zondag 27 november 2016

De opgeheven vinger van Fidel Castro

     Hoewel ik niet op zijn graf zal dansen, spuwen of pissen, wil ik toch even kwijt dat ik Fidel Castro nooit erg gemogen heb. Lenin kon een scherp polemiekje voeren, Stalin maakte graag cynische grapjes en Mao liet zich interviewen in zijn onderbroek en noemde zichzelf een ‘monnik onder een lekke paraplu’ wat, geloof ik, iets als ‘brutale vlerk’ betekent.  Maar Fidel leek altijd over zijn schouder te kijken om te zien wat de Geschiedenis van zijn optreden vond. Hij viel nooit uit zijn rol van moraliserende vader des vaderlands. Hij was geen communist van de gebalde vuist, maar van de opgeheven vinger.
     Later daagde bij mij het inzicht dat er niet alleen met Fidel maar met de hele toestand op Cuba iets niet pluis was.
     Ik ben maar één keer op Cuba geweest begin de jaren negentig. Ik heb er niet, zoals de vrienden van Cuba, diepe gesprekken gehad met arbeiders, boeren en welzijnswerkers. De enige diepe gesprekken die ik heb gehad waren met de gids van onze groepsreis. Ze heette, laten we zeggen Camila, want we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
     Ze was de dochter van een revolutionaire strijder van het eerste uur en kinderen van revolutionaire strijders van het eerste uur genieten op Cuba allerlei voorrechten. Ook kreeg ze als gids fooien in dollars waardoor ze af en toe wat kopen in een echte winkel. De andere winkels, waar je met Cubaanse pesos terecht kon, boden niets aan wat je echt wou. In het buitenland doet mijn vrouw niets liever dan de sfeer opsnuiven van voedingswinkels en supermarkten en op Cuba was die sfeer … euh … bevreemdend. Een Cubaanse pesowinkels deed denken aan een vervallen privé-museumpje in een achterafstraatje. In haar officiële rol legde Camila uit dat die winkels zo slecht voorzien waren vanwege de economische blokkade door de Verenigde Staten. Die ‘blokkade’ kwam erop neer dat de Cubanen vanuit bijna alle landen, behalve de VS, alles konden invoeren als ze de wereldmarktprijs betaalden en dat ze ook alles konden uitvoeren naar bijna alle landen, behalve de VS, maar alweer aan de wereldmarktprijs. De tijd dat ze boven de prijs verkochten en onder de prijs invoerden, vanuit het communistische Oostblok, was juist afgelopen en dat was, geloof ik, de echte reden van de economische crisis. Ondanks die crisis heb ik op Cuba geen bedelaars gezien. Wel nette, oude heren die op rommelmarkten boeken uit hun bibliotheek te koop aanboden. Daar zaten exemplaren bij die ik niet zou wegdoen.
     Wat vond Camila nu eigenlijk van Fidel? Moeilijk om te zeggen. Haar houding leek mij een beetje op die van een adolescent tegenover zijn vader of moeder. Trots, want Fidel was tenslotte een Cubaan. He may be a bastard, but he is our bastard, moet ze gedacht hebben. Maar ook schaamte. In het museum van de revolutie sprak ze zo weinig mogelijk over Fidel Castro en Che Guevara en zoveel mogelijk over Camilo Cienfuegos, die andere revolutionaire leider die op tijd overleed zodat hij niets met de communistische misère van na 1960 te maken heeft gehad. In een of ander kustdorpje vertelde Camila ons, in haar officiële rol, over een landelijke viswedstrijd die daar had plaatsgevonden. Fidel Castro en Ernest Hemingway hadden eraan deelgenomen en natuurlijk was hij gewonnen*. Wie was ‘hij’, wou ik weten. Ze mompelde zo stil mogelijk de naam van de líder máximo en ik zonk in de grond van schaamte dat ik haar met mijn vraag in verlegenheid had gebracht.
     Verfrissend was dat Camila in persoonlijke gesprekken op geen enkel moment de líder máximo ernstig nam. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat hij mensen die wilden emigreren voor ‘gusanos’ – wormen – uitschold. ‘Och,’ zei ze, ‘hij houdt zo van dat woordje.’ Ik vroeg haar wat ze vond van de Cubaanse militairen in Angola. Camila keek mij vragend aan. Zoiets moest toch dagelijks op het nieuws geweest zijn, zei ik. Dat wel, maar Camila was ervan uitgegaan dat er helemaal geen Cubanen in Angola waren en dat het om de zoveelste opschepperij van Fidel ging.
     Er waren drie dingen die Camila erg vond in haar land. Het eerste was dat er ‘geen toekomst’ was. Je kon er niet ‘vooruit’ komen. Cuba was het land van de vlakke loopbaan. Nu zijn er overal ter wereld mensen die een vlakke loopbaan hebben en zich daar niet aan storen. Ik bijvoorbeeld sta in het onderwijs. Maar onder het communisme heb je de indruk dat die vlakke loopbaan van de wieg tot aan het graf wettelijk bindend is vastgelegd. Er is niet eens plaats voor de illusie dat men hogerop zou kunnen komen, als men hard zijn best deed. Sommige mensen storen zich daaraan.
     De tweede ergernis van Camila betrof de politieke toeristen in haar land. Je zag overal bussen met Mexicanen en Bolivianen van een of andere vakbond van onderwijzers of gezondheidswerkers. Die kwamen op Cuba ‘het socialistisch systeem bestuderen’, de dwaze halzen. Bovendien waren die vakbondsmensen vaak erg dik en van Indiaanse afkomst, zei Camila. In Cuba zag je weinig zwaarlijvigheid en, al was er weinig of geen discriminatie van de zwarte minderheid, met Indianen liepen ze daar niet hoog op.
    De derde reden tot kribbigheid was de corruptie. Wij kennen corruptie van de krant en het tv-nieuws maar zelf heb ik nog nooit iemand moeten omkopen. Ik heb ooit eens een bloemetje geschonken, achteraf, aan een loketbediende die een reispas vóór een moeilijke deadline georganiseerd kreeg en dat is alles. Op Cuba is dat anders. Voor alles moest je een abogado omkopen, vertelde Camila. Ik dacht eerst dat Cuba vergeven was van advocaten, zoals het land ook twee keer meer artsen heeft dan bij ons*. Maar abogado’s bleken gewoon ambtenaren met een rechtendiploma. En daar waren er inderdaad veel van. In zekere zin leek Cuba op ons land. Voor alles had je een vergunning nodig en voor alles kwam je op een wachtlijst. Alleen, die vergunning kwam er nooit en je naam bleef voor eeuwig op de wachtlijst als je de juiste abogado geen geld toestopte. Sommige Cubanen renoveerden hun huis ’s nachts, en alleen aan de binnenkant, om de vergunningsplicht te ontlopen.
     Gunstig bij dit alles is dat Camila dat allemaal zomaar vertelde aan een buitenlandse toerist die ze van haar noch pluimen kende. Het bewijst dat de Castrodictatuur in dat opzicht meer op het hitleriaanse dan op het stalinistische regime leek. Onder Stalin was je zelfs niet veilig als je kritiek op het regime had in het bijzin van je zoon of dochter en ook je beste vriend en je eigen vrouw vertrouwde je maar beter niet. In het Duitse gastgezin waar mijn vader logeerde gedurende de laatste jaren van de oorlog had aan tafel iedereen kritiek op het regime. Alleen Frau Sacksenröder zweeg, maar die was dan ook lid van de nazipartij. In het kerkkoor van mijn grootvader werd bij elke repetitie de politieke en militaire toestand onder de loep genomen. Mijn grootvader was anglofiel en werd door een koorlid verraden. Hij kreeg van de autoriteiten een vermaning. Wellicht was dat ook de ergste straf die Camila kon krijgen voor haar indiscreties – een vermaning. In het Duitsland van Hitler moest je een openlijke opposant, een jood, een zigeuner of een homoseksueel zijn om vervolgd te worden. Of je moest je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. In het Cuba van Castro werd je alleen vervolgd als openlijke opposant. En als homoseksueel natuurlijk. Maar over dat laatste heeft Castro later zijn spijt betuigd.
    
* Fidel Castro was niet alleen een groot visser, maar ook een formidabele basketbalspeler. De Nederlandse auteur Harry Mulisch beschreef in zijn enthousiaste boek Het woord bij de daad hoe Fidel aan een stelletje zwarte spelers liet zien hoe het moest. ‘Soepel omspeeld door de snelle zwarte jongens, wier benen ergens bij hun oksel schenen te beginnen, maakte hij [Fidel] persoonlijk 24 punten, zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld, want daar heb ik op gelet.’ Zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld! Wat een kerel! 



**Sp.a-volksvertegenwoordiger Kurt de Loor haalt in zijn lyrisch afscheid van Fidel de overvloed aan artsen aan als argument voor Cuba. Terwijl je juist van dat soort mensen vaak hoort dat het kapitalisme de mensen ziek maakt. Schreef Harry Mulisch niet dat op Cuba de ziekte was ‘afgeschaft’? Maar misschien brengt het socialisme zijn eigen kwaaltjes voort. Dan mogen we hopen dat de Cubaanse artsen niet alleen dubbel zo talrijk maar ook dubbel zo kundig zijn als de onze.

zaterdag 26 november 2016

Trump, de handelsakkoorden en de hularokjes

    Donald Trump mag dan nog niet helemaal president zijn, toch komt hij voortdurend in het nieuws met verklaringen over zijn toekomstige beleid. Zijn eerste beleidsdaad zal zijn om het handelsakkoord met het Verre Oosten (TPP) en met Europa (TTIP) af te blazen. Ook het oude handelsakkoord met Canada en Mexico (Nafta) wil hij herbekijken. Trump gelooft in ‘deals’. Trump gelooft niet in vrije handel.
     Het voordeel daarvan is dat ik nu overal leuke stukjes lees vóór de vrije handel, want veel mensen zijn tegen Trump.

     Een maand geleden was dat even anders. Dat wil zeggen: veel mensen waren toen ook tegen Trump maar toen las ik overal stukken tegen de vrije handel. Het Ceta-akkoord was niets dan kommer en kwel. En het Nafta-akkoord, zo las ik, bracht bittere armoede voor de Mexicanen. Nu lees ik in een stuk van professor Schoors dat juist de afschaffing van het Nafta-akkoord in Mexico veel armoede zal brengen.
     Schoors begint zijn stuk met een meeslepende reeks scheldwoorden: ‘De volgende president van de Verenigde Staten is een vuil gebekte, seksistische, racistische, xenofobe, leugenachtige, frauduleuze, zelfzuchtige, narcistische, impulsieve en onwetende bullebak.’* Nou, nou. Je verwacht na zo’n inleiding eigenlijk niet dat er nog een argumentatie volgen zal. Maar zoals ik geleerd heb mijn bordje volledig leeg te eten, zo probeer ik ook stukken in de krant netjes tot het einde te lezen. En het stuk was dus een pleitrede voor meer vrijhandel.
     Dat vind ik fijn, want ik lees graag stukken die mij in mijn mening bevestigen.
     Toch begrijp ik ook waar Trump en de zijnen naartoe willen. Dat die arme Mexicanen erop vooruitgaan, is niet de zaak van de Amerikaanse president, vinden zij.  De opperste raadgever van Trump, Steve Bannon, zei in een interview: ‘Ik ben geen blanke nationalist. Ik ben een economische nationalist. De globalistische vrijhandelaars hebben de Amerikaanse werkende klasse uitgehold en een middenklasse geschapen in Azië. Het is nu zaak dat de Amerikanen zich niet meer laten naaien.’ Bannon gelooft dat internationale handel een spel is met winnaars en verliezers, en Amerika moet weer een winnaar worden. America First.
     Bannon heeft op één punt gelijk. De toestand van de Amerikaanse werkende klasse is inderdaad niet zo best. Vroeger had je reusachtige fabrieken waar goed verdienende arbeiders van vader op zoon staal goten of walsten, of auto’s aan de lopende band in elkaar draaiden met grote moersleutels, zoals Charlie Chaplin dat deed. Maar nu wordt dat staal gegoten en gewalst in China en worden die auto’s in elkaar gezet in Korea en Japan, waar de lonen lager zijn.
     Veel Amerikanen zijn bang dat die ontwikkeling zich zal doorzetten. Op de duur zou alle industrie uit de Verenigde Staten kunnen verdwijnen en alle productiejobs naar een laagloonland kunnen gaan, bijvoorbeeld naar China, dat naast elektronica, speelgoed en schoeisel ook alle auto’s, gasinbouwhaarden en koelkasten zou gaan produceren. De Amerikanen blijven dan zitten met een dienstensector. Joe de tuinman snoeit de haag van Jim de kapper en Jim de kapper knipt de haren van Joe de tuinman. Maar met dat snoeiafval en die afgeknipte haren kunnen ze bij de Chinezen geen auto’s en koelkasten kopen.
     Kan protectionisme hier een oplossing brengen? Ik denk het niet. Als je alle Chinese elektronica tegenhoudt door hoge invoerrechten, dan komt er misschien wel een goedverdienende baan voor Jack en Bob in een Amerikaanse elektronicafabriek, maar dan zijn die producten die daar gemaakt worden zo duur dat Joe de tuinman en Jim de kapper ze niet kunnen betalen. Wie weet zijn ze zelfs te duur voor Jack en Bob. Dan duurt het niet lang of die elektronicafabriek gaat weer dicht.
     Er zijn gelukkig goede redenen om aan te nemen dat nooit alle productiejobs naar lageloonlanden zullen verhuizen**.
     De eerste reden is gemakkelijk om te begrijpen. Als in zo’n laagloonland meer industrie komt, dan gaan de lonen in dat land stijgen, want die fabrieken willen allemaal de beste arbeiders aantrekken en wie kwaliteit wil moet kwaliteit betalen. Dan wordt zo’n land na enige tijd een hoogloonland. In Korea bijvoorbeeld zijn de lonen ondertussen al de helft van de Amerikaanse.
     De tweede reden valt ook nog te bevatten. Door de concurrentie met de lageloonlanden, gaan de lonen van de Amerikaanse arbeiders achterblijven. Dat is trouwens al enkele decennia aan de gang. ’t Is voor de arbeiders niet prettig, maar het hoeft ook geen drama te zijn als daardoor ook de prijzen achterblijven. Hoge lonen en hoge prijzen of lage lonen en lage prijzen, het maakt niet zoveel uit.
       De derde reden waarom nooit alle productiejobs van Amerika naar China zullen verhuizen  is veel ingewikkelder. Ik bladerde ooit in een geschiedenisboek van Jan en vond daar een stukje over de Engelse econoom David Ricardo (1772 – 1823) en zijn wet van het comparatieve voordeel. Dat is iets helemaal anders dan de veel eenvoudiger wet van het absolute voordeel, waar ik eerder al iets over schreef. Die wet had ik misschien zelf ook kunnen uitvinden en ik zou hem, geloof ik, aan een kleuter kunnen uitleggen als ik er mooie kleurplaatjes bij had. Je hebt het eiland Nihau en het eiland Oahu. Op de twee eilanden groeien grote grassoorten. Op Nihau zijn ze goed in het stoken van graswortelalcolhol en op Oahu in het bij elkaar rijgen van grassen rokjes. Dan moeten die van Nihau graswortelalcohol maken, en die van Oahu grassen rokjes. De helft van wat ze maken kunnen ze daarna onder elkaar verhandelen. Dat is de wet van het absolute wederzijdse voordeel.
     De wet van het comparatieve wederzijdse voordeel is subtieler. Die wet treedt in voege als de inwoners van Nihau beter zijn in alles – in het stoken van alcohol én in het maken van rokjes – en als die van Oahu in alles kneusjes zijn. Je zou op het eerste gezicht denken dat die van Nihau dan beter zowel hun eigen alcohol stoken als hun eigen rokjes aan elkaar rijgen. Maar dat is niet zo. Volgens de wet van het comparatieve voordeel is het zelfs dan nog voordelig als Nihau en Oahu zich specialiseren in alcohol of in rokjes en daarna handel drijven. Die van Nihau moeten daarvoor uitzoeken waar ze best in zijn, en die van Oahu moeten uitzoeken waar ze minder slecht in zijn. Een beetje zoals een hartchirurg die beter en sneller kookt dan een sterrenchef, vanuit economisch standpunt bekeken, zijn tijd toch best investeert in heelkundige ingrepen liever dan in kokkerellen. Met wat hij met zijn operaties verdient kan hij zich door eersterangskoks laten bedienen en dan op het einde van de maand nog genoeg overhouden om zijn golfabonnement te betalen***.

     Die redenering kun je ook toepassen op Amerika en China. China is door zijn lage lonen misschien in alle opzichten de beste prijs-kwaliteitskeuze voor investeerders. De Chinese bandwerkers, ingenieurs en designmensen mogen minder productief, inventief of creatief zijn dan hun Amerikaanse collega’s – zolang ze tien keer minder verdienen zijn de Amerikanen in het nadeel. Maar dat nadeel geldt niet voor elke productietak in dezelfde mate.
     De Chinezen slagen erin om –  zeg – winterkleren te maken aan héél lage prijzen, en de Amerikanen slagen erin om –  zeg – ketchup te maken aan redelijk lage prijzen. Dan is het voor de Chinezen voordelig om zich op die winterkleren te gooien en de ketchuproductie aan de Amerikanen over te laten.* De winterkleren verkopen dan zo goed dat de Chinese gezinnen genoeg geld hebben om zoveel Amerikaanse ketchup te kopen als ze op kunnen, ook al is die iets duurder. En de Amerikanen betalen zo weinig voor hun winterkleren dat ze genoeg geld overhouden om, naast hun eigen nationale ketchup, ook nog een voorraad in Amerika gemaakte vuurwapens in te slaan om hun gezin te verdedigen.
     Kort gezegd: China verzwakt zijn economie door alles zelf te willen maken en Amerika verzwakt zijn economie door te weigeren goedkope Chinese producten af te nemen.
      Je kunt je afvragen of Donald Trump door bovenstaande redenering kan worden overtuigd. Paul Krugman schreef ergens dat nog nooit één econoom erin geslaagd was om één politicus met die redenering over de brug te halen. Mocht zich onder de raadgevers van Trump een vrijhandelaar bevinden, hij is hierbij gewaarschuwd. Hij zal andere argumenten moeten gebruiken – argumenten waarin de Aziaten ‘genaaid’ worden en de Amerikanen ‘hun slag thuishalen’ ****. Mijn stukje mag hij vergeten.

 
* Schoors voegt eraan toe dat al zijn beledigende adjectieven ‘aantoonbaar juist’ zijn. Dat lijkt mij wat voortvarend. Begrippen als ‘seksisme’, ‘racisme’ en ‘xenofobie’ hebben een vage en wisselende betekenis en zijn daardoor juist erg moeilijk ‘aantoonbaar’, behalve in sommige zeldzame gevallen. Schoors had beter, zoals zijn voorzichtiger collega Krugman, gesproken over ‘impliciet racisme’ enzovoort. Want dat kun je van bijna iedereen zeggen dat hij het heeft.

 **Dat veel productiejobs in alle landen bedreigd worden door de versnelde automatisering is een ander verhaal.

 *** Of neem een vlotte loodgieter die tegelijk ook een vlotte amateurkok is. Daarnaast heb je een knullige kok die een nog veel knulliger thuisklusser is. De loodgieter is in alles de beste. Hij kookt een maaltijd in een half uur en installeert een gasketel in twee uur. De kok heeft dubbel zoveel tijd nodig om te koken en tien keer zoveel tijd om te installeren.
     Zou de loodgieter dan niet beter alles zelf doen?
     Veronderstel dat de loodgieter en de kok samen een vennootschap oprichten in een wereld waar een maaltijdbereiding 20 euro en gasketelinstallatie 100 euro kost, en waar de werkweken 40 uur bedragen. Als de loodgieter zijn tijd gelijk verdeelt over koken en installeren, dan installeert hij 10 gasketels en bereidt hij 40 maaltijden. De kok installeert in dezelfde week één gaskachel en bereidt 20 maaltijden. Samen hebben ze 2 300 euro verdiend. Als de twee zich nu toeleggen op waar ze vergelijkenderwijs het beste in zijn, dan installeert de loodgieter 20 gasketels en bereidt de kok 40 maaltijden. Samen hebben zij dan 2 800 euro verdiend, dus 500 euro meer dan in het eerste scenario. Hoe ze dat geld onder elkaar verdelen, daar wil ik mij niet mee moeien. Maar van mij mag de loodgieter iets meer krijgen.

****Die raadgever-vrijhandelaar kan ook hier zijn inspiratie halen.

woensdag 16 november 2016

Zwarte Piet en pikzwarte Frank


     Omdat mijn eigen baas, Lieven Boeve, het Pietenpact mee heeft ondertekend, heb ik de woordelijke tekst van het verdrag eens opgezocht, want de stijl zegt altijd wel iets over de steller. In dit geval moet er minstens een ambtenaar en een jolige oom bij de redactie betrokken zijn geweest.
     “Het uitgangspunt is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf* of hij zonder of met pieten - roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten - jong en oud komt verblijden.”
     De lezer merkt dat hier een moeizaam compromis is bereikt. De radicaal-politiek-correcten, zoals professor Verene Shepherd van de Verenigde Naties, willen helemaal geen Piet, en eigenlijk ook geen Sint, en de behoudsgezinden willen het recht bewaren om Piet zijn gezicht helemaal zwart te schilderen, behalve het gebied om de lippen, dat helemaal rood wordt geschilderd. De middenweg is dan een roetveegpiet, op voorwaarde dat je hem geen roetmop** noemt, want dan zijn we even ver van huis. En nu is er zelfs een nieuw compromis: de Pietenpactmensen hebben beloofd over Piet te zwijgen tot na 6 december. Dat mag van mij zelfs iets langer duren.
     Alhoewel ik de politiek-correcten graag eens een tik uitdeel, laat de hele geschiedenis mij onberoerd. Ik deel ongeveer de mening van Toon Hermans die ‘Snieklaas’ een ‘vervelend personage’ vond en die knecht van hem ‘een zak’ en ‘een idioot’. Als ik een bundel van Godfried Bomans ter hand neem, sla ik de stukjes over de Sinterklaas altijd over. En of Zwarte Piet wordt opgevoerd met dikke lippen of dunne lippen, houdt mij ook niet bezig. Ik heb zelf lippen van, ik zal niet zeggen het negroïde, maar dan toch van het wellustige type.
     Waar ik mij als leraar wel voor interesseer is de taalkundige kant van de zaak, want ook daar zijn de politiek-correcten lichtgeraakt. Is Zwarte Piet nu een schoorsteenveger of een … ja wat eigenlijk? Een zwarte? Een neger? Een ex-gekoloniseerde? Een medemens oorspronkelijk afkomstig uit Afrika? En zijn we dat laatste niet allemaal?
     Ik werd ooit getroffen door een stuk van Karel van het Reve over Frank Essed (1919-1988), een Surinaamse politicus en ingenieur. Die Essed was een onvermoeibare bouwer geweest. Een paar keer minister, meestal tewerkgesteld als hoge ambtenaar, en altijd aan het bouwen: vliegvelden, wegen, waterkrachtcentrales, spoorwegen ... Daarbij was hij, naar het schijnt, onkreukbaar. Met de sergeantenrevolutie van 1980 werd hij gevangengenomen. Maar zelfs na drie jaar folteren en speuren kon men geen bekentenis afdwingen noch een snippertje bewijs van corruptie vinden.
     Essed heeft als jonge man nog enige tijd in Nederland verbleven en heeft toen op Karel van het Reve een grote indruk gemaakt.
      “Hij was heel groot en heel dik,” schreef Van het Reve bij het overlijden van Essed.  “Maar hij was vooral verschrikkelijk zwart. Ik heb zelden zo’n pikzwarte neger gezien. Hij lachte graag, en omdat hij zo groot en dik was schudde het hele huis wanneer hij lachte. Hij was een bosneger en groeide op in een bosnegerdorpje aan zo’n Surinaamse rivier. Veel scholen schijnen er daar in de buurt niet geweest te zijn, maar als je daar aanleg voor hebt kun je ook lezen en schrijven leren uit een oude krant of uit oud verpakkingsmateriaal.”
     Daarna legt Van het Reve nauwgezet uit hoe Essed een middelbare schoolopleiding volgde met een schriftelijke cursus waarvan de afleveringen per boot werden bezorgd. Die afleveringen kwamen soms maanden te laat, waardoor de opleiding telkens onderbroken werd. “Maar,” voegt Karel eraan toe, bosneger of niet, “als je goed kunt leren doet het er niet veel toe wat voor opleiding je volgt.***”
     Essed ging tenslotte studeren in Nederland en behaalde daar twee academische titels - die van ingenieur en die van doctor in de wis- en natuurkunde. In Paramaribo is een voetbalstadion naar hem genoemd, het Dr. Ir. F. Essed Stadion. Ga daar maar eens tegenaan staan Piet!

 

     Postscriptum
     Ik kreeg van Facebookvrienden twee anekdotes cadeau.
     Dr.  Jan van Duppen schreef hoe hij ooit van een Surinaamse bosneger uitleg kreeg over het raciale vraagstuk in zijn land: “‘Zeg nou zelf, doc,” zei die Surinamer, “wat een oetlul moet je toch zijn om bij die Hollandse slavendrijvers aan de kust te blijven zitten en niet het bos in te vluchten. Strandnegers, dat zijn pas echte sukkels.”
     Simon Gelten schreef hoe hij in zijn studietijd bevriend was met een jongen van de Nederlandse Antillen. “We volgden verschillende studies maar woonden in de zelfde studentenflat, hielden beiden van voetbal, film en mooie vrouwen. Hij was erg zwart, maar dat was niet zo'n geweldig probleem, want racisme was in die tijd geen issue, nette mensen deden daar niet aan en je hoorde er ook niet zo veel over, een enkele keer bij Sonja (Barend), maar dat was al. Maar Surinamers en Antillianen mochten elkaar niet. Ik herinner me dat hij door Surinamers (of andere Antillianen die lichter van kleur waren) weleens ‘bosneger’ werd genoemd.
     Een derde Facebookvriend, Mark de Mey, schreef al eerder een mooie blogpost over de kwestie die ik in dit stukje ter sprake breng.

__________

* Politiek-correcte organisaties zouden beter voorzichtig zijn als ze iemand toelaten ‘lekker zelf te kiezen’, al is het dan de Sint. Je weet waar je begint, maar je weet niet waar je eindigt.
 
**‘Roetmop’ zou anders een mooie compromis-naam voor Piet kunnen zijn want het woord betekent volgens encyclo.nl zowel ‘nikker’ als ‘schoorsteenveger’.

*** Het stuk van Karel van het Reve is afgedrukt in de bundel Luisteraars en in het zevende deel van het Verzameld Werk.



 

zaterdag 12 november 2016

De zanger die de Nobelprijs níet kreeg

       Net als mijn generatiegenoten Kris Peeters en Geert Bourgeois heb ik in mijn leven een Leonard Cohen-periode gehad. Die is eigenlijk nog niet helemaal voorbij. Mijn goede vader, die weinig begrip had voor nieuwe muziekgenres, sprak schamper over ‘die zagevent aan de Joodse klaagmuur’. ’t Is waar dat Cohens muziek iets sombers had dat ik als opgeschoten jongen heerlijk vond. Dat de zanger in interviews erg kritisch was voor het Cubaanse communisme vond ik eigenaardig en jammer, maar daar moest zijn kleinburgerlijke achtergrond wel voor iets tussenzitten, en hij zong toch maar ontroerend over ‘the Partisan’.
     Mijn interesse voor Cohen bracht voor het eerst in mijn jonge leven het vraagstuk van de literaire vertaling onder mijn aandacht. Herman van Veen, een Hollander met een warme stem, zong in 1972 een vertaling van ‘Suzanne’ en die tekst - van een zekere Rob Crispijn - was niet helemaal hetzelfde. Ik geef hieronder de eerste strofe.

Suzanne neemt je mee,
naar een bank aan het water,
duizend schepen gaan voorbij
en toch wordt 't maar niet later,
en je weet dat zij te gek is,
want daarom zit je naast haar
en ze geeft je pepermuntjes,
want ze geeft je graag iets tastbaars
en net als je haar wilt zeggen:
‘ik kan jou geen liefde geven’
komt heel de stad tot leven en hoor
je meeuwen schreeuwen,
je hebt steeds van haar gehouden,
en je wilt wel met haar meegaan,
samen naar de overkant
en je moet haar wel vertrouwen,
want ze houdt al jouw gedachten
in haar hand
Suzanne takes you down
to her place near the river
You can hear the boats go by,
you can spend the night forever
And you know that she’s half-crazy
but that’s why you want to be there
And she feeds you tea and oranges
that come all the way from China
And just when you mean to tell her
that you have no love to give her
Then she gets you on her wavelength
And she lets the river answer
that you’ve always been her lover
And you want to travel with her,
and you want to travel blind
And you know that she will trust you
For you’ve touched her perfect body
with your mind

        De eerste, de negende en de vijftiende zin lijken wel een beetje op het origineel, en de zesde misschien ook. Maar lieve hemel – die pepermuntjes!
     Soms vraag ik mij af hoe Crispijn your famous blue raincoat zou hebben vertaald. Jouw leuke gele oliejas?

woensdag 9 november 2016

Trump en ik

      Ik ben vannacht niet, zoals sommigen, opgebleven om de Amerikaanse verkiezingsuitslagen te volgen, want ik kende de winnaar al met wiskundige zekerheid. Het zou iemand worden waar ik niet veel om gaf. Trump of Hillary, het maakte mij niet veel uit. Ik ben op tijd gaan slapen en had een vage voorspellende droom dat Hillary de verkiezingen won. Ook Kennedy kwam er om een of andere reden in voor.
      Bij het ontbijt bekeek ik de voorpagina van Het Nieuwsblad: ‘Mevrouw de president’. Op bladzijde twee en drie stond een andere kop, voor het geval dat ‘het ondenkbare gebeurde’. En wat later zag ik op mijn mobieltje dat het ondenkbare gebeurd was.

     Tijdens de voorverkiezingen heb ik op elk moment geloofd dat Trump op het punt stond om te verliezen. Ik las naarstig de stukken van de Never Trump-Republikeinen: Charles Krauthammer, Jonah Goldberg, George Will, Thomas Sowell, Charles Murray – al zullen die twee laatsten zich wel niet als Republikeinen omschrijven. En nu heeft Trump niet alleen de voorverkiezingen gewonnen, maar zelfs de échte verkiezingen, waar ook zwarten en latino’s aan meededen.
     Ik heb op de televisie beelden gezien van de winnaar en zijn gezin. Ik voelde dat ik mijn best begon te doen om hem sympathiek te vinden en het hielp dat hij dit keer geen vuile taal uitsloeg, niet agressief werd, en zijn woorden over internationale handel zo algemeen hield dat ze niet noodzakelijk als protectionisme moesten worden opgevat.
     Een van de programmapunten van Trump die ik altijd verachtelijk heb gevonden, was zijn belofte om 20 miljard extra te investeren in het onderwijs. Waar haalt hij het? Het Amerikaanse onderwijs kost nu al, geloof ik, 50 % meer per leerling dan het Vlaamse, en de resultaten zijn heel wat slechter. Er is dus met dat onderwijs wel wat anders mis dan geldtekort. Domme Trump.
     Maar nu hij toch president wordt, heb ik eens opgezocht wat Trump écht over het onderwijs zegt – en dat is heel wat anders. Hij wil geen 20 miljard extra aan het onderwijs geven, hij wil 20 miljard van de centrale overheid verplaatsen naar de plaatselijke overheden. Hij wil de ouders en de leerlingen meer kansen geven om zelf hun school te kiezen. Dat is in Vlaanderen de normaalste zaak ter wereld, maar in veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, ligt dat anders. En Trump zegt over het onderwijs wel meer dingen die mij bevallen.
     Ben ik aan het omgaan?
     Er bestaat een leuk verhaal* over Napoleon die na zijn eerste verbanning op Elba terugkeert naar Frankrijk. Hij rukt met een klein legertje op naar Parijs. Er worden troepen op dat legertje afgestuurd maar die weigeren op de Keizer te schieten en sluiten zich liever bij hem aan. Napoleons legertje groeit op enkele dagen tijd uit tot een vervaarlijke krijgsmacht. Die groei valt af te lezen aan de opeenvolgende krantenkoppen van de Moniteur universel.

(1)      De menseneter is uit zijn hol gekropen.
(2)      De wildeman van Corsica is geland in de golf van Juan.
(3)      De tijger is in Gap aangekomen.
(4)      Het monster heeft overnacht in Grenoble.
(5)      De tyran heeft Lyon doorkruist.
(6)      De usurpator is gezien op zestig mijl van de hoofdstad.
(7)      Bonaparte nadert met rasse schreden, maar hij zal Parijs nooit binnenkomen.
(8)     Napoleon zal morgen in ons midden zijn.
(9)      De keizer is aangekomen in Fontainebleau.
(10)  Zijne Keizerlijke Majesteit heeft gisteren zijn intrede gedaan in het Kasteel der
         Tuilerieën, temidden van zijn trouwe onderdanen.

Ik ben ongeveer aanbeland bij puntje (7): ‘Bonaparte nadert met rasse schreden.’

_____________ 

* Met dank aan Luc van Braekel die mij vandaag het verhaal in herinnering bracht op zijn facebookpagina. Het verhaal van de krantenkoppen wordt verteld door Alexandre Dumas in Une année en Florence. Of het waar is, heb ik niet kunnen achterhalen, want Dumas was een schrijver met een grote fantasie, ook als hij over geschiedenis schreef.

zaterdag 5 november 2016

De moeder, de dochter en de vier mannen

Links: Fanny - Rechts: Belle
     Fanny Osborne (1840-1919), de gescheiden Amerikaanse waar Louis Stevenson mee trouwde, viel niet bij iedereen in de smaak. Zijn vrienden konden haar niet uitstaan. Dat kwam misschien omdat hun blik vertroebeld werd door jaloezie. Die vrienden waren meestal zelf een beetje verliefd op de meisjesachtige schrijver en het is moeilijk om objectief te blijven als zich een rivale aandient.
     Fanny had een donkere huidskleur, zag er zelfs een beetje Mexicaans uit, droeg ongewone kleren, kon als het moest overleven in het Wilde Westen, rolde zelf haar sigaretten en had overal een mening over. Boven alles verzorgde ze met toewijding haar man die veel last had van zijn gezondheid. Stevenson hoestte voortdurend bloed op waardoor hij dacht dat hij aan longtering leed – tot een dokter hem ervan overtuigde dat dat niet zo was, en vanaf dan hield het bloedhoesten op.  Zijn laatste jaren bracht hij door op een van de Somoa-eilanden en zijn gezondheid was er erg goed. Toen bekoelde de liefde van Fanny.
     Belle Osborne, Fanny’s dochter, leek goed op haar moeder. Toen ze zeventien was, zag Belle er ouder uit dan haar leeftijd en Fanny jonger, waardoor ze voor zussen konden doorgaan. De moeder adviseerde haar dochter over mannen. Je kon hun aandacht trekken, zei ze, door ze intens aan te kijken, of door je hulpeloos voor te doen. Omdat ze zo goed op elkaar leken, was het niet verwonderlijk dat sommige mannen belangstelling hadden voor zowel de moeder als de dochter. Tegelijk hadden ook de twee Osbournevrouwen belangstelling voor dezelfde soort mannen. Dat leidde tot ingewikkelde toestanden in minstens vier gevallen.
     Het begon toen Fanny en Belle naar Antwerpen reisden om daar aan de kunstacadamie te studeren. Dat was geen succes, want de academie liet geen vrouwen toe. In Parijs vonden ze wel een academie die vrouwen toeliet, in de dubbele rol van leerling en model, en zo kwamen ze in contact met de wereld van kunstenaars en bohémiens, die ook Stevensons wereld was. Fanny flirtte - of had een verhouding - met de neef van de schrijver, Bob Stevenson, en met een van zijn vrienden, Frank O’Meara. Maar de twee mannen hadden evengoed aandacht voor Belle. Bob heeft nog met de idee gespeeld om met haar te trouwen en O’Meara heeft om haar een duel uitgevochten.

     Toen Belle eindelijk trouwde met een ongetalenteerde en berooide schilder, wilde Fanny een hele tijd niets meer met haar dochter te maken hebben. Later woonden ze weer allemaal samen in het grote huis dat Stevenson had laten bouwen op Somoa. Belle werd de secretaresse van Stevenson en hun relatie werd erg innig. Dat kwam de schrijver gelegen nu Fanny nogal humeurig was, zo zonder zieke echtgenoot om voor te zorgen. Er is echter geen reden om te geloven dat Stevenson en zijn schoondochter een verhouding hadden. Dat nu ook weer niet.
     Na de dood van Stevenson werd Fanny een rijke weduwe die mannelijke ‘protégés’ om zich heen had. Een ervan was Gilbert Burgess. Er zijn van hem hartstochtelijke brieven bewaard waarvan lang werd aangenomen dat ze aan Fanny gericht waren, maar later onderzoek wees uit dat ze voor Belle bedoeld waren. De belangrijkste protégé was de journalist Ned Salisbury, die achtendertig jaar jonger was dan Fanny. Toen Fanny stierf, trouwde hij met Belle. Vergeleken met haar* was hij maar twintig jaar jonger, wat een heel verschil  is.  Ze werden schatrijk want een stuk grond dat Ned gekocht had, bleek boven een grote petroleumlaag te liggen.
     Over hoe Fanny was in haar laatste jaren, zijn de meningen verdeeld. Ned Salisbury noemde haar ‘the only woman in the world worth dying for.’ De beroemde schrijver Henry James beschreef haar als ‘old, changed, barbaric, weary and queer.’ Maar dat laatste was James zelf ook, dat weten we ondertussen.

 
* Ik had hier eerst ‘dan haar’ in plaats van ‘vergeleken met haar’ geschreven, maar dat leek me toch verdacht en de zin bleef me dwarszitten. Ik vroeg raad aan de Taalprof die onmiddellijk antwoordde: ‘Ik weet niet of er een officieel taaladvies over is, maar in de taalkundige literatuur geldt dit soort “extractie uit een adjectivale woordgroep” als ongrammaticaal. Het gaat namelijk om de woordgroep [jonger dan haar], waaruit je [dan haar] “extraheert” om het vooraan de zin te zetten. Ook in mijn taalgevoel is dat ongrammaticaal.’

woensdag 2 november 2016

Kinderwens

   De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson (1850 - 1894) was dol op kinderen en op kinderspelletjes. Zijn hele leven lang bleef hij oorlogje spelen met zijn meer dan zeshonderd tinnen soldaatjes. Maar toen hij trouwde met de tien jaar oudere Fanny Osborne spraken ze af om geen kinderen te nemen. Fanny had al een dochter van tweeëntwintig en een zoon van twaalf, en was enkele jaren daarvoor een andere zoon verloren.
   De schrijver troostte zich met zijn tinnen soldaatjes, speelde oorlogje met zijn stiefzoon, maar de kinderwens bleef knagen. Hij had wel geen zoon, of toch niet echt, maar hij had wel het hart van een vader

God gave to me a child in part
Yet wholly gave the father’s heart:
– Child of my soul, O whither now,
Unborn, unmothered, goest thou?

   Van zulke zielskwellingen had Fanny geen last. Toen haar dochter Belle zwanger was, schreef ze aan een vriendin: ‘Belle, I hear, is going to have another baby and her dog is dead. I’m not going to have another baby and my dog is not dead.’