donderdag 22 juni 2017

Maar wat was zijn motief?

    Zo onmiddellijk na een terreuraanslag is het voor een  krantenschrijver of nieuwslezer soms moeilijk om de juiste toon te vinden. Een mediterraan type heeft ‘Allahu Akbar’ geroepen en heeft daarna een bom laten ontploffen, een automatisch pistool leeggeschoten of is met een vrachtwagen op een menigte voetgangers ingereden. Je kunt dan terugvallen op clichés zoals: ‘Over de motieven van de dader is nog niets bekend’.
     Het is een beetje lachwekkend, maar ook een beetje begrijpelijk. Het maakt deel uit van een oude traditie: je maakt een gezicht onherkenbaar, je gebruikt initialen (G.M. uit Z.), je verklaart met een zorgelijk gezicht dat de ‘uitkomst van het gerechtelijk onderzoek wordt afgewacht’. Je spreekt uiteraard van ‘verdachte’ in plaats van ‘dader’, ook al had die verdachte – heel verdacht – een bebloed mes in de hand toen hij werd gearresteerd, of had de verkrachter zijn broek op de enkels. En ten slotte zeg je dus nog iets over de motieven die ‘voorlopig nog onbekend zijn’.
     Ik heb daar allemaal geen probleem mee. Een paar dagen later vernemen we hoe dan ook dat bijvoorbeeld ons mediterrane type op zijn appartementje een ruime verzameling islamistische literatuur had, op de sociale media zijn sympathie uitsprak voor terreuraanslagen en, wie weet, misschien zelf op een lijst stond van mogelijke aanslagplegers. En daarmee zijn zijn motieven dan eindelijk toch bekend.
     Maar nu heeft Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad iets nieuws. Over de mislukte aanslag van gisteren schrijft hij: ‘Oussama Zairiouh is een kopzorg. Omdat we niet weten wat er in zijn hoofd omging … Zolang we de motieven niet kennen van mensen die snel radicaliseren, kunnen we ook geen echt antwoord bieden op de terreurdreiging.’
     Dit is duizelingwekkend.
     Want we kennen natuurlijk de motieven van Zairouh om zijn aanslag te plegen: hij was een van die ‘geradicaliseerde’ moslims die de koran letterlijk interpreteren. Aangezien dat boek in verschillende hoofdstukken oproept om ongelovigen te doden, wilde Zairouh daar graag zijn steentje toe bijdragen. Barbaars en achterlijk, maar zonneklaar.
     Maar dan komt Mijlemans met een tweede vraag: wat waren zijn motieven om te radicaliseren? We moeten met andere woorden niet alleen Zairouhs motieven kennen voor de aanslag, we moeten ook de motieven kennen van die motieven. En zo kunnen we nog even doorgaan. Moeten we immers ook de motieven van die motieven van die motieven niet kennen? In de logica spreekt men in zo’n geval geloof ik van regressus ad infinitum.
     Stel dat Zairouh geradicaliseerd is omdat hij op Wikipedia een artikel heeft gelezen over het verdrag van Sykes-Picot (1916). Moeten we nu ook niet nagaan wat zijn motieven waren om iets over dat verdrag te lezen? En moeten we iedereen gaan schaduwen die iets over dat verdrag heeft gelezen? Ik heb dat tenslotte ook wel eens gedaan. Of moeten we het artikel op Wikipedia laten weghalen?
     En stel nu dat Zairouh véél motieven had om te radicaliseren – een eindeloze rij van frustraties: het onrecht van Sykes-Picot, een ongehoorzame vrouw, een ontoereikend loon in de gsm-winkel waar hij werkte, een ketchupvlek op zijn mooiste T-shirt  … Moeten wij dat allemaal weten? Willen wij dat allemaal weten?
     En als we het allemaal weten, zijn we dan beter uitgerust om, zoals Mijlemans schrijft, een ‘echt antwoord’ op de terreurdreiging te kunnen bieden?

Regressus ad infinitum met twee spiegels

zaterdag 17 juni 2017

Dampen op school

     Over ‘dampen’ – elektronisch roken – heb ik geen mening. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad is tégen en dan moet ik mij geweld aandoen om niet meteen vóór te zijn, maar tot nu toe is het mij aardig gelukt. Een andere kwestie is evenwel die van dampen op school. Wat doe je als zo’n brutale vlegel op de speelplaats gaat dampen en, daarop aangesproken, antwoordt: ‘Daar staat niets over in in het schoolreglement. Daar staat alleen iets in over roken.’ Moet dat dampen dan apart in het reglement worden opgenomen? Daar wil ik iets over zeggen vanuit mijn levenservaring en vanuit mijn boekenstudie.    
     In mijn tijd bestond een schoolreglement uit een A-4’tje dat ophing aan het raampje van de schoolwinkel. Ik heb dat reglement ooit grondig bestudeerd om te zien of het geen aanvechtbare bepalingen bevatte, bepalingen die aanleiding konden geven tot ontevredenheid, actie, of misschien zelfs staking. Dat viel niet mee. Ja, er stond ergens in dat onze haarsnit ‘verzorgd’ moest zijn. Maar kon je daar nu tegen zijn?
      Toch was op onze jongensschool bijna alles verboden. Je mocht niet spuwen op de grond. Je mocht je stofjas niet open dragen. Je mocht je haar niet over je oren kammen. En je mocht op de speelplaats niet te lang met dezelfde vriend staan praten – er mocht zich eens een ‘speciale’ vriendschap ontwikkelen, stel je voor. Maar al die verboden, die stonden niet op het A-4’tje van het winkelraam, en dat was ook niet nodig. Een repressie-apparaat van drie ‘subregenten’ en een woeste ‘secretaris’ bepaalde op elk moment wat mocht en wat niet mocht. Wij verkeerden in een staat van volslagen rechteloosheid.
     Nu is dat allemaal anders. Het schoolreglement is een heus boekje geworden – op onze school zelfs twee boekjes, samen meer dan 100 bladzijden. En nog staat niet alles erin, wat erin moet staan. Er staat bijvoorbeeld nergens een duidelijk verbod in op het gooien van schoenen in de klas, en ik heb dat nochtans een keer meegemaakt in het 4de jaar Handel. Je kunt natuurlijk zeggen dat schoenen gooien indruist tegen de bepaling ‘respectvol omgaan met elkaar’, maar dat vind ik toch een kwestie van interpretatie. Ik geloof ook niet dat het reglement verbiedt dat leerlingen gewapend naar school komen. Er staat alleen iets in over ‘gewapend zijn tegen individualisme en zelfzucht’.
   Dat alles was aan het Yale College van begin de 19de eeuw wel even anders. Yale was toen een soort High School waar Latijn, Grieks, Hebreeuws en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde werd aangeleerd. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer belaagd werd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies – en dat gebeurde – werd onverbiddelijk van school getrapt.
     Het buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en die er ook meestal een paar onder zijn  hemd meedroeg. Toen de rector daarvan hoorde schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Wij zouden dus op mijn school, in dezelfde visie van rechtszekerheid, de regel ‘Roken levert strafstudie op’ kunnen uitbreiden tot ‘Roken en dampen leveren strafstudie op.’ Ja, dat kunnen we. Maar zijn we dan zeker dat dat genoeg is? Misschien komt na de elektronische sigaret weer iets nieuws – de digitale sigaret? – de virtuele sigaret? Nee, hier kunnen we beter bij Godfried Bomans ten rade gaan. In De avonturen van Bill Clifford  citeert hij op de eerste bladzijde al het reglement der Posterijen: ‘Alle ambtenaren, die, hetzij met een sigaret, hetzij met een sigaar, hetzij met een pijp, hetzij met enig ander rookwerkuig worden aangetroffen,  zijn gehouden hiervan aan de directeur verantwoordig af te leggen.’ Enig ander rookwerktuig - de Posterijen waren op alles voorbereid.
     Zo gaan we het doen bij ons op Sint-Ursula. We verbieden pijp, sigaar, sigaret en enig ander rookwerktuig. En geen slangen meebrengen in de klas natuurlijk, want dat zijn vieze beesten.

woensdag 14 juni 2017

Hilde Sabbe en Yvan Mayeur

     Columniste Hilde Sabbe wordt nu overal een beetje uitgelachen omdat ze vorig jaar zo’n  lovend stuk schreef over PS-burgemeester Mayeur toen hij de Vlamingen, enigszins veralgemenend ‘fascisten’ of ‘extremisten’ had genoemd. Sabbe had Mayeur geprezen voor zijn passie, zijn overtuiging en zijn emotie. Ook was hij ‘zeer intelligent’. Veel politici waar Sabbe mee gepraat heeft zijn ‘zeer intelligent’.
     Maar nu is gebleken dat die Mayeur zich rijkelijk liet betalen door een organisatie voor daklozen terwijl hij helemáál niet dakloos is. Daarover is nu veel verontwaardiging. Vooral vrijwilligers die zelf al eens wat doen  in de armoedebestrijding zonder daar een cent voor te vragen hebben bedenkingen bij zo’n graaier die hoge zitpenningen ontving voor vergaderingen die niet eens plaats vonden. Die zitpenningen beliepen 19 000 euro bruto per jaar, lees ik.
     Sabbe had kunnen stilzitten en zwijgen als een schaap dat geschoren wordt. Maar ik geloof niet dat dat iets voor haar is, dat zwijgen. Op Facebook maakt ze duidelijk dat ze bóós is op de kranten die van Mayeur een sjoemelende burgemeester hebben ‘gemaakt’. Mayeur heeft een koel hoofd, schrijft Sabbe, en een open geest. Mayeur is geen racist. Mayeur heeft veel talent in zijn vingertop. Mayeur is geen lid van de N-VA.
     Dat kan allemaal best waar zijn.
     Maar die zitpenningen dan? Sabbe gaat in de tegenaanval: ‘Die les hadden de grote graaiers natuurlijk allang begrepen: je nooit laten vergoeden voor geleverde diensten voor sociale organisaties. Alleen maar werken voor kapitaalkrachtige instellingen, dan kraait er geen haan naar hoeveel je betaald wordt.’
     Ik zou nu kunnen vitten en zeggen dat die diensten voor sociale organisaties naar het schijnt juist niet ‘geleverd’ zijn, maar daar gaat het mij niet om. De hele redenering lijkt er mij op neer te komen dat je je gerust flink mag laten betalen door een sociale organisatie die leeft van subsidies en giften want anderen laten zich ook flink betalen door ‘kapitaalkrachtige’ firma’s. Dat die firma’s niet leven van subsidies en giften doet er niet toe. Het gaat er alleen om hoeveel je betaald wordt. Die anderen krijgen dat, dus Mayeur heeft er ook recht op. En Sabbe misschien ook.
     Je kunt op zoveel manieren eerlijk je geld verdienen: een eigen zaak uitbaten, betaald worden door iemand die een eigen zaak uitbaat, aan de staat werken volgens een barema. Je kunt een laag- of een hooggeschoold beroep uitoefenen. Je kunt geld van anderen beleggen en daar kleine procentjes voor opstrijken die samengeteld een enorm bedrag opleveren. In zo’n systeem zal de ene een veel hoger inkomen hebben dan de ander.
     Socialisten en communisten zijn geneigd om die inkomensongelijkheid zelf als een misdaad te zien. Zodra iemand veel meer heeft dan een ander, is er vals gespeeld. Derrière chaque grande fortune il y a un crime, schreef Balzac, die nochtans geen socialist was en zijn leven lang wanhopig op zoek was naar een groot fortuin. Brecht brengt dezelfde boodschap in zijn Driestuiversopera: de hele maatschappij bestaat dankzij de misdaad. Als je nu geld verdient als ondernemer, straatrover, pooier of zaakvoerder van een bedelaarssyndicaat: wat telt is hoeveel je binnenrijft. Of zoals Sabbe schrijft: ‘hoeveel je betaald wordt’.
     Indien Mayeur redeneert als Sabbe, wat kan, of als socialist, wat waarschijnlijk is, dan heeft hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Yvan Mayeur verdient minder dan een grote bankier, een zakenman, een nefroloog of een eerste minister. Hij denkt dat hij dat verschil mag bijpassen, want hij werkt even hard en heeft evenveel talent. Wat dondert het dat het geld uit de kas van de daklozen komt? En wat dondert het dat hij dat geld kreeg voor vergaderingen die niet plaats vonden? Was hij op die avonden dat hij niet vergaderde voor de daklozen niet op een andere manier druk in de weer voor het algemeen belang? Als hij maar krijgt waar hij recht op heeft.
     Toch hebben Mayeur en Sabbe het verkeerd voor. In een fatsoenlijke maatschappij verdien je je geld in afspraak met degene die je het geld bezorgt: de klant, de patiënt, de werkgever, de staat. Tot op zekere hoogte krijgt zelfs de politicus zijn centen in afspraak met zijn kiezer.* Maar met wie heeft Mayeur zijn vergoeding afgesproken? Met de kameraden onder elkaar? In elk geval niet met de daklozen.
     In Oom Vanja van Tsjechov is er een discussie tussen de plompe Serebrjakov, eigenaar van een landgoed, en de brave Ivan Petrovitsj – Vanja dus – die het landgoed beheert. Vanja klaagt dat hij in al die jaren geen loonopslag gekregen heeft. De plompe Serebrjakov zegt dat hij die loonsopslag zelf maar uit de kas had moeten nemen. Daarover is Vanja erg verontwaardigd. Dat zou diefstal geweest zijn. Misschien niet in de wettelijke betekenis van het woord, maar toch: diefstal.
     Vanja heeft gelijk. Ook geld nemen uit de kas van een plompe landheer als Serebrjakov is diefstal. Maar eigenmachtig geld nemen uit de kas van de daklozen is véél erger. Dat begrijpt iedereen, behalve Mayeur, de gewetenloze graaiers van de PS en onze eigen Hilde Sabbe.
 
* Kiezers die vinden dat burgemeesters, parlementairen en ministers te veel verdienen kunnen stemmen voor een partij die tegen die hoge vergoedingen is. De PVDA bijvoorbeeld. Zelf heb ik niks tegen politici die goed verdienen én goed werk leveren.

zaterdag 10 juni 2017

Lerarentekort - Is meer pedagogie de oplossing?

     Wat ook veel te vaak wordt hervormd en vernieuwd is de lerarenopleiding. We lazen van de week in de krant dat het wiskundeniveau daalt en dat er te weinig wiskundeleraren zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad?* ‘Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) wil het probleem tackelen door de lerarenopleiding te hervormen.’ Ik betwijfel of dat de oplossing is. Als het aan mij lag zou ik juist al die hervormingen van de laatste veertig jaar weer afschaffen. Of ik daardoor meer wiskundeleerkrachten zou krijgen, weet ik niet, maar meer of minder, ik zou het tóch doen.
     Er moet een Gouden Tijd bestaan hebben toen universitaire diploma’s van wiskunde, fysica en germanistiek directe toegang verleenden tot het lerarenberoep. Je moest er nog twee of drie pedagogische vakjes bij nemen, je moest een paar stagelessen geven, en de zaak was beklonken. Die Gouden Tijd heb ik niet meer meegemaakt. Toen ik afstudeerde waren die vakjes al zodanig uitgedijd dat ik er een heel jaar mee bezig was. 
     Dat was niet altijd even aangenaam. Mijn ergernis was meteen gewekt toen ik in  ‘Algemene pedagogie’ op de eerste bladzijde een definitie van ‘leren’ kreeg die nergens op sloeg. Uit die definitie volgde dat we als leraren niet aan ‘kennisoverdracht’ mochten doen.* Ook moest ik op geregelde tijden met medeleerlingen, en onder begeleiding, ‘reflecteren over de onderwijspraktijk’. Maar laat ik mild zijn: niet alles in het programma was onzin. Ik heb er enkele inzichten in leerprocessen aan overgehouden, en een paar nuttige adviezen. Als je echter alles wat interessant of nuttig was bij mekaar harkte, had je toch voor niet meer dan twee of drie kleine vakjes, zoals vroeger. 
     Goed, je wilt lesgeven en je moet erdoor. Je denkt dat je dat lesgeven wel al doende zult leren en je hebt een paar oud-leraren voor ogen die je graag wil nabootsen, maar je zet die gedachten tijdelijk uit je hoofd en je verstand op nul – wat een uitstekend uitgangspunt is om pedagogie te studeren. Wat is nou een extra jaar? Un mauvais quart d’heure à passer, meer niet.
     Helaas is er de laatste tijd iets nieuws aan de hand. De nieuwigheid bestaat erin dat de pedagogische opleiding niet alleen wordt uitgebreid – wat al erg genoeg is – maar dat ze wordt uitbreid ten koste van de wetenschappelijke vakopleiding. Hoe zal Crevits voor meer wiskundeleerkrachten zorgen? ‘Ze wil,’ zo schrijft Het Nieuwsblad, ‘dat jongeren na het middelbaar ook aan de unief meteen voor een lerarenopleiding kunnen kiezen, met de zogenaamde educatieve master.’ Wie geen bezwaar heeft tegen slecht proza kan over die educatieve master lezen in Crevits haar conceptnota ‘Wervende en kwalitatieve lerarenopleidingen’ – alinea 3.2.7.
     Ik weet hoe het zal eindigen met die educatieve master. We komen ten langen leste uit op twee universitaire opleidingen: de echte wiskunde en de onderwijswiskunde, de echte fysica en de onderwijsfysica, de echte taal-en-letterkunde en de onderwijstaal-en-letterkunde. En de onderwijsvariant wordt de light versie. Universitaire wiskunde light! Tja. Ik weet ook hoe men dat zal ontkennen: ‘de bacheloropleiding blijft gemeenschappelijk’, ‘we zullen de instroom versterken via een verplichte, niet-bindende toelatingsproef’*, ‘we gaan zowel de vakinhoudelijke als de educatieve inhoud versterken’.
     Dat zijn praatjes, vooral dat laatste.  In alinea 3.2.4 van de Conceptnota worden de terreinen van de versterkte lerarenopleiding opgesomd:
  • Vakinhoudelijke kennis
  • Didactische vaardigheden
  • Klasmanagement
  • Praxisonderzoek
  • Toenemende diversiteit in een grootstedelijke context.
     In zo’n opvatting is ‘vakinhoudelijke kennis’ maar één van de vijf ingrediënten –  ingrediënten waar ik er gemakkelijk nog enkele bij kan van verzinnen. En in elk geval voorziet de educatieve master 120 studiepunten ‘waarvan 60 studiepunten aan de component leraar worden besteed.’ De helft gaat dus naar het lerarengedoe en de helft gaat naar de vakinhoud. Dan wordt die vakinhoud toch wel aardig uitgekleed, vind ik.
     De reden die Crevits voor de educatieve master aangeeft is kletskoek. ‘We willen dat jongeren op 18 al een bewuste keuze kunnen maken voor leraar.’ Maar die bewuste keuze hebben achttienjaren altijd al kunnen maken. Toen ik aan mijn opleiding Romanistiek begon, had ik niet de minste twijfel dat ik leraar wou worden, net zoals tachtig procent van mijn medestudenten. Daarvoor moest er echt geen educatieve master Romanistiek worden opgericht. Wel waren er sommigen die in de loop van hun studies veranderden van mening en vooralsnog een andere loopbaan kozen. Dat is uitstekend. We leven in een vrij land. Wij willen alleen échte leraren en leraressen in ons beroep. De rest doet maar iets anders.
     Crevits heeft daarbij wel gelijk als ze denkt met universitaire opleidingen light meer kandidaten aan te trekken. Dat zullen dan kandidaten zijn die wetenschappelijk wat minder aanleg hebben.* Natuurlijk betwist ik niet dat er daar bij zullen zijn die goed les kunnen geven. Het zijn niet altijd de beste wetenschappers die de beste lesgevers zijn. En dan: is al die wetenschap wel nodig? Is het wel nodig dat eenvoudige leraren Nederlands, om in mijn vakgebied te blijven, noties hebben van Indo-Germaans, Gotisch, principes van klankverschuiving, fonologische en morfologische analyse, structuralistische en generatieve grammatica, allemaal zaken waar zij in hun lessen toch niets mee aanvangen Waarom die arme studenten lastig vallen met de poëzie van Willem Bilderdijk, Jacob Da Costa en P.A. de Génestet als ze die aan hun leerlingen toch niet verkocht krijgen, gesteld dat zij dat zouden willen?
     Ja, dat heb je met universitaire studies. Veel is niet direct nuttig. De fictie wordt in stand gehouden dat al die studenten eigenlijk toekomstige wetenschappers zijn die hun verdere leven aan de studie van klankverschuivingen en dergelijke zullen wijden. Maar die fictie heeft zijn charme. Het is, om met Plato te spreken, een ‘nobele fictie’. Dat elk jaar tienduizenden jongeren een instituut bezoeken waar niet ‘nut’ maar ‘waarheid’ centraal staat, trekt een versterkte muur op rond onze beschaving. Het is goed dat die jongeren gedurende enkele jaren worden aangewaaid door de tegendraadse gedachte ‘Fiat veritas, pereat mundus’. Het is eveneens goed dat een flink deel van die jongeren in het onderwijs terecht komen waar ze hopelijk de vlam van de wetenschap, zij het op een laag pitje, levend houden.
    In de vroege jaren zeventig gaf op het Sint-Aloysiuscollege te Menen, dat nu SAM heet, de jonge Antoon Vandendriessche les in de vakken Nederlands, Engels, Duits en Geschiedenis. Hij vertelde over Paul Lebeau, aan wie hij zijn scriptie had gewijd, en over George Bernard Shaw, ‘der Alte Fritz’,  Barbarossa, en ook over die andere keizer die in zijn onderhemd en op zijn blote knieën naar Canossa trok. Als hij op dreef was schreef hij een Indo-Europese stam op het bord, tekende hij een Hegeliaanse triade, stelde het werk van Elsschot voor op een x- en y-as, of lichtte het begrip ‘chaosmos’ toe tegen de achtergrond van Finnegan’s Wake.
     Wij waren een beetje trots op onze leraar. Antoon Vandendriessche kwam net van de universiteit. Hij was aangeraakt door de wetenschap. Maar ik geloof niet dat hij veel lerarenopleiding had meegemaakt. Hij deed aan kennisoverdracht.

* Alle aanhalingen uit Het Nieuwsblad, 8 juni 2017 – Het Laatste Nieuws 26 maart 2016 (hier) en de conceptnota Lerarenopleidingen versterken – Wervende en kwalitatieve lerarenopleiding als basispijler voor hoogstaand onderwijs (hier). De titel van de conceptnota geeft een stilistisch voorproefje van het hele opstel.

** Van Popper heb ik geleerd dat je uit een definitie héél weinig kunt afleiden.

*** ‘Verplicht, maar niet bindend’. Heerlijk is dat.

**** De educatieve master kan de opleidingstermijn natuurlijk verkorten omdat er dan na de vakinhoudelijke master geen aparte lerarenopleiding moet worden gevolgd. Ook dat kan nieuwe studenten opleveren. Maar door de pedagogische kant van de opleiding drastisch te verminderen, zoals ik voorstel, krijg je dezelfde uitkomst.

zondag 4 juni 2017

Heeft Trump voor één keer gelijk?

     Verstandige mensen zoals Joseph Stiglitz (Nobelprijswinnaar Economie), Louis Verbeke (gewezen zakenadvocaat) en Marc Ernst (facebookvriend) geloven dat Trump een verkeerde beslissing nam toen hij uit het klimaatakkoord van Parijs stapte. Trump heeft die beslissing toegelicht in de bekende Rozentuin. Hij had geen zin, zei hij, om de Amerikaanse CO2-uitstoot met 25 % te verminderen, of om 2 miljard dollar te schenken aan andere landen om hùn CO2-uitstoot te verminderen.
     Over dat CO2 heb ik weinig te melden. Dat is iets van scheikunde, wat het enige vak is waar ik ooit een herexamen van heb afgelegd. Soms zie ik op Facebook een discussie over CO2 en het klimaat. Ik word dan bang. ‘Show me your PhD,’ reageerde een klimaatalarmist driftig toen hij werd tegengesproken door een scepticus. Nu kende ik die scepticus, en die heeft toevallig een doctorsgraad – wat hij overigens niet vermeldde. Dat laatste vond ik een beetje raar. Als ik een PhD had, zou ik dat vermelden bij elke kans die ik krijg. Maar helaas, ik heb niet eens het allerkleinste doctoraatje in het allerkleinste vakgebiedje. Ik zwijg dus.
     Het enige wat ik wel weet over het klimaat is dit: dat volgens een geleerd model de temperatuur, mede onder invloed van CO2, fors zal stijgen tegen 2100. En dat volgens datzelfde geleerde model die stijging door het Parijse akkoord iets minder zal zijn. Hoeveel minder? Dat is precies berekend geweest: 0,05 °C minder.* Dankzij Parijs komt er dus een stijging van bijvoorbeeld 2,95 °C en niet van 3 °C. Dat is geen groot verschil. Vanuit klimaatstandpunt is het besluit van Trump met andere woorden een bagatel, een akkefietje, een onbetekenende anekdote in de marge. Of het dat ook is voor de economie of de diplomatie is een andere zaak.

     En dan weet ik nóg iets over klimaat en energie: met windmolens en zonnecellen komen we er niet. Is er eigenlijk één klimaatgeleerde die ronduit zegt van wel? Nu leveren wind en zon hooguit één procent van de geproduceerde energie.** Is er één klimaatgeleerde die ronduit durft beweren dat we binnen afzienbare tijd dat ene procent kunnen optrekken tot bijvoorbeeld 50 % van de huidige energienoden. En wat met de toekomstige energienoden van, zeg, China en India?
      Als leek weet ik niet of –  en hoe snel – de aarde in de toekomst zal opwarmen. Ik weet niet hoe groot de rol van de CO2-uitstoot daarbij is. Ook weet ik niet hoe catastrofaal de gevolgen zullen zijn. Komt de malariamug naar Scandinavië? Krijgen we grote, oncontroleerbare volksverhuizingen? Overstromen binnenkort onze metropolen? Worden wij allemaal, zoals Kevin Costner, mensvissen met kiewen achter de oren en vliezen tussen de tenen? Dat alles weet ik niet. Maar als het inderdaad allemaal zo erg is als sommige klimaatgeleerden beweren, dan moeten we daar volwassen conclusies uit trekken. Dan moeten we nu, meteen en massaal, investeren in atoomenergie, en wel zo massaal dat die energie niet alleen helemaal veilig wordt, maar ook goedkoper dan steenkool, petroleum of gas.*** Dan kan een einde komen aan de CO2-uitstoot. Wind en zon en zuinig verbruik en nieuwe batterijen zijn prima, maar zonder atoomkernen te splitsen of te fuseren, komen we er niet.
     Atoomenergie ligt niet goed bij de pers en bij de bevolking. Dat is zo. Het is geen boodschap waar je op feestjes veel vrienden mee maakt. Maar waarom zou een klimaatbewuste ondernemer als Elon Musk, gesteund door zijn collega’s van Apple, Nike, Starbucks, BP en Shell, zich daar iets aan van aantrekken? Musk en zijn vrienden buigen niet voor de ‘populistische’ klimaatpolitiek van Trump. Dan moeten ze ook niet buigen voor de publieke opinie. Moedig voorwaarts!
     En dan spreken we nog niet van onze visionaire politici zoals Kathleen van Brempt (SP.a), Charles Michel (MR), Lode Vereeck (OpenVLD) en Vincent van Peteghem (CD&V). Die hebben gisteren en eergisteren een invoertaks geëist op Amerikaanse producten omdat in de VS binnenkort weer nieuwe steenkoolcentrales zouden opengaan voor goedkope energie. In de toekomst zullen die visionairen dan op de televisie, op facebook of op twitter kunnen eisen dat er een importtaks komt op alle producten die niet met schone atoomenergie zijn geproduceerd. Want dat protectionistische reflexen zomaar zullen verdwijnen met de bouw van mooie nieuwe atoomcentrales, dat geloof ik niet.

* 0,05 °C – weet men dat zeker? Misschien niet. Maar de berekening is uitgevoerd, door Bjorn Lomborg, met gebruikmaking van hetzelfde model als dat waarop de hele klimaatwetenschap gebouwd is. Als die 0,05 °C niet klopt, dan klopt ook de huidige klimaatwetenschap niet. Zie hier voor het peerreviewed artikel van Lomborg. Een summiere kritiek op de conclusies van Lomborg vind je hier. Een antwoord op die kritiek vind je hier

** Windmolens en zonnecellen produceren ongeveer vijf procent van de elektrische energie. Elektrische energie is zelf ongeveer een vijfde van de totale geproduceerde energie. Zie hier.

*** De redenering is ontwikkeld in een artikel van Joshua S. Goldstein and Steven Pinker. Zie hier.

vrijdag 2 juni 2017

Foutje bij meerkeuze-examen

     Professor Carl Devos van Gent is een klein betwetertje, en dat ben ik ook. Dat komt dus goed uit. Nu is hem iets onaangenaams overkomen. Zijn studenten moesten een meerkeuze-examen afleggen en daarbij bleek achteraf dat het juiste antwoord op alle vragen ‘A’ was. Ik heb ook eens zo’n blunder begaan, al was het niet bij een examen maar bij een tussentijdse toets.
     Een meerkeuze-toets opstellen is een hele klus. Je begint met een vraag te verzinnen. Dan formuleer je een antwoord. Maar dan ben je er nog niet. Nu moet je nog drie afleiders verzinnen: antwoorden die er ook geloofwaardig uitzien, maar die toch fout zijn. Ik gebruik daarvoor de wildste associaties: de kinderen van Don Corleone, ouderwetse woorden uit de Max Havelaar, lukraak gekozen zinnen uit de  Tao Te Ching … Door die werkwijze staat het juiste antwoord bovenaan en de afleiders daaronder. Daarna begin je ongeduldig aan de tweede vraag. Je eindigt met een vragenlijst waar alle juiste antwoorden bovenaan staan. Daarom moet je achteraf bij elke vraag nog even de antwoorden door elkaar husselen. Ik doe dat door ze alfabetisch te ordenen (ik maak ook een tweede versie met omgekeerde alfabetische ordening, zodat spiekende leerlingen allemaal foute antwoorden kiezen). ’t Is een gemakkelijke oplossing, maar je mag het niet vergeten.
     Je begrijpt het probleem van de student als het wél vergeten wordt. De student vult de drie eerste vragen in: A – A – A. Dan nog een A. Dat is vreemd. En nog een. En nog een. Als de student heel knap is, en hij heeft heel goed gestudeerd, dan eindigt hij met 20 keer A. Maar als hij ook wat onzeker is van aanleg, dan schrikt hij zo erg van het resultaat dat hij nog snel enkele van die A’s verandert in B, C of D. Doet hij dat een keer te veel, dan zakt hij voor de toets of het examen.
     Professor Devos werd om uitleg gevraagd. ‘Een medewerker is vergeten de antwoorden door elkaar te husselen,’ zegt hij. ‘De man vindt het bijzonder erg.’ Goed, het was dus niet de schuld van de professor. Maar die arme medewerker voor de leeuwen gooien vind ik wat harteloos. Hier had een onpersoonlijke passief uitkomst kunnen brengen: ‘Bij het invoeren van de examens werd vergeten …’ Veel Amerikaanse presidenten gaven het voorbeeld. Serious mistakes were made,’ zei Ronald Reagan.
     Overigens vindt professor Devos het AAA-examen ook weer niet zo erg. Ja, sommige onzekere studenten hebben wat punten verloren door A’s te wijzigen. Maar dat werd goedgemaakt ‘omdat er ook studenten waren die het door hadden, en dus na een tijdje bij twijfel gewoon voor A kozen.’ De een zijn dood was de ander zijn brood, lijkt de professor te redeneren.*
     Ik ben het daar niet zo mee eens. Beeld je de volgende examenvraag in:
 
Wat zou een goede reden kunnen zijn om een meerkeuze-examen met allemaal A-antwoorden niet valide te verklaren?
     A)     Omdat sommige studenten het na een tijdje door zullen hebben
     B)     Omdat de studenten allemaal dezelfde vragen krijgen
     C)      Omdat studenten die de leerstof goed kennen niet zullen twijfelen aan de
              antwoorden
     D)     Wie te voet gaat, komt geen buffel of tijger tegen.

     Volgens mij is antwoord ‘A’ alweer correct.

* Ook Kim Clemens van Het Nieuwsblad lijkt het probleem niet goed te begrijpen. ‘En wat als de resultaten achteraf opmerkelijk slecht blijken?’ vraagt de journalist zich af. Maar dat is helemaal niet het enige probleem. Het totale aantal geslaagden kan hetzelfde gebleven zijn, maar er is geen waarborg dat dezelfde studenten geslaagd zijn.

zaterdag 27 mei 2017

Overspel in 1845

Links Léonie dAunet bij wie Hugo betrapt werd
Rechts Juliette Drouet bij wie Hugo onderdook
      Op 5 juli 1845 werd Victor Hugo door de politie op overspel betrapt. De echtgenoot van Hugo’s minnares had klacht neergelegd, de commissaris had op de deur geklopt en geroepen: ‘Doe open in de naam des konings’, Hugo had snel een overjas over zijn naakte lichaam gegooid en opengedaan – hier was geen kruid tegen gewassen, het bed was nog warm, met de minnares erin.
     Je moet daar niet licht over denken. De Code Napoléon (1804) voorzag een flinke gevangenisstraf voor overspeligen. Hugo zelf was lid van de senaat en als pair de France onschendbaar. Maar zijn minnares werd meegevoerd en opgesloten in de Saint-Lazare-gevangenis, tussen dieveggen en prostituees. Dan had je de pers. Die was toentertijd, heel anders dan nu, vooral belust op sensatie. De volgende dag stond het schandaal al in de krant, zonder de naam van Hugo, maar de details waren zo gekozen dat heel Parijs begreep om wie het ging. Een commentaarschrijver vroeg zich af of de onschendbaarheid van senatoren ‘nog van deze tijd was’.
     Als u, lieve lezer, iets gelijkaardigs overkomt, dat u betrapt wordt  – niet op overspel, want dat is niet strafbaar meer – maar op een ander delicaat misdrijf, dan kunt u van de grote Franse schrijver leren hoe u de zaak moet aanpakken.
     Eerst moet u alles eerlijk aan uw man of vrouw opbiechten. Hugo deed dat op zijn knieën, met veel bidden en smeken, maar als u minder toneelervaring hebt moet u dat op uw eigen manier doen. Authenticiteit in zulke zaken is belangrijk. Daarna schakelt u een hooggeplaatste vriend of vriendin in om je medeplichtige te laten overbrengen van de gevangenis naar een klooster, zoals Michèle Martin en bisschop Van Gheluwe. In het geval van Hugo was het madame Hamelin, een oude vriendin van Napoleon, die daarvoor zorgde, hoewel sommigen beweren dat het mevrouw Hugo zelf was die de zaak regelde. Léonie Briard d’Aunet, want zij was het, verhuisde van de gevangenis naar het Augustijnenklooster aan de rue Neuve-de-Berri.
     Aansluitend neemt u de koning onder de arm. Bij Hugo was dat Louis-Philippe, de ‘burgerkoning’. Die nodigde de benadeelde echtgenoot uit op zijn paleis in Versailles en liet hem een mooi fresco zien dat hij zojuist had laten herstellen. De echtgenoot trok zijn klacht in. ‘Door het fresco vergat het hij fiasco,’* zeiden de Parijzenaren.
     Komt de zaak dan voor de rechtbank. Op dat moment moet vooral de pers worden bewerkt. Hugo liep de redactielokalen af, nederig, met de hoed in de hand. Soms had een hoofdredacteur geen oren naar zijn smeekbede en moest Hugo een vriend inschakelen. Of hij schreef de zus van de hoofdredacteur aan. En het werkte. De kranten hielden het stil.
     Nu is het tijd voor de verdwijntruc. Hugo besprak de zaak met de koning. Die gaf de grote man de raad om voor enige tijd naar het buitenland te reizen. Dan waaide het wel over. Hugo vroeg een paspoort aan voor Spanje … en dook onder in het appartementje van zijn andere minnares, Juliette Drouet, ongeveer de enige vrouw in Parijs die niet op de hoogte was van de affaire, want ze kwam nooit buiten en las alleen de kranten die ze van Hugo kreeg. In dat appartementje begon de grote man te schrijven aan een nieuw werkje: Les misérables.
     Dat zijn dus in extremis nog twee laatste wenken: zorg dat je altijd twee ijzers in het vuur hebt, en, als je moet onderduiken, zorg dat je wat omhanden hebt om de tijd door te komen.
 
* Eigenlijk zeiden ze: ‘Ce sont les fresques qui ont fait oublier les frasques de sa femme’.

vrijdag 26 mei 2017

Moordaanslag in naam van Allah

     Zoals bekend hield Mohammed niet van kritiek en spotternij. Lasteraars en satirische dichters werden gevangengenomen, veroordeeld en ter dood gebracht. De vrome overlevering vermeldt hun namen: Oetba, Ibn Chatal, Ibn Noequaidh en enkele anderen. Maar soms was gevangenneming en veroordeling onmogelijk en moest tot een aanslag worden overgegaan. Mohammed had dan de gewoonte om het bevel tot aanslag als een vraag aan te reiken:
  • ‘Wie bevrijdt me van Ibn Al Asjraf?’
  • ‘Wie gaat voor mij met deze schurk [Aboe Afak] afrekenen?’
  • ‘Wie bevrijdt me van Marwaans dochter?’
     Waarop een of meerdere volgelingen eropuit trokken om de genoemde dichters om te brengen.
     ‘Wie bevrijdt me van’ … Dat hebben we nog gehoord. Waren dat niet de eigenste woorden van Hendrik II (1133-1189) waarmee hij de aanslag beval op Thomas Beckett? ‘Who will rid me of this turbulent priest?’ riep de koning en vier van zijn ridders reden uit om de aartsbisschop te vermoorden in de kathedraal te Canterbury.
        Maar later moest de koning zich verontschuldigen voor de wandaad en moest hij zich laten geselen op het graf van de vermoorde. Onze middeleeuwen hadden immers een gevoelig evenwicht tussen kerk en staat. Tussen die twee was er een aanhoudende twist. Het was de eeuwige barst in de maatschappij – en dat had zijn voordeel. ‘There is a crack in everything / that’s how the light gets in,’ zong Leonard Cohen tot voor kort. Het kalifaat voorziet, geloof ik, niet in zo’n barst.
     Het jammere van de moslimoverlevering is dat we wel de namen kennen van de spotdichters, maar de vrome schrijvers lieten meestal na om ook de verzen zelf mee te delen. Eén van de uitzonderingen is een kwatrijn dat gezongen werd door een naamloze herder. Koenraad Elst geeft in De Islam voor ongelovigen een rijmende vertaling die prettig scandeert:

                Ik zal geen moslim worden
                Zolang als ik zal leven
                Noch zal ik enig’ aandacht
                Aan hun religie geven.
 
     De herder werd gedood.

* De namen van de slachtoffers in Engelse transcriptie: Utbah, Abdullah ibn Khatal, al-Huwairith ibn Nuquaidh, Ka’b ibn al-Ashraf, Abu Afak, ‘Asma’ bint Marwan.

zaterdag 20 mei 2017

Ik ben 62 nu*

     Ik ben niet altijd tweeënzestig geweest. Gisteren bijvoorbeeld was ik nog eenenzestig, en daarvoor ben ik nóg veel jonger geweest. Hoe moet dat geweest zijn, vraag ik mij af. Slapen zonder last van mijn schouder, opstaan zonder een beetje pijn in de rug, een trap oplopen zonder te hijgen, in staat zijn om een sprintje te trekken op het natte zand naast de zeelijn. En wat speelde zich af in het hoofd van die jongeman? Heb ik iets met hem gemeen?
     De jonge man sterft in de oudere, en de oudere in de nog oudere, zegt Heraclitus.** ’t Is zelfs niet altijd een kwestie van jaren. Vóór ik het water induik, kan ik mij moeilijk voorstellen dat die zwemmer van straks dezelfde persoon is als de aarzelende man op de plank. Als ik gisteren boos was op mijn vrouw, en vandaag zijn we verzoend, dan kan ik mij die wrokkige zeikerd van gisteren amper herinneren.
     De Argentijnse auteur Jorge Luis Borges vertelt hoe in februari 1969 zijn eigen jongere zelf naast hem komt zitten op een bankje. ’t Was in de buurt van Boston. De oude Borges is dan zeventig en de jonge Borges is negentien. Ze maken ruzie over literatuur. De jonge Borges gelooft dat Walt Whitman een oprechte schrijver is en dat metaforen origineel horen te zijn. De oude Borges vertelt de jongeman dat hij blind zal worden. Als het geleidelijk gebeurt, is dat niet erg, zegt hij. Het is als het langzaam invallen van een zomeravond. Ze spreken af om elkaar de volgende dag weer te ontmoeten bij hetzelfde bankje, maar als het zover is blijft de oude man thuis. Hij gelooft dat de jongeman hetzelfde heeft gedaan.
     Ik heb onlangs wat zitten snuisteren in meer dan dertig jaar oude papieren uit mijn politieke verleden. Daar zijn merkwaardige teksten bij. De PVDA en de crisis in de revolutionaire beweging, Structuur en werking van de communistische cel, Houding aan te nemen bij identiteitscontrole door het repressie-apparaat.*** Dat laatste hangt van de ‘concrete omstandigheden’ af, lees ik. **** Als je in groep bent en de rijkswachter is jong, dan kan een ‘turbulente propagandist’ die laatste zover brengen dat hij ‘zijn eigen notaboekje oppeuzelt’.
     Eén stuk trok mijn aandacht. Voor een betere verspreiding van ons weekblad, heet het. Het gaat over de ‘gigantische taak om het partijwerk op een hoger niveau te brengen’ waarbij het weekblad een ‘centrale schakel’ moet zijn. Zulke dingen las ik dus vroeger. Maar dan stoot ik op een eigenaardige zin. ‘Partij-journalisten die vinden dat de lezer best een inspanning mag doen, zouden die redenering beter op zichzelf toepassen.’ Dat doet mij vaag aan Schopenhauer denken. Ergens anders gaat het over de moeilijkheidsgraad van de geschreven pers. ‘Er zijn weinig volksvrouwen die wetenschappelijke tijdschriften lezen; daarentegen zijn er heel wat vrouwen met een wetenschappelijke opleiding die gretig populaire damesbladen en zelfs damesromans lezen.’ ‘Damesroman’ is natuurlijk een courant woord, maar ik ken het van Karel van het Reve. Nog wat verder lees ik: ‘Op welk niveau moeten wij ons richten? Het niveau dat zich bevindt op de grens van de lezers die ons weekblad net blijven lezen, en degenen die het net niet blijven lezen.’ Hè?
     Ik lees het stuk nu helemaal door. De conclusie is onvermijdelijk: ik heb het, meer dan dertig jaar geleden, niet alleen gelezen maar ook zelf geschreven. Als ik de steller ervan tegenkwam op een bankje, dan zouden we over heel veel zaken ruzie maken. Ik zou hem niet erg aardig vinden, vrees ik, en hij mij ook niet. Op dat punt ben ik niet veel veranderd.

* Zie ook hier en hier.

** Of althans Plutarchus: φθείρεται μὲν μὲν γὰρ ὁ ἀκμάζων γενομένου γέροντος, ἐφθάρη δ᾽᾽ ὁ νέος εἰς τὸν ἀκμάζοντα

*** Ik heb de spelling wat aangepast, want misschien leest ergens een leerling mee en blijft het woordbeeld ‘kommunisties’ en ‘konkreet’ dan hangen.

**** ‘Concreet’ was een erg populair woord in de communistische beweging. Omstandigheden bijvoorbeeld waren altijd ‘concreet’.

woensdag 17 mei 2017

Dichters voor het kolonialisme

     Toen de Franse schrijver en dichter Victor Hugo in 1841, na veel zeuren en trekken, eindelijk lid werd van de Académie Française, mocht hij voortdurend aanzitten op chique diners. Op het diner bij Mme de Girardin zat Hugo aan tafel naast generaal Bugeaud, gouverneur van Algerije, een land dat de Fransen enkele jaren daarvoor veroverd hadden op de Turken. Eigenaardig genoeg bleek de gouverneur zelf een tegenstander van de kolonisatie te zijn die hij uit hoofde van zijn ambt in goede banen moest leiden.
     De kolonisatie, daar dacht Hugo anders over. ‘Onze nieuwe verovering,’ zei hij, ‘is een grote en gezegende gebeurtenis. De beschaving verdringt de barbarij. Een verlicht volk zoekt een volk op in de duisternis. Wij zijn de Grieken van de wereld. Wij moeten de wereld beschaven. U, generaal, denkt daar anders over. Dat begrijp ik. U spreekt als soldaat, als man van de actie. Ik spreek als filosoof en denker.’
     We denken bij de kolonisatie gemakkelijk aan vorsten, fabrikanten, handelaren en officieren als de grote aanstichters*. Dat is begrijpelijk. Het is vleiend voor een vorst om te heersen over een gebied dat zich over de hele wereld uitstrekt, met ongerepte wouden, meren als zeeën, brandende woestijnen en een bonte verzameling van roodhuiden, negers en slangenbezweerders als onderdaan. Het is verleidelijk voor een fabrikant om dwangarbeid in plaats van loonarbeid te gebruiken bij het ontginnen van grondstoffen. Het is prettig voor een handelaar om over grote gebieden een handelsmonopolie af te kondigen waar hij de enige is die rubber kan ruilen voor kralen en katoentjes. En voor een officier is het eervol om met een klein maar goed bewapend legertje een grote menigte wilden in de pan te hakken. Zelfs wij, die geen vorst, fabrikant, handelaar of officier zijn begrijpen dat hier krachtige beweegredenen spelen**.
     Maar we vergeten de filosoof, de denker en de dichter. 


* Voor mijn eigen koloniale verleden: zie hier.
** De meeste fabrikanten en handelaren waren geloof ik nogal nijdig vanwege de verhoogde belastingen die het gevolg waren van de kolonisatiekosten.

zondag 14 mei 2017

Moslimkinderen gemarteld in het graf ... of op school?

    Montasser AlDe’meh – wat typt die tweede naam lastig – heeft in meerdere Brusselse scholen bevonden dat moslimkinderen schrik wordt aangejaagd voor wat hun na de dood kan overkomen*. Kinderen krijgen verhalen te horen over martelingen in het graf: wanden die naar elkaar toeschuiven als een bankschroef, slangen die bijten, engelen die schedels in slaan, beenderen die verpulverd worden. Montasser – ik zal alleen het gemakkelijke deel van de  naam gebruiken – herkent die verhalen van zijn eigen jeugd. Hij vindt dat die verhalen zelf een marteling zijn die moet stoppen. Ook vermoedt hij dat zulke verhalen een rol spelen bij het ontstaan van zelfmoordterrorisme. Dat er jongeren zijn die hun zonden, of hun kleine of grote criminaliteit, willen wegwassen door martelaarschap, zodat ze aan de straffen in het graf ontkomen.
     Montassers verklaring lijkt mij nogal geloofwaardig. De angst voor uiterst pijnlijke straffen zou voor mij een sterkere drijfveer zijn dan de hoop op een kitscherig paradijs met tweeënzeventig maagden uit de Matrix van Allah. Een flink deel van onze eigen middeleeuwen, met zijn fraaie en minder fraaie kanten,  is verklaarbaar vanuit de angst voor vagevuur en hel.
      Een interessant antwoord op Montasser vond ik bij mijn Facebookvriend Mohamed Omar die, naar het mij toeschijnt, een vrome moslim is. Omar argumenteert uitgebreid dat er geen oorzakelijk verband kan worden bewezen tussen de martelverhalen in het graf en het zelfmoordterrorisme. Nee, dat kan niet worden bewezen. Verder haalt Omar een slim filosofisch argument aan: dat je moeilijk een onderscheid kunt maken tussen angst voor hiernamaalse straf en angst voor de dood in het algemeen. Mja, dat onderscheid is misschien niet zo makkelijk te maken.  Hij zegt ook dat angst voor straf na de dood ervoor zorgt dat we een braaf leven te leiden. Bedreiging met straf zou dan braafheid veroorzaken. In een milde bui wil ik dat wel aannemen, alhoewel Omar zijn oorzakelijk verband heus niet beter zal kunnen bewijzen dan Montasser het zijne tussen de martelverhalen en het zelfmoordterrorisme.
     Tegelijk bevat Omars tekst voor mij veel verontrustends. De details van de martelingen in het graf, schrijft Omar, moeten niet aan kinderen van zeer jonge leeftijd worden verteld. Een leeftijd van 12 tot 16 jaar vindt hij minder een probleem. Ik wel. Sommige kinderen, schrijft Omar, reageren eerder koelbloedig op de martelverhalen van de Islamtraditie, en hij haalt er zijn eigen jeugdervaringen bij als voorbeeld. Dat is best mogelijk. Maar als sommige andere kinderen daar wel traumatisch op reageren, is dat nog altijd een heel goede reden om één en ander opnieuw te bekijken. De verhalen over hel en bestraffing, vervolgt Omar, worden in evenwicht gehouden door verhalen over het paradijs. Dat weet ik nog niet zeker. Iedereen kent wel enkele details van Dantes Hel, van zijn Paradijs weten we hoogstens dat hij het geschreven heeft. Het ene blijft gewoon beter hangen dan het andere.
     De troost die Omar biedt is niet altijd overtuigend. Allah kan in zijn barmhartigheid besluiten om de ergste zondaar te vergeven en te redden van de wrede straffen die hem normaal te wachten staan. Wat moet je doen om die barmhartigheid te verdienen? Tja, eigenlijk niets. Allah is zoals Alexander de Grote. De ene keer beslist hij een stad te vernietigen omdat ze weerstand bood, de andere keer beslist hij om de stad te sparen … omdat ze weerstand bood. Zo’n willekeur vind ik weinig geruststellend.
     Montasser en Omar verschillen van mening over de plaats van de martelverhalen binnen de Islam. Montasser beweert dat die verhalen niet in de Koran voorkomen; Omar van zijn kant beweert dat Montasser dat als eenvoudige leek niet kan weten. ‘Schoenmaker blijf bij je leest,’ schrijft hij. Dat is eigenaardig. Waarom zou Montasser dat niet kunnen weten? Het volstaat toch om de Koran open te slaan en op zoek te gaan naar de passages over het hiernamaals. Met een elektronische versie moet dat kinderspel zijn. Als iemand beweert dat de Bruiloft in Kana niet voorkomt in het Nieuwe Testament kan ik hem in geen tijd wijzen op Johannes (2:1-11) en de discussie is gesloten. Montasser beweert dat de martelverhalen hun oorsprong vinden in de onbetrouwbare Hadith. Maar voor Omar is de Hadith een onderdeel van de Islam dat we in geen geval mogen ‘onderwaarderen’. Dat is jammer. De Islam zou er geloof ik baat bij hebben om de erg gewelddadige en wrede Hadith te onderwaarderen. Maar misschien blijf ik ook best bij mijn leest.
     Mijn leest – dat is dan de katholieke godsdienst. Omar schrijft dat de martelverhalen ‘in elke religie bestaan’. Of ze in élke religie bestaan, weet ik niet, maar binnen het katholicisme bestaan ze zeker. Ik zou misschien beter schrijven: bestonden. In Portrait of an Artist vertelt Joyce hoe in een preek de collegejongens urenlang en gedetailleerd de martelingen in de hel beschreven krijgen.** Veel van die jongens zullen maar met een half oor geluisterd hebben naar wat die clown op de kansel verkondigde, maar bij een beïnvloedbare jongen als Joyce werd diep in de ziel gekrast.
     Het mooie aan die katholieke traditie is dat ze allang is stopgezet. Toen ik op de lagere school was, werd ons verteld van de hel en het vuur en van de klok die tikte ‘altijd-altijd-altijd’. Maar tegelijk werd ons verteld dat we dat vuur niet letterlijk moesten nemen. Dat vuur was symbolisch voor een geestelijk lijden, het pijnlijke besef van de zondaar dat hij Gods liefde verspeeld had door onwaardig gedrag. Dat geestelijk lijden, werd ons verteld, was erger dan lichamelijk lijden. Maar dàt geloofde niemand. Dat we het lichamelijke lijden niet letterlijk moesten nemen, stelde ons juist gerust.
     Religie wordt zoveel draaglijker als de letterlijke lezing verlaten wordt. Ik kan maar hopen dat ook de Islam dat pad inslaat.  

* in Knack (hier) en Terzake (hier). In Terzake volgde een antwoord van Mohamed Achaibi (hier). Het antwoord van Mohamed Omar vind je hier.

** Over de hel van Joyces schreef ik al iets (hier). Dat ikzelf bang blijf van de duivel heb ik hier al toegegeven.

donderdag 11 mei 2017

Liesbeth van Impe over George Orwell

     Het is altijd een goed idee om een politiek stukje op te sieren met een literaire zinspeling. Het laat zien dat je niet van de straat komt. Ik doe het voortdurend. En vandaag doet Liesbeth Van Impe het in haar Nieuwsbladcommentaartje.
     Liesbeth begint stevig. Ze verwijst naar 1984 van George Orwell.  ‘In zijn ministerie van Liefde wordt gemarteld, in zijn ministerie van Vrede wordt de permanente oorlog in stand gehouden, zijn ministerie van Overvloed organiseert de schaarste en het ministerie van Waarheid houdt de leugen in stand.’ Ja, dat vat het goed samen. Maar hoe zal Liesbeth van die wrede paradoxen overgaan naar ons eigen politieke wereldje? Dat is wat we willen weten.
     ‘De Vlaamse regering is Big Brother niet, schrijft Liesbeth, maar ze begint wel Orwelliaanse trekjes te vertonen.’ En er volgen wat voorbeelden. De minister van Armoedebestrijding  krijgt weinig klaar tegen armoede, de minister van van Gelijke Kansen onderneemt weinig tegen discriminatie, de minister van Natuur maakt ruzie met Natuurpunt en de minister van Landbouw doet hetzelfde met de bioboeren. Het gaat om de ministers Liesbeth Homans, Zuhal Demir, Joke Schauvliege en nog eens Joke Schauvliege, want die laatste doet Natuur én Landbouw en maakt blijkbaar graag ruzie.
     Of dat allemaal zo is, weet ik niet. Misschien neemt Homans wel goede maatregelen om de armen te helpen, is Demir nog niet lang genoeg in functie om beoordeeld te worden, is Natuurpunt zelf met de ruzie begonnen en hebben sommige bioboeren erg lange tenen. Ik volg dat allemaal niet zo.
     Of dat allemaal zo is, weet ik dus niet, maar als het zo is, dan zijn de voorbeeldjes van hierboven toch niet van die aard dat ze mij meteen aan Orwell doen denken. Overigens zou ik niet élke paradox uit de politiek willen bannen. Ik zou niet klagen over een minister van Financiën die de belastingen vermindert, een minister van Ambtenarenzaken die het aantal ambtenaren terugdringt of een staatssecretaris van Migratie die de migratie beperkt. Mochten we, zoals vroeger, een minister van Oorlog hebben, dan had ik liever dat hij ijverde voor de vrede.

woensdag 10 mei 2017

Is het nu 'blank' of 'wit'?

     Waar ik vandaan kom spraken we van blanken, negers, indianen en Chinezen. In de jeugdboeken van P.J. Nowee werden die indianen ook ‘roodhuiden’ genoemd, maar met dat kleurwoord kon je in een normaal gesprek niets aanvangen. Voor afzonderlijke Chinezen bestond zelfs helemaal geen kleuraanduiding, al kon je gebeurlijk wel spreken van het ‘gele ras’.
     Dat is nu allemaal anders en dat komt door de Amerikanen. Die gingen in de jaren zestig de benaming indianen vervangen door ‘native Americans’, wat een beter woord was omdat Amerika en Indië heel verschillende continenten zijn. Aan de andere kant was ‘native American’ evenmin ondubbelzinnig omdat veel blanke Amerikanen ook in Amerika geboren zijn. Zo komen we er natuurlijk nooit. Want als je ook ‘native Americans’ gaat vervangen, spreek je voor je het weet van ‘American Indians’, en dan zit je weer met dat Indië opgescheept en met die vreselijke kolonialist Christoffel Columbus.  
     Met die negers was ook iets mis. Je had in het Amerikaans ofwel het ruwe ‘nigger’ ofwel het wat chiquere ‘negro’. Dat ‘negro’ had in de loop der jaren een neerbuigende bijklank gekregen en ‘nigger’ kon natuurlijk helemaal niet, waardoor de noodzaak van een andere benaming zich opdrong. Veel mogelijkheden lagen open en werden uitgeprobeerd: blacks, Afro-Americans, African Americans en ten slotte weer blacks. Daar konden wij in onze taal ook iets mee doen, en onze eigen onderdanige neger werd een trotse zwarte.
     Dat waren allemaal pogingen, geloof ik, om de gevoelens van de betrokken rassen niet te kwetsen. ’t Is misschien een beetje belachelijk, want je kunt best wel van ‘zwarten’ spreken en toch een ontzettende racist blijven en omgekeerd kun je je zwarte medemens van harte het beste toewensen terwijl je hem naar oude gewoonte een ‘neger’ noemt. De bedoeling is evenwel goed.
     Maar hoe zit dat met de recente mode om het woord ‘blank’ door ‘wit’ te vervangen? ‘Rectoren willen minder witte aula’s,’ las ik in het Nieuwsblad. Waarom niet ‘blanke aula’s’? De woorden ‘wit’ en ‘blank’ betekenen toch precies hetzelfde? Is dat nu ook een poging om het betrokken ras niet te kwetsen?
     De nieuwlichterij met ‘wit’ heeft in elk geval velerlei nadelen. ‘Wit’ toegepast op mensen heeft immers al een betekenis. Waar ik vandaan kom, was ‘een witte’ geen exemplaar van een bepaald ras, maar iemand die tijdens de tweede wereldoorlog bezwaren had tegen de Duitse regering en haar leger. Terwijl de zwarten hoopten dat de Duitse troepen Sebastopol zouden veroveren, hoopten de witten – tevergeefs –  dat dat niet gebeuren zou. Nog jaren na de oorlog was het erg uitzonderlijk dat een meisje uit een witte familie trouwde met een jongen uit een zwarte familie, en dat had met de huidskleur weinig te maken.
     Een verder nadeel betreft de literatuur. Gerard Reve schreef over onze ‘roomblanke’ dochters. Moeten dat nu onze ‘roomwitte’ dochters worden? Elsschot schreef over zijn Poolse schoonzoon en meneer Van Schoonbeke die ‘zo gemoedelijk praten als twee blanken die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. Wordt dat nu ‘als twee witten die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. En laten we vooral het bekende lied van Willem Vermandere niet vergeten waar hij in de laatste verzen de ‘bange Blankeman’ oproept om open te doen voor de bonte menigte die op zijn ‘deure’ klopt. Met ‘bange Witteman’ in plaats van 'bange Blankeman' verliezen we tegelijk de alliteratie, de assonantie en de consonantie. Dat is wat veel, vind ik.
     Het belangrijkste nadeel van de vervanging van ‘blank’ door ‘wit’ wordt echter aangedragen door Ming Li Foo, in de strip  Het twintigste cavalerie.  De ijverige wasserijuitbater wijst er geheel terecht op dat de huid van het melanine-arme ras noch blank, noch wit is, maar roze. Lucky Luke vraagt hem of het woord ‘bleekgezicht’ dan niet geschikt is. ‘Niet voor ons wier delicate tint aan oud ivoor herinnert,’ zegt Ming, ‘niet voor ons.’

vrijdag 5 mei 2017

Theo Francken, de pers, de 'gewone burger' en Movement X

     Mag ik na mijn stukje van eergisteren nog iets zeggen over de verstoorde lezing van Theo Francken?
     Tegenstanders van Francken beweren dat zijn lezing mocht of moest worden verstoord omdat de pers bij een soortgelijk evenement in Gent was geweerd. Dat lijkt mij even onzinnig als zeggen dat de toespraak mocht worden verstoord omdat Francken Carapils drinkt, met kleine muntjes betaalt, zijn kinderen verwaarloost of zijn oude oma nooit een bezoek brengt. Al die gedragingen zouden Francken in mindere of meerdere mate onsympathiek maken. Maar ze zijn geen reden om zijn toespraak te verstoren.
     Maar werd de pers geweerd in Gent? Ik heb de getuigenissen van Thomas Decreus, Dominique Willaert en Saskia van Nieuwenhove gelezen en die beweren van wel. Ik geloof niet dat die brave mensen zomaar wat verzinnen. Ze geven trouwens feiten: VTM-camera’s moesten de zaal verlaten, een journalist zonder perskaart moest ook de zaal verlaten, de andere journalisten bleven zitten. Mij lijkt het evenwel heel onredelijk om die feiten samen te vatten met de woorden ‘de pers werd geweerd’. De Morgen heeft met de aanwezige journalisten gesproken en is tot hetzelfde besluit gekomen. ‘Francken weerde geen pers uit lezing UGent,’ kopt de krant.
     Dat Thomas en zijn vrienden een licht dossier in een erg zware kaft presenteerden, bleek ook al uit het volgende. Ze herhaalden steeds maar dat Francken de pers niet alleen uit de zaal geweerd had, maar dat hij daarna dezelfde pers, die dus ondanks het weren nog altijd in de zaal aanwezig was, dat hij diezelfde pers geïntimideerd had door zijn toespraak te beginnen met de vraag: ‘Zijn er journalisten in de zaal?’ Mijn vrouw is journalist, mét een perskaart, en ik vroeg haar of ze zich door zo’n vraag geïntimideerd zou voelen. ‘Ik zou beginnen blozen,’ zei ze, ‘en heel stilletjes de zaal buitensluipen.’ Mijn vrouw heeft een sarcastisch kantje.
     Er is trouwens nog een zwaarwegend feit dat Thomas en zijn vrienden telkens herhalen. Een ‘gewone burger’ die de lezing van Francken drie keer onderbroken had om een kritische vraag te stellen, ‘werd,’ zo schrijft Christophe Callewaert, ‘door Francken aangemaand om zijn vraag op te sparen voor het vragenkwartiertje en verliet toen de aula.’ Een week later wilde hij zich inschrijven voor dezelfde lezing in Kortrijk, maar daar werd hij door de organisatoren geweigerd.
     Mijn lezers vinden het misschien eigenaardig dat die ‘gewone burger’ twee keer dezelfde lezing voor studenten wil bijwonen, één keer in Gent en één keer Kortrijk. Ik niet. Ik ken die ‘gewone burger’ – bij wijze van spreken dan. Ik ben vaak genoeg zelf die ‘gewone burger’ geweest.
     Lang, heel lang geleden was de PVDA een piepklein partijtje en ik was er lid van. Op de bijeenkomsten van dat partijtje kwam weinig volk af. Er werd daarom beslist om naar bijeenkomsten te gaan van andere – meestal linkse – partijen en daar vanuit de zaal tussenkomsten te doen in de vorm van vragen. Kwam bijvoorbeeld Jef Turf van de KP spreken in Ieper,  dan nam ik plaats in de zaal en wachtte mijn moment af om een kritische vraag te stellen over het verraad van de KP aan de Oktoberrevolutie. Kwam hij de week erna in Kortrijk, dan zat ik daar klaar met dezelfde vraag. En ook in Roeselare stelde ik mijn vraag over de Oktoberrevolutie. Turf gaf iedere keer ongeveer hetzelfde antwoord en besloot dan dat het nu de beurt was aan anderen om hun vraag te stellen. Hij wist dat ik anders nog wat vragen op mijn spiekbriefje staan had, over het ‘sociaal-imperialisme’, het ‘revisionisme’, het ‘reformisme’ en het ‘parlementarisme’.
     Een vereniging die een controversiële lezing organiseert, weet dat in de zaal ‘gewone burgers’ kunnen binnensluipen om daar, op kosten van de vereniging en onder de vlag van een kritische vraag, hun mening te verkondigen. Ze kan daar op verschillende manier mee omgaan. Mij werd wel eens de toegang ontzegd tot een  KP-bijeenkomst, of tot een lezing van Willy Courteaux, of een voordracht van vzw Vrede, dat toen nog anti-PVDA was. De vereniging had daar het recht toe. Maar meestal was men toleranter en werd ik geduld op voorwaarde dat ik mijn tussenkomsten beperkte en ze opspaarde voor het vragenuurtje.
     Het Vlaams Rechtgenootschap (VRG), de studentenorganisatie die de Theo-lezingen organiseert, is blijkbaar voorzichtiger en wil haar lezingen tot studenten van de plaatselijke universiteit beperken. Ze vraagt aan belangstellenden om zich vooraf in te schrijven. Bij voetbalwedstrijden tussen KV Mechelen en Lierse moesten Jan en ik ons ook vooraf inschrijven, want dat waren ‘risico-wedstrijden’. Zo’n regeling met voorafgaande inschrijving doet geen afbreuk aan democratie of vrije meningsuiting, maar erg open en tolerant is het niet, en er spreekt enig wantrouwen uit.
     Maar misschien is enig wantrouwen terecht. Naar het zich laat aanzien was de blokkade aan de VUB het werk van Movement X van Abou Jahjah. Movement X had echter, naast de blokkade, ook een plan B, zoals blijkt uit een facebookbericht van de beweging: ‘Er waren door het Movement X legal team reeds zeer kritische vragen opgesteld en onder studenten verdeeld om te stellen tijden (sic) de lezing.’ Ik probeer mij voor te stellen hoe dat vragen stellen moest verlopen en het beeld dat ik daarbij krijg is niet rooskleurig.
     Comac, de studentenorganisatie van de PVDA, heeft de blokkade veroordeeld op tactische gronden (‘niet efficiënt’). Ik zal, geloof ik, de tijd nog meemaken dat de PVDA zulke blokkades tegen rechtse bijeenkomsten ook op principiële gronden veroordeelt, zoals Bernie Sanders dat al deed in de VS.
     Maar met die Movement X zullen we nog veel last krijgen.