. Dàt is natuurlijk wél waar.

** Ook elders gaat Eeckhout creatief om met de taal. ‘Natuurlijk treffen leerkrachten geen schuld,’ schrijft Eeckhout. Is de opiniërende hoofdredacteur van mening dat die leerkrachten het onderwerp van de zin uitmaken in plaats van het lijdend voorwerp? Of wil hij Mia Doornaert jennen die laatst voor die fout waarschuwde op de televisie en daarna nog eens in De Standaard? ’t Is mogelijk. Maar verder schrijft hij ook: ‘Natuurlijk treffen scholen daar geen verantwoordelijkheid.’ Welja: ik tref geen verantwoordelijkheid, jij treft geen verantwoordelijkheid, wij treffen geen verantwoordelijkheid ... Onze taal is in voortdurend in beweging. (Met dank overigens aan Herman Jacobs die mij wees op enkele taalfoutjes in míjn stukje.)


*** Tachtig … zeshonderd … dat is een behoorlijke loonkloof.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

woensdag 15 november 2017

#MeToo en koningin Victoria


     Mannen zijn snel verongelijkt en vrouwen voelen zich snel aangevallen. ’t Omgekeerde geldt even goed. Een zekere bitterheid tussen de twee geslachten heeft altijd bestaan. ‘Ongebonden best, weeldig wijf zonder man,’ dichtte Anna Bijns*,  en de onbekende maar vermoedelijk mannelijke auteur van Karel ende Elegast  had daarvoor al geschreven “Vrouwenlist es menechfout, sijn si jonc oft sijn si out.’ De vijandelijkheden gaan dus al minstens terug tot de middeleeuwen. En zoals dat bij andere confrontaties het geval is, ontwikkelt zich in de oorlogvoerende kampen een solidariteit onder de strijders, een ‘esprit de corps’. Je merkt het aan de gekste dingen.
     Lees je bijvoorbeeld een levensbeschrijving van een Franse schrijver – Hugo, Dumas –, geschreven door een Franse biograaf** – Decaux, Troyat –, dan valt het op hoe die biograaf vanaf de zijlijn zijn held staat aan te moedigen bij elke amoureuze onderneming. Overspel wordt toegejuicht, bedrogen echtgenoten zijn dom, en veroverde vrouwen moeten achteraf niet zeuren als de literaire minnaar hen beu wordt en laat zitten. ‘Dumas had grote behoefte aan afwisseling,’ lezen we dan. Ook maken die biografen zich grote zorgen als de vrouwen of minnaressen na enige tijd in gewicht aankomen. De biograaf neemt zoiets persoonlijk en schrijft dan dingen als ‘de vrouw van Hugo werd belachelijk dik.’ Dus …
     Franse biografieën zijn vaak in de ‘vie romancée’ stijl geschreven - veel vraagtekens, veel uitroeptekens, en een lezer die persoonlijk wordt aangesproken. Daar hoort ook de fameuze ‘style indirect libre’ bij.  ‘Belle en Dumas,’ schrijft Troyat, ‘zijn al té lang samen! De gewoonte der lichamen ontmoedigt de begeerte. Alleen een nieuw lichaam, een nieuwe ziel, een nieuwe liefkozing belet dat een man vastroest.’ Wat moeten we nu aan met zo’n commentaar over de vastroestende man? Is dat nu wat Troyat ervan denkt, of wat Troyat zich inbeeldt dat Dumas ervan denkt? Of heeft Troyat die woorden misschien in een dagboek of een brief aangetroffen? Er heerst een flou artistique, maar in elk geval krijg je de sterke indruk dat Troyat en Dumas het over veel dingen eens zijn.
     De medeplichtigheid van de biografen gaat ver. Tijdens een Italiëreis ontmoet Dumas de mooie operazangeres Caroline Ungher. Hij probeert zich aan haar op te dringen in haar kleedkamer, maar wordt op een afstand gehouden. Caroline is verloofd, staat op het punt te trouwen en wil niets van de Franse schrijver weten. Wat later echter zijn door omstandigheden Dumas, Caroline en haar verloofde samen aan boord van een schip. Er steekt een storm op en de drie schuilen onder een tent. De verloofde wordt zeeziek en begeeft zich naar buiten. Over wat volgt is de biograaf erg enthousiast: ‘Dumas drukt Caroline tegen zijn krachtige mannenborst … en bewijst haar, snel maar hevig, welke hartstocht zij in hem opwekt.’ In dezelfde bouquetreeksstijl, maar uitgebreider, beschrijft Decaux hoe Victor Hugo ‘de weerstand overwint’ van de getrouwde bergbeklimster  Leonie d’Aunet.
     Hugo en Dumas waren natuurlijk roofdieren, en Decaux en Troyat waren académiciens, wat bij mij het beeld oproept van oude snoepers. Maar neem nu de Franse schrijver Julien Benda. Dat was een groot pleitbezorger van rationaliteit en ascetisme. En wat schrijft de halve académicien Etiemble over hem? Ja, hij geeft toe dat de strenge filosoof weinig aandacht had voor lekker eten. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘zijn kleine gestalte belette hem niet succes te hebben bij de vrouwen. Kent u iemand die gedurende twee jaar slaapt met een dame zonder haar naam te kennen.’ Nu ben ik ook slecht in het onthouden van namen, maar ik vind dat niets om over op te scheppen. Waarom is Etiemble dan zo opgetogen?

Caroline Ungher
     Die geestdrift voor andermans seksuele successen illustreert heel fraai de ‘esprit de corps’ van mannen onder elkaar. Je ziet die trouwens ook bij sommige mannelijke reacties op de recente #MeToo-beweging. ‘Vrouwen zijn ook niet altijd heilige boontjes.’ ‘Vrouwen lokken het zelf uit.’ ‘Vrouwen moeten maar leren van zich af te bijten.’*** Dat zijn allemaal giftige pijlen afgeschoten naar de overkant.
     Maar bij die reacties is vaak ook een andere beweegreden te onderscheiden: de angst voor een nieuwe Victoriaanse tijd. Die tijd had, geloof ik, twee gezichten. De preutse zeden tijdens het bewind van Victoria hebben er ongetwijfeld toe bijgedragen dat meisjes en vrouwen uit alle klassen met meer respect werden behandeld. Dat was de aangename kant van die tijd. Types als Dumas en Hugo moesten zich in Engeland een beetje gedragen. Het mannelijke roofdier werd aan banden gelegd. Mr. Hyde werd onder strikte supervisie geplaatst en de goede Dr. Jekyll deed beleefd zijn hoed af voor de dames. Anderzijds weten we dankzij statistisch onderzoek en dankzij The French Lieutenant’s Woman dat ‘your Victorian gentleman could look forward to 2.4 fucks a week’, weliswaar niet met ‘dames’ maar met prostituees. Die laatsten profiteerden heel wat minder van de Victoriaanse zelfbeheersing.
     Bij nader inzien geloof ik eigenlijk niet dat we ons zorgen moeten maken over een nieuwe Victoriaanse tijd. De slingerbeweging van losbandigheid naar preutsheid en omgekeerd, wordt door diepere krachten aangedreven dan door een twittercampagne. #MeToo heeft diepe wortels in de links-progressieve beweging – niet alleen daar natuurlijk, maar toch. Die links-progressieven zullen de ‘verworvenheden van mei ’68’ en van de ‘seksuele revolutie’ niet zó snel opgeven. Ik herinner mij een affiche van een Zweedse progressieve  partij met het opschrift: Nee aan pornografie! Ja aan naaktheid en seks! ’t Is een beetje aandoenlijk en humorloos, maar écht Victoriaans kunnen we het niet noemen.
     Wat we wél zullen krijgen door #MeToo – wat we altijd krijgen – is: meer bureaucratie. Meer vertrouwenspersonen, meer reglementen, meer afspraken, meer opleidingen, meer studies, meer statistieken. Daar zullen miskleunen bij zijn zoals die ‘gedragscode’ voor Amerikaanse studenten die bij elke nieuwe stap van een vrijpartij toestemming moeten vragen aan hun partner. Maar ach, wie zal het controleren of zo’n student of studentin zich daaraan houdt? En ja, sommige hitsige mannen zullen zich wat kalmer gedragen in woord en daad. Hoeveel dat er zullen zijn, weten we niet en hoeveel kalmer ze zich zullen gedragen, weten we ook niet. Maar alle beetjes helpen.
 
­­­­­_______________

 
* Zij dichtte overigens ook: ‘Ongebonden best, weeldig man zonder wijf’.
** Die geestdrift voor andermans seksuele successen vind ik minder terug in Engelse biografieën. Een nawerking van de Victoriaanse terughoudendheid?

*** Die laatste reactie hoor je ook bij sommige vrouwen. Ze is perfect verklaarbaar vanuit de vrouwelijke ‘esprit de corps’. Vrouwen die niet ‘van zich afbijten’ zijn in die gedachtegang een soort deserteurs. Daar kun je geen oorlog mee voeren.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zondag 12 november 2017

Ongewenst uitkleden met de ogen

     Ongewenst seksueel gedrag beperkt zich niet tot lustmoord, verkrachting en ‘grabbing by the pussy’ – zoals de vijfenveertigste president van de Verenigde Staten dat ooit zo ruw verwoordde. Een toevallige hand op een knie, een dubbelzinnige opmerking, een schunnige sms, kunnen in een bepaalde samenhang erg ongewenst zijn. ’t Hangt er een beetje van af.
     Ik denk soms terug aan de tijd toen we nog in de buurt van het Brusselse Noordstation woonden. Mijn vrouw werd toen op straat wel eens aangeklampt met de vraag: ‘Madame, combien?’ Dat was denkelijk niet bedoeld als vernederende commentaar maar eerder als een eerlijke informatieve vraag van een gastarbeider die onze prijzen niet goed kende. Toch had de hele situatie voor mijn vrouw iets wat je gerust ‘ongewenst’ had kunnen noemen.
     Ondertussen lees je vooral over het ‘ongewenste gedrag’ op het werk. Het nieuwe woord is geloof ik ‘grensoverschrijdend gedrag’. Volgens een studie van het idewe* kreeg 9,2 procent van de werkneemsters – en 6,2 procent van de werknemers – er vorig jaar mee te maken. In meer dan vier op vijf van de gevallen ging het om ‘ongewenst oogcontact’ en om ‘uitkleden met de ogen’. Ik weet precies wat met dat laatste bedoeld wordt, en ik weet dat al heel lang.
     Oudere lezers zullen zich het begin herinneren van de meeslepende film Gone With the Wind. Er is een feest bij de buren van Twelve Oaks. Scarlett snelt de trap op met een vriendin en blijft plots staan. Ze kijkt naar beneden. Aan de voet van de trap staat en man met een glas in de hand en een brede glimlach op het gezicht. ‘Who’s that,’ vraagt Scarlett, ‘that man looking at us and smiling – that nasty, dark one. He looks as if – as if he knows what I look like without my shimmy!’
     De breed glimlachende man – je raadt het al – is Rhett Butler. En zijn blik is inderdaad heel bijzonder. Hij kijkt niet alleen alsof hij weet hoe Scarlett eruit ziet zonder hemdje. Hij kijkt vooral alsof hij precies weet wat hij met een Scarlett zonder hemdje aanmoet.
     En nu is uit een studie gebleken dat 7,8 procent van de werkneemsters gedurende het laatste jaar zich minstens één keer aangekeken voelde als Scarlett O’ Hara.




* Een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

zaterdag 11 november 2017

Flirterig gedrag jegens actrices

Melanie Waldor - Geen actrice, maar later schreef ze wel toneelstukken
     Flirterig gedrag jegens actrices heeft velerlei nadelen. Voor je het weet gaat de actrice in op je avances, heb je een minnares op je schoot en waar sta je dan? ’t Kost in elk geval veel geld, zoals Alexandre Dumas ondervonden heeft.
     Als jongen had Alexandre Dumas altijd geldnood gekend. Vader vroeg gestorven, moeder een tabakswinkeltje, hijzelf een slecht betaald baantje als notarisklerk. Ten slotte kon hij een betrekking versieren als kopiïst en dan nog wel aan het hof van de hertog van Orléans. Voor een zuinige jongeman met bescheiden behoeftes had dat kunnen volstaan. Maar ‘zuinig’ en ‘bescheiden’ zijn twee woorden die niet zo goed aansluiten bij de persoonlijkheid van Dumas.
     Dumas had van jongs af aan literaire ambities. Op zijn zevenentwintigste schreef hij het succesvolle toneelstuk Henri III et sa cour. Zo kon hij eindelijk écht geld verdienen. Maar daarmee waren de financiële problemen niet van de baan. Hij trad nu immers ook binnen in de wereld van kunst en literatuur, en vooral ook in de ‘demi-monde’, de libertijnse ‘halve-wereld’ die met kunst en literatuur, en vooral met theater verbonden was. Als je je met de ‘demi-monde’ inliet, dat was bekend, en flirterig gedrag vertoonde jegens de  mooie ‘demi-mondaines’, dan mocht je waarlijk geen duitenkliever zijn, of je moest Victor Hugo heten.
     Vóór zijn literaire succes had Dumas met zijn moeder een appartementje betrokken, terwijl hij tegelijk de huisvesting van zijn afgedankte minnares Laure Labay en hun beider zoontje Alexandre, bekostigde. Maar ná zijn literaire doorbraak werd Dumas meteen een belangrijke speler op de huurmarkt. Samengevat kwam zijn huisvestingssituatie rond 1830 hierop neer:

        • Alexandre Dumas – rue de l’Université, 25
        • Laure Labay en Alexandre Dumas fils, op veilige afstand – een huurhuisje in het dorpje Passy
        • Marie-Louise Dumas (moeder) – rue Madame, 7
        • Mélanie Waldor (minnares) – rue Madame, 11
        • Belle Krelsamer (minnares) – rue de l’Université, 7
        • Diversen (minnaressen van de korte termijn) – een ‘garçonnière’ in Sèvres.
             Dat is heel wat. En dan kwam het nog goed uit dat een andere minnares, Virginie Bourbier, naar Rusland verhuisde om voor het Théatre Français de Petersbourg te gaan spelen. Dat was toch al één appartement minder.

             Men heeft Dumas vaak zijn spilzucht verweten. Maar we kunnen ons de vraag stellen: is dat verwijt terecht? We overlopen het lijstje. De auteur zelf – daar kunnen we niet om heen – heeft een woning nodig waar hij zijn literaire vrienden kan ontvangen. Dat is het minste. Dan zijn zoontje. Die heeft net zo’n krullenbol als zijn vader. Die kan hij niet op straat zetten. Verder zijn goede, half verlamde moeder – die moet ook echt wel een dak boven het hoofd hebben. Je kunt van Dumas veel zeggen, maar niet dat hij een ondankbare zoon is.  Wat vervolgens Mélanie Waldor betreft, over haar moeten we ons niet te veel zorgen maken. Die is nog getrouwd, met een vaak afwezige militair, waardoor de huurprijs geloof ik niet alleen ten laste valt van Dumas.
             Dan hebben we dus nog Belle Krelsamer, door iedereen Mélanie genoemd, maar niet door Dumas, want hij heeft al een Mélanie. Dat is een moeilijk geval. Door haar relatie met directeur Isidore Taylor heeft ze zich binnengewurmd in het Theatre-National. Maar door haar ontoereikende talent, krijgt ze geen rollen in Parijs. Haar nieuwe minnaar, Dumas, belooft dat in orde te brengen … maar mislukt. Dan is een appartementje als troostprijs wel het minste wat hij kan doen.
             Blijft de ‘garçonnière’ voor de vluchtige amourettes. Daar was misschien wel een besparing mogelijk geweest. Dumas had bijvoorbeeld met andere overspelige vrienden zoals Victor Hugo, Alfred deVigny of Isidore Taylor samen een groot appartement – misschien een soort loft – kunnen huren of kopen waar ze per toerbeurt een minnares konden ontvangen. Dat zou een mooie besparing geweest zijn. Maar zoiets kan dan weer fout aflopen zoals uit een recente film is gebleken.
             Je kunt je natuurlijk ook afvragen of Dumas wel zoveel minnaressen tegelijk nodig had. Op die vraag heeft de gulzige man – één brok natuur eigenlijk – zelf een antwoord gegeven: ‘Si je n’en avais qu’une, elle serait morte avant huit jours.’ 

        woensdag 8 november 2017

        Krakers in Gent

             In De Standaard van vandaag staat een stuk over de krakers in Gent waar vorige week zo veel ophef om was. Het was geschreven door ‘kraakactivist’ Jelle Joseph en had als kopje ‘De krakende familie in Gent krijgt mijn steun’. Zelf ben ik voor het eigendomsrecht. Een leegstaand huis dat niet van jou is mag je niet gaan bewonen zonder toestemming van de eigenaar. Als hij daar wel de toestemming voor geeft, al dan niet tegen betaling, is het een andere zaak. Ik was dus erg benieuwd naar de argumenten van de kraakactivist. Als ik op een goed tegenargument bots, kan ik daar maanden over dubben.
             Dat viel tegen. In het stuk van amper 400 woorden kun je lezen over racisme, verrechtsting, klimaatakkoorden, Open VLD, N-VA, hooligans, oorlogswapens, sociale media, de terreurherdenking in maart 2016 op het Brusselse Beursplein, de verlenging van de administratieve aanhouding, de versnippering van links en tenslotte nog iets over de excessen van het politiek correcte denken. Hier en daar wordt ook iets over het kraken zelf gezegd, bijvoorbeeld dat Gent 156 kraakpanden telt. Maar arguménten voor het kraken tref je er niet aan.
             Eén passus is misschien als argument bedoeld. Onze activist schrijft: ‘Het gezinshoofd [van de krakers] heeft één kind van 6 jaar en één van 6 maanden. Mijn kinderen zijn 1 en 4 jaar oud. Maar mijn kinderen zijn Ariërs … Hoe zouden passanten reageren als ik met hen op straat zou overnachten?’ Die vergelijking begrijp ik niet goed. Als het Arische gezin van Jelle ooit op straat moet overnachten, zal dat juist zijn omdat het géén huis gekraakt heeft – en dat voor een kraakactivist! Als je een juiste vergelijking wil, moet je een Arisch en een Roma gezin nemen die alle twéé op straat overnachten of die alle twéé het huis van iemand anders zijn binnengedrongen, dat ze daarna weigeren te verlaten. Maar misschien luistert dat allemaal niet zo nauw bij emotionele argumenten.
            Als ik erover nadenk stoor ik mij eigenlijk niet zo erg aan die emotionele uitglijder. We zijn tenslotte geen Engelsen. Waarom zouden we onze gevoelens dan moeten verbergen? Jelle is als jonge vader bekommerd om zijn kinderen. Dat siert hem Hij moet er niet aan denken dat ze geen dak boven hun hoofd zouden hebben. Heel begrijpelijk. Veel kwalijker vind ik echter de gewoonte om een uitgewerkt argument voor of tegen wat dan ook te vervangen door een opsomming van allerlei stokpaardjes die er niets mee te maken hebben. Man, denk ik dan, zeur niet. Blijf bij je krakers. Schrijf volgende maand een stuk over de klimaatakkoorden – en hou dán de krakers er buiten.


        Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

        maandag 6 november 2017

        Lenin was een bodybuilder

             Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
             Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
             Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
             Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
            De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
             Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
             Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
             Lenin was een bodybuilder.


        ___________

        * Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.
        ** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

        *** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

        **** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

        Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.