zondag 15 januari 2017

Goed zo, mevrouw de minister

     Vrijdagavond ben ik met een bang hartje beginnen kijken naar het interview met Hilde Crevits* in Terzake. Het zou over de hervorming van het middelbaar onderwijs gaan. Allerlei belangrijke mensen zijn daar al tien jaar over aan het praten zijn en wat je daarvan opving was meestal niet veel goeds. Wat zou het dus worden? Een redelijke vernieuwing om het niveau te verbeteren? Om de scholen wat meer bewegingsvrijheid te schenken? Om de ‘schotten’ tussen de onderwijsvormen weg te halen zodat leerlingen van tso kunnen doorschakelen naar aso, in plaats van alleen omgekeerd? Een regeling om het aantal studierichtingen in te perken zodat het geld beter kan worden besteed aan kwaliteit en algemene vorming? Misschien ook werd wat ruimte geschapen om extra moedertaallessen voor migrantenkinderen op touw te zetten? Daar kon ik allemaal achterstaan.
     Of zouden daarentegen de revolutionairen hun slag thuis halen, met hun afschaffing van aso, tso en bso, met hun gemeenschappelijke eerste graad en met hun verplichte ‘matrix-scholen’, ook wel ‘domeinscholen’ genoemd? Daar was ik dus bang van toen ik het programma begon te bekijken.
     Ik was bang geweest voor niks. De redelijken hadden het gehaald**. “Het is een akkoord,” zei Crevits al in de eerste minuut, “dat zeker niet de grote revolutie is … De goeie dingen, die behouden we … We willen geen tabula rasa in ons onderwijs.” Dat hoor ik graag. Crevits keerde zich verder in ronde woorden tegen de “eenheidsworst” in het eerste en tweede middelbaar. “Daar hebben we nooit voor gestaan,” zei ze, “dat willen we helemaal niet.” Ook dat hoor ik graag.
     Wat de hervorming wél doet, is in het eerste jaar een brede algemene vorming van 27 uur vastleggen, met voor alle kinderen dezelfde vakken, met daarnaast een pakketje van 5 uur aangepaste lessen. Als je het verstandig aanlegt, is de  “eenheidsworst” daarmee inderdaad van de baan. Kinderen van wie in de lagere school al gebleken is dat ze een verschillende aanleg hebben om te leren, hoeven dus niet in dezelfde klas te worden samen gezet***. Die 5 uur ‘aangepaste lessen’ zijn voldoende om een Latijnse klas, een Stem-klas en zowat elke bestaande aso-klas in te richten. Voor sommige tso-richtingen wordt het wellicht wat moeilijker om hun specialisatie in die 5 uur geperst te krijgen. Gelukkig zijn er vanaf het tweede jaar 7 uur aangepaste lessen en dan moet het wel lukken.
     Even belangrijk is dat de verplichte herstructurering in matrix-scholen wordt verlaten. Als ik het woord matrix in een bestuurlijk context hoor, zinkt de moed mij in de schoenen. Ik heb op mijn school ooit deelgenomen aan een reeks vergaderingen over de ‘vrije ruimte’ – die twee uurtjes die een school vrij kan invullen in het vijfde en het zesde jaar. Er waren enkele leuke voorstellen. Toen suggereerde iemand om die voorstellen in een matrix te plaatsen. Vanaf dat ogenblik heb ik niet meer opgelet en heb ik ook niks meer gezegd.
     Zo’n matrix is nuttig in de wetenschap. In de taalwetenschap kun je die bijvoorbeeld gebruiken om de medeklinkers overzichtelijk weer te geven.


      Dat is een prima schema waar ik me als Nederlandstalige prima mee kan behelpen. Alleen valt het op dat enkele vakjes leeg zijn, en omgekeerd dat enkele van onze medeklinkers in de matrix geen plaats hebben gevonden, zoals de m, l, n en de r – de medeklinkers in het woord ‘molenaar’. Laat je nu een bureaucraat op zo’n matrix los, dan gaat hij wel even een paar nieuwe medeklinkers uitvinden om de lege vakjes te vullen en een paar bestaande afschaffen waar geen goed plaatsje voor gevonden is. Bureaucraten zijn in wezen revolutionairen die de realiteit willen aanpassen aan hun matrix.
     Ook in het onderwijs zijn zulke bureaucraten werkzaam. Ze worden soms ‘de sector’ genoemd. Die sectormensen hebben jaren gewerkt om een mooie matrix op te zetten, die het theoretische aso, het praktische bso en het gemengde tso zou vervangen. Die matrix zou uit vijf belangstellingsdomeinen bestaan. Elke school zou aan dat matrix-model moeten meedoen, één of meer belangstellingsdomeinen aanbieden, en binnen dat domein drie verschillende niveaus inrichten, waartussen de leerlingen zich kunnen bewegen. Scholen zouden daarom moeten fuseren, activiteiten verhuizen, samenwerkingsverbanden aangaan en campussen oprichten. Er zou ook veel vergaderd worden.  


     Als ik eerlijk ben, heeft die matrixschool wel een voordeel. Het wordt voor leerlingen makkelijker om binnen dezelfde school van niveau te veranderen. Als je vaststelt dat de theoretische aanpak van je ‘belangstelling’ je niet ligt, kun je overstappen naar de theoretisch-praktische richting. De kritische lezer vraagt nu: is dat niet het oude watervalsysteem dat men ten alle prijze wou vermijden? Welnee, en dat is juist het mooie. Het watervalsysteem was een overstap van aso naar tso of van tso naar bso, en aangezien die benamingen zijn afgeschaft kun je niet meer van een ‘waterval’ spreken. Het is nu een ‘doorstroming’ of een ‘doorschakeling’ geworden. Het is een geliefde tijdverdrijf onder bureaucraten om met woorden de werkelijkheid te bezweren.
     De matrix had vooral veel nadelen. De directeurs en directrices van horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen schrokken zich een ongeluk toen ze zagen dat er voor hun scholen geen plaats was in de matrix. Ze stuurden boze brieven naar de minister. Maar dat was niet het grootste nadeel. Het grootste nadeel was dat het aso in die ‘domeinen’ eigenlijk niets te zoeken had. Het aso in de vakjes van de matrix wringen, was volstrekt tegennatuurlijk. Het aso is immers, zoals de naam zegt, een algemeen onderwijs, dat voorbereidt op alle mogelijke richtingen van hoger onderwijs, en niet alleen op de richtingen binnen één ‘belangstellingsdomein’. Wie uit het aso komt, en voldoende aanleg en motivatie heeft, moet in alle richtingen terecht kunnen. Die aso-leerlingen hebben in de tweede en de derde graad doorgaans een studierichting gekozen zonder daarbij te denken aan een welbepaald beroep dat ze later willen uitvoeren. Ze wilden juist alle mogelijkheden openhouden. Vaak weten ze in het laatste jaar nog niet wat ze willen studeren.
     Neem een hogere studie zoals geneeskunde. Daarvoor moet je een ingangsexamen afleggen met veel wiskunde en wetenschappen. Kinderen die op hun zestiende zeker weten dat ze voor arts willen leren, kiezen daarom wel eens voor de richting Wetenschappen-Wiskunde. Maar ik heb ook leerlingen uit Latijn-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen, Grieks-Latijn, Economie-Wiskunde en Techniek-Wetenschappen (tso) voor dat ingangsexamen weten slagen.

     Of neem de opleiding voor handelsingenieur. Volgens de theorie van de belangstellingsdomeinen zouden de kandidaten daarvoor moeten worden gezocht onder de leerlingen van Economie-Wiskunde of Economie-Moderne talen. In werkelijkheid komen die nogal eens uit Latijn-Wiskunde, Grieks-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen en Wetenschappen-Wiskunde. Dat is het voordeel van een stevige algemene vorming – je kunt er alle richtingen mee uit.
     Het huidige akkoord maakt gelukkig korte metten met de uitwassen van het matrix-systeem.

(1)    Geen enkele school wordt verplicht in het matrix-systeem te stappen. Het snode plan van de vorige minister Pascal Smet om matrix-scholen financieel te belonen en niet-matrixscholen financieel te straffen gaat niet door. Elke school kan gewoon verdergaan met de richtingen die ze tot nu toe aanbood, ook al sneuvelen er wel een aantal richtingen.

(2)    Het volledige aso – toch 35 % van de leerlingen – wordt uit de matrix gelicht. Alle aso-richtingen blijven bestaan, behalve het weinig gevolgde Grieks-Wetenschappen. In de kranten werd dat niet goed uitgelegd. Het Nieuwsblad van zaterdag publiceert een verwarrende grafiek die de indruk geeft dat Latijn, Moderne Talen enzovoort in de matrix-structuur kunnen worden ondergebracht. Dat is niet zo.

(3)    Het aantal ‘belangstellingsdomeinen’ wordt van vijf naar acht gebracht. De matrix wordt op die manier aangepast aan de reëel bestaande tso- en bso-richtingen. Horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen krijgen hun plaatsje in het systeem. Ook hier kunnen scholen dus grotendeels verdergaan met hun bestaande aanbod, met wellicht een nauwere samenwerking tussen tso en bso.
 
     Als je alles samenlegt, krijgen de scholen met de huidige hervorming een grotere vrijheid dan voorheen. In de eerste graad kunnen ze 5 tot 7 uur vrij invullen. In de tweede en derde graad kunnen tso- en bso-scholen zelf kiezen of ze zich in een grotere domeinschool bundelen of niet. We mogen hopen dat die vrijheid, zoals elke vrijheid, verstandig zal worden gebruikt. Het zou bijvoorbeeld fijn zijn als scholen met veel migrantenkinderen hun 5 of 7 uur aangepaste lessen gebruiken om de leerlingen zo goed mogelijk Nederlands te leren. Dat wordt door het akkoord wel niet verplicht, maar zo dwaas zullen de schoolhoofden toch niet zijn, dat ze die kans laten liggen.
     Bestaat het gevaar niet dat de grote schoolrevolutie nu van onderuit wordt gevoerd? Revolutionairen die een veldslag verliezen willen wel eens tot de guerrilla overgaan. Georges Monard, wiens hand – ik had bijna geschreven ‘wiens grijnslachende hand’ –  we achter elk hervormingsplan van de laatste 35 jaar ontwaren, zegt in De Standaard: ‘Het is nu aan de scholen zelf om de hervorming in te vullen.’ Wellicht bedoelt hij zijn hervorming. Maar eigenlijk ben ik er redelijk gerust in. Ik geloof vast dat de meeste directies en schoolbesturen hun energie liever zullen wijden aan de kwaliteit van hun lessen dan aan zo’n matriciële structuurhervorming. Op dat plaatselijke niveau zal de folie des grandeurs wel minder ontwikkeld zijn dan in de Brusselse kringen.
      Resten nog de onderwijskoepels. Daar ben ik minder gerust in. Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs maakt zich zorgen dat “scholen die dat willen [kunnen] blijven werken zoals ze dat vandaag al doen.” Ze zegt het alsof ze spreekt over een pedofilieschandaal waar niemand iets aan doet.
     Er is een veelzeggende passage in het Terzake-interview van vrijdagavond. Op een bepaald ogenblik haalt Kathleen Cools een uitspraak van Lieven Boeve aan. De baas van het katholiek onderwijs had het akkoord onvoldoende ‘ambitieus’ gevonden. Crevits begint haar antwoord met ‘Ja, ik vind eigenlijk …’ En wat ze van Boeve vindt komen we niet te weten, want ze herpakt zich. In plaats van eens ferm haar mening te zeggen over directeur-generaal, legt ze uit hoe de vrijheid van onderwijs in Vlaanderen werkt: “Het akkoord dat wij gesloten hebben, geeft scholen de kans om zich te organiseren zoals ze dat willen. Als Lieven Boeve zegt: ‘Ik wil eigenlijk overal hetzelfde met mijn scholen,’ dan kan dat. Maar wij als overheid zullen dat niet opleggen, trouw aan de vrijheid van onderwijs.” Boeve en zijn scholen? Klonk de minister daar geïrriteerd?
     Kort samengevat: Crevits is voor een “variëteit van scholen”, ze vindt dat scholen “in hun sterkte moeten worden gelaten” en ze heeft er geen problemen mee dat “een school zich specialiseert in onderwijs dat voorbereidt op verdere studies”. Ook vreest ze dat verplichte domeinscholen het moeilijker maken om dicht bij huis de best passende onderwijsvorm te vinden. “Je komt dan in een situatie terecht waarin er in je buurt een domeinschool is voor talen, terwijl je kind toevallig veel sterker is in wetenschappen en techniek.” Boven alles is Crevits tegen ‘eenheidsworst’ – wat ze geloof ik drie keer herhaalt. Maar als Boeve eenheidsworst wil, dan moet hij dat maar uitvechten met ‘zijn’ scholen.
     Zou Boeve dat gevecht willen aangaan met ‘zijn’ scholen? Misschien. Maar tot nu toe wisten de Guimarstraathervormers zich altijd gesteund door de minister en de overheid. Dat is nu toch even anders.

_______


* Toen Hilde Crevits minister van Onderwijs werd, had ik er weinig vertrouwen in. Ondertussen heeft zij mij al meer dan één keer in positieve zin verrast (hier) en (hier).

** Dat is ook de mening van de onvermoeibare onderwijsspecialist Raf Feys (hier) en gewezen leraar Peter De Roover (hier)

***Over het aso-bso-tso heb ik al eens een stukje geschreven (hier)
  
 
 


 

vrijdag 13 januari 2017

Ik ben een IMTI

Nassim Taleb, auteur van The Black Swan en Skin in the Game
     In niet meer dan enkele bladzijden (hier) somt Nassim Taleb, de auteur van The Black Swan, wel vijftig eigenschappen op waaraan je moet voldoen om tot de categorie van de pseudo-intellectuelen te behoren. Het is geloof ik onmogelijk om al die eigenschappen te bezitten. Zo heb ik nooit voor Hillary Clinton gestemd, noch voor Tony Blair – ik heb daar zelfs nooit de kans toe gekregen. Niettemin meen ik aanspraak te mogen maken op de titel, vooral nu Taleb er een mooi nieuw woord voor heeft verzonnen: Intellectual-Yet-Idiot (IYI) of in het Nederlands Intellectueel-Maar-Toch-Idioot (IMTI).*

     Ik doe een greep uit Talebs IMTI-eigenschappen.
 
·       De IMTI is vooral goed in het afleggen van examens die opgesteld zijn door mensen zoals hemzelf.
Als de gelegenheid zich voordoet breng ik graag ter sprake dat ik afgestudeerd ben met mooie cijfers.

·       De IMTI gebruikt geen grove woorden op de sociale media.
Ik heb één keer iemand een ‘klootzak’ genoemd (hier). Dat is de moeite niet waard om van te spreken vind ik.

·       De IMTI was vroeger fout over het stalinisme en het maoïsme, maar is ervan overtuigd dat zijn huidige mening de enige juiste is.
Zo is dat. Een knappe jongen die mij mijn neoliberalisme uit mijn hoofd praat!

·       De IMTI gebruikt statistieken zonder te weten hoe je die moet afleiden, zoals Steven Pinker.
Tja, als Steven Pinker dat niet kan, hoe zou ik dat dan moeten kunnen?

·       De IMTI begrijpt niet wat ‘ergodiciteit’ is. Als je het hem uitlegt, vergeet hij het kort daarop weer.
Ik heb het woord zojuist opgezocht, en ben de uitleg nu al vergeten.

·       De IMTI heeft nog nooit grote hoeveelheden wodka gedronken in het gezelschap van Russen.
Ik drink al zestien jaar niks meer, met of zonder Russen.

·       De IMTI kent het verschil niet tussen Hecate en Hecuba.  
Hecate? Hecuba? Hebben die niets met de Oude Grieken te maken? Of met de Trojanen? Zou het woord ‘hecatombe’ van ‘Hecate’ afgeleid zijn?

·       De IMTI heeft nooit iets gelezen van Frederic Dard, Libanius Antiochus, Michael Oakeshot, John Gray, Ammianus Marcellinus, Ibn Battuta, Saadiah Gaon of Joseph De Maistre.
Check. Van vijf van die namen had ik zelfs nog nooit gehoord.

·       De IMTI gelooft in een koolhydraatarm dieet.
En of ik erin geloof. Twintig kilogram afgevallen.

·       De IMTI doet niet aan gewichtheffen.
Heb ik ooit gedaan, tijdens mijn paracommando-opleiding. Ik werd er duizelig van. Nooit meer.

      Nu ben jij, lieve lezer, misschien ook wel een IMTI. Misschien drink jij ook geen wodka in het gezelschap van Russen, doe je niet aan gewichtheffen, weet je niet wie Ammianus Marcellinus is en ben je vergeten wie Hecate nu ook weer was. Maar voldoe je ook aan de volgende voorwaarde?

·       De IMTI heeft in zijn boekenkast een eerste druk van The Black Swann van Nassim Taleb.
Die heb ik in elk geval wel. Gekocht in Barnes & Nobel, New York, kort na de verschijning. Als een echte IMTI ben ik daar trots op.

______

*   Taleb is natuurlijk een spotter en een provocateur, maar ondertussen stipt hij toch maar een wezenlijk probleem aan – dat van de hoger opgeleide die beroepsmatig allerlei meningen verkondigt, aanpraat of opdringt, terwijl hij geen echte verantwoordelijkheid draagt of schade ondervindt als het bij het toepassen van die meningen faliekant mis gaat. Je denkt spontaan aan een opiniërende journalist. Of aan die onnozelaar die het mooie weer maakt op de Guimardstraat. Dat die lui niet zo verschrikkelijk slim zijn en niet zo vreselijk veel weten, kan een zeker gevoel van verbondenheid oproepen, want wij zijn ook niet zo slim en wij weten ook niet zoveel. Maar dat ze denken dat ze alles weten, dat is toch een beetje gevaarlijk.

zaterdag 7 januari 2017

De grove mond van voorzitter Mao

    
     Voorzitter Mao (1983-1976) was vaak grof in de mond en dat heeft minstens één keer geleid tot een grappige uitspraak. Dat was bij de campagne ‘Laat Honderd Bloemen Bloeien’ in 1957.
     Mao regeerde niet met wetten maar met ‘campagnes’. Die kwamen er meestal op neer dat in het hele land mensen in grote vergaderingen werden bijeengebracht waar ze vijanden of verraders moesten aanklagen en die vijanden of verraders werden vervolgens op een wrede manier gefolterd en gedood. Op het einde van zo’n campagne telde China dan een paar miljoen inwoners minder.
    Maar in 1957 was de tijd niet gunstig voor rode terreur. Stalin was dood en de Russische leiders drongen erop aan om met die moordpartijen op te houden. Mao moest voorzichtig zijn. Hij moest iets verzinnen. En hij verzon de ‘Honderd Bloemen’. Hij hield een lange toespraak waarin hij zei dat China meer pluralisme nodig had. Niet één soort bloem, maar honderd verschillende soorten bloemen. Dan konden ze er de mooiste uit kiezen. Iedereen werd uitgenodigd om vrank en vrij zijn mening te zeggen en kritiek te geven op de communistische partij.
     De respons kwam onmiddellijk. Vooral in de steden begonnen de hoger opgeleiden boze brieven te schrijven, en zelfgeschreven affiches op te hangen met kritiek op het regime. Mao liet gedurende vier maanden begaan en sloeg dan toe. Iedereen die kritiek gegeven had, werd een ‘rechts element’ genoemd en moest worden ‘onderdrukt’.
     Aangezien het alleen om hoger opgeleiden ging, was de terreur dit keer beperkt. Mao werkte graag met quota en bepaalde dat slechts tien procent van de hoger opgeleiden moest worden onderdrukt en dan nog met mate. ‘Honderdduizend mensen aanklagen, tienduizend arresteren, duizend doden,’ zei hij. Die uitspraak betrof weliswaar maar één provincie, dus dat moet je vermenigvuldigen met vijf of met tien, maar er blijkt toch uit dat de terreur na de Honderd Bloemen, van omvang en wreedheid, een van de minste is geweest onder Mao’s regime.
      Achteraf legde de Grote Roerganger aan zijn vrienden uit dat hij de Honderd Bloemen altijd als valstrik bedoeld had. ‘Hoe konden we slangen vangen als ze niet uit hun holen kwamen? We wilden dat die hoerenzonen naar buiten kwamen en lachten en zongen en scheten lieten.’
     Ik heb hierboven twee woorden gebruikt die ik niet snel een tweede keer zal neerschrijven.

vrijdag 6 januari 2017

Wij en de driekoningentaart

Le gâteau des Rois - J.B. Greuze (1774)
     Ons schoolreglement is, in tegenstelling tot de Tien Geboden, opgesteld in de wij-vorm. Dat is een goede zaak, want ik vind ‘wij’ het grappigste voornaamwoord dat er is. ‘Wij komen steeds op tijd.’ ‘Wij houden onze agenda nauwkeurig bij.’ ‘Wij komen naar school om te leren.’ In vind dat onweerstaanbaar, want die leerlingen komen nooit op tijd, en zeker niet die van 6 Wetenschappen-wiskunde A*.
     Het begint al bij de pluralis majestatis: ‘Wij koning der Belgen,’ schreef Boudewijn,  terwijl hij helemaal alleen koning was. ‘Wij maken nogal wat stof, hier zo in de woestijn,’ zegt de muis tegen de olifant, terwijl de olifant de enige is die het zand doet opstuiven. ‘Wij van Anderlecht houden niet van zo’n spel,’ zegt Jan Mulder op televisie, terwijl hij al sinds 1972 niets meer met die club te maken heeft.
     Ik moet daar altijd hard om lachen, en Mulder kan dat zo koddig zeggen.
     Ook mooi is het specialisten-wij. Godfried Bomans gebruikt dat op bijna elke bladzijde van Kopstukken: ‘Wij brandweerlieden’, schrijft hij, en ‘wij gamelankenners’ en ‘wij honderdjarigen.’ Maar als je het hele stukje leest, merk je dat die brandweerman en die gamelankenner helemaal geen echte specialisten zijn. Ze kletsen maar wat. En honderd jaar zijn is ook geen echte specialisatie.

     Een hele mooie van dat soort vond ik in een stuk waarin zekere Kaouthar Darmoni (hier), van de universiteit van Amsterdam, uitlegt dat het orgasme in de Islam beschouwd wordt als een ontmoeting met God. Dat was anders dan in Nederland, zei mevrouw Darmoni, waar de televisie zo platvloers met seksualiteit omgaat. ‘In genderstudies noemen wij dat pornification.’ ’t Lijkt Bomans wel: wij genderspecialisten … Die genderstudies – dat maakt het zo grappig –  zijn natuurlijk geen echte specialisatie is en die mevrouw Darmoni is evenmin een echte specialiste. Maar ze neemt zichzelf wel even serieus als die brandweerman, die gamelankenner en die honderdjarige.          
     In de mooie anekdoteverzameling van Nicolas Chamfort (1740-1794)**  komt er ook een aardig wij-grapje voor. Ik probeer het te vertalen. Vroeger, schrijft Chamfort, at men de driekoningentaart vóór het feestmaal. Op een keer vond mijnheer de Fontenelle de boon en was hij de koning. Daarna hield hij tijdens het feestmaal alle lekkere brokjes voor zichzelf. Men zei dat de koning zijn onderdanen vergat. Waarop hij antwoordde : “Ja, wij koningen, wij zijn zo”.
     Fontenelle was geen adept van de monarchie.

 

* Helemaal onschuldig is zo’n ‘wij’ niet wanneer de gebruikers ervan, zoals de opstellers van ons schoolreglement, eigenlijk iemand anders op het oog hebben dan zichzelf. Maarten Boudry heeft daar onlangs nog op gewezen (hier).
** Over Chamfort schreef ik eerder al een stukje (hier).

dinsdag 3 januari 2017

Thomas Sowell, een zwarte conservatief

     Vijf jaar geleden wilde ik een aantal moderne theaterstukken bespreken in de klas. Een van die stukken was ‘Glengarry Glen Ross’ van David Mamet. Ik begon op het internet wat over die auteur te lezen en stootte daarbij op een essay dat hij schreef in 2008: ‘Why I Am No Longer a Brain-Dead Liberal’ (hier). In dat essay vertelde Mamet hoe hij van een politiek-correcte intellectueel veranderde in een rechtse zak. Dat kwam onder andere door het lezen van Thomas Sowell, ‘our greatest contemporary philosopher’*. Een paar klikken verder vond ik een verzameling van enkele honderden columns die Sowell vanaf 1998 wekelijks geschreven had (hier). Ik heb die toen in de daaropvolgende weken allemaal gelezen, en ook daarna ben ik regelmatig de nieuwe columns gaan opzoeken.
     Daar is nu een einde aan gekomen want Sowell stopt ermee, op 86-jarige leeftijd. Het schrijven vindt hij nog wel leuk, maar om te schrijven moet hij eerst de kranten lezen en daar heeft hij niet zo’n zin meer in. Hij wil liever meer tijd hebben om mooie foto’s te maken. Je vindt hier enkele voorbeelden van zijn foto’s.
     De columns van Sowell waren altijd licht verteerbaar: korte alinea’s, onberispelijke logica, duidelijke feiten en cijfers. Hij gebruikte graag metaforen uit de sport en leuke anekdotes uit zijn moeilijke jeugd toen hij opgroeide in Haarlem, als zwarte jongen met een moeilijk karakter. Ook had hij een zeker talent voor aforismen.**
     Sowell was een ruziemaker. Op school had hij last met leraars, in het leger had hij last met officieren, als professor had hij last met collega’s die te veel punten gaven, en als schrijver had hij last met bemoeizieke redacteurs die zijn teksten veranderden. Toen hij economielessen volgde bij de latere Nobelprijswinnaar Milton Friedman, leverde hij een scriptie in waarin hij de wiskundige benadering van zijn professor geparodieerde en bespotte. Friedman noteerde op de scriptie: ‘Grap begrepen.’ Zelfs met Ronald Reagan kreeg hij kwestie. De president wou Sowell als minister van Arbeid of van Onderwijs, maar Sowell weigerde omdat medewerkers van de president in een bepaalde toespraak een bepaald zinnetje niet hadden geschrapt.
In 1960 - 34 jaar oud
     Dat ruziemaken zie je ook in zijn columns. Sowell was als marxist begonnen en daarna geëvolueerd tot libertair en conservatief. De boeken die hem het meest hebben beïnvloed zijn het Communistisch Manifest – in zijn jeugd – en Decline and Fall of the Roman Empire – in zijn latere jaren. Toen hij columns begon te schrijven was die evolutie voltooid en schreef hij vooral tegen links. Tegen belastingverhoging, tegen nivellerend onderwijs, tegen betutteling, tegen de ‘positieve discriminatie’ van zwarten, tegen activistische rechters, tegen illegale vreemdelingen, tegen ‘antiracistische’ demagogen, tegen Republikeinen die geen duidelijke taal spreken. Hij herhaalde daarbij telkens dezelfde argumenten en weerlegde bij voorkeur de flauwste argumenten van de tegenpartij. Hij voerde polemiek als een straatvechter: slaan en blijven slaan op de zwakke plekken. Over de sterkste argumenten van de tegenpartij zweeg hij. ’t Is een goede aanpak als je vooral je medestanders een hart onder de riem wil steken – en hen van munitie wil voorzien. Maar je kunt er natuurlijk die van de overkant niet mee overtuigen.
     Maar Sowell kan het ook anders. Naast zijn columns heeft hij meer dan dertig boeken geschreven over zo verschillende onderwerpen als economie, opvoeding, ideeëngeschiedenis en culturele antropologie. Sommige van die boeken zijn mooie proeven van intellectuele afstandelijkheid, in het bijzonder zijn Conflict of Visions. In dat boek plaatst hij twee mensvisies tegenover elkaar, de ‘utopische’ zienswijze tegenover de ‘tragische’ zienswijze, het geloof in de ‘maakbaarheid’ van de mens tegenover het geloof in de onveranderlijke menselijke natuur. Volgens Sowell verklaren die verschillende zienswijzen een groot deel van het dispuut tussen ‘links’ en ‘rechts’. En hoewel hijzelf stellig de tweede opvatting aanhangt, ontvouwt hij op een even rechtvaardige en onverstoorbare manier de eerste opvatting.
     Sowell had het zichzelf gemakkelijk gemaakt om rechtvaardig te blijven. Voor zijn uiteenzetting van de utopische zienswijze koos hij als leidraad geen tenenkrommend artikel uit een hedendaagse krant maar een werk uit de achttiende eeuw, Enquiry concerning Political Justice (1793) van William Godwin – niet die van de Wet van Godwin, maar de vader van Mary Shelley. Dat was een goede keuze want Godwin was, net als Sowell, een libertair. Sowell moest zich dus niet druk maken over de inhoud van het utopisch denken van Godwin, want die beviel hem wel. Hij kon zijn aandacht volledig houden bij de vorm van dat denken, een vorm die hem minder beviel, maar die hij op gelijkmoedige manier uiteenzet. 
     Sommige mensen zijn daar gevoelig voor –  voor zo’n gelijkmoedige uiteenzetting. Twee van de voornaamste psychologen van vandaag, Steven Pinker (hier) en Jonathan Haidt (hier), jongens met een eerder linkse achtergrond, hebben lovende woorden gesproken over het boek. Het heeft hen aan het denken gezet. Mij ook.

 * Over Thomas Sowell schreef ik vroeger al eens een stukje (hier).

 ** Een greep uit de Sowell-aforismen
  • Meningen vind je overal, maar kennis is schaars.
  • Sociale bijstand is het geldelijk aanmoedigen van mislukking. Als je succes hebt, wordt de bijstand weer afgenomen.  
  • Veel Republikeinen hebben Engels als tweede taal. Hun moedertaal is het politieke jargon.
  • Bijna even gevaarlijk als de progressieve Democraten zijn de chique ons-kent-ons Republikeinen.
  • Een van de grote drogredenen van onze tijd is dat alles wat goed is ook subsidies moet ontvangen.
  • De eerste wet van de economie is de beperktheid van middelen. De eerste wet van de politiek is om geen rekening te houden met de eerste wet van de economie.
  • De waarheid is soms heel simpel. Veel complexer kan het zijn om aan de waarheid te willen ontsnappen.
  • Als je niet gelooft dat mensen in wezen onredelijk zijn, moet je eens proberen kinderen groot te brengen.
  • Mensen die zich uitgebuit voelen, moeten zich afvragen of hun baas hen zou missen als ze weggingen.
  • Ik vind het gek dat mensen mij soms moedig noemen. Soldaten zijn moedig, en politieagenten en brandweerlui. Ik heb alleen een dikke huid.
  • Amerika moet geen supermacht zijn om overal ter wereld tussen te komen. We moeten een supermacht zijn om ervoor te zorgen dat we met rust worden gelaten.
  • De slavernij werd afgeschaft door zakenmensen, religieuze leiders en Westerse imperialisten.
  • Veel mensen denken dat dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen duurder zijn dan dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen-plus-bureaucratie.
  • Als de geschiedenis afhangt van de strijd tussen de barbaren en de watjes, dan zullen de barbaren overwinnen.
  • De moderne geschiedenis heeft er vaak in bestaan iets wat werkt te vervangen door iets wat goed klinkt.
  • Socialisme klinkt goed. Het heeft altijd goed geklonken. Het zal waarschijnlijk altijd goed klinken.
  • Je vindt linkse mensen vooral in die sectoren waar ideeën niet juist hoeven te zijn om stand te houden.
  • Volwassen ben je als je het resultaat belangrijker gaat vinden dan de indruk die je maakt. Sommige mensen worden nooit volwassen.
  • Mensen die van vergaderingen houden, zouden geen verantwoordelijke functie mogen hebben.

zondag 1 januari 2017

De PVDA en Noord-Korea

Ludo Martens en Kim Il Sung samen
op de televisie
     Ik ben jarenlang geabonneerd geweest op Pékin Information, een wekelijkse uitgave in dundruk die vanuit China over de hele francofone wereld werd verspreid en vermoedelijk het saaiste blad was dat ooit heeft bestaan. De Engelse versie Peking Review was geen haar beter – het lag dus niet aan het Frans. Sommige nummers van De Wachttoren heb ik helemaal uitgelezen, terwijl die getuigen van Jehova mij van geen kanten interesseren, maar met dat berichtenblad uit China is me dat nooit gelukt. Zelfs mijn vader, die alles leest, keek alleen maar even naar de schaarse plaatjes.
     Naar die plaatjes keek ik ook. Op bladzijde drie stond vaak een foto van Mao die een buitenlandse bezoeker de hand schudde. Soms waren dat presidenten of eerste ministers. Dat boeide me niet. Maar soms ook waren het maoïstische leiders uit het Westen, en dan was ik jaloers. Mao poseerde dan met Pal Steigan (Noorwegen), Heduíno Vilar (Portugal) en Ernst Aust (Duitsland). Soms was het niet Mao zelf die op de foto stond, maar een andere lid van het Chinese ‘politburo’, maar daar ging het niet om. Waar het om ging was dat mijn maoïstische partij daar nooit bij was. Je zag nooit een foto van Mao, of van Yao Wen Yuan, met onze eigen voorzitter, Ludo Martens.

     Daar was een reden voor. China had in België al een partij. Dat was een onooglijk klein partijtje dat, met Chinese steun vermoed ik, een blaadje uitgaf dat Clarté heette. Ik heb het in mijn militantenleven maar één keer te koop weten aanbieden. Misschien had die Clarté-groep wel minder dan vijftig leden, terwijl mijn partij wel meer dan vijfhonderd leden had. Maar daar leken de Chinezen zich niets van aan te trekken. Als je zelf vijftig miljoen leden hebt, is het verschil tussen minder dan vijftig en meer dan vijfhonderd niet zo erg belangrijk.
     Zonder die Chinese erkenning was het voor de PVDA moeilijk om zich in de internationale communistische gemeenschap binnen te wurmen. Maar daar had voorzitter Ludo Martens een recept voor: de aanhouder wint. Terwijl overal elders in Europa de maoïstische partijen uit elkaar vielen, hield hij zijn volgelingen met eindeloze wilskracht en eindeloze vormingsvergaderingen op het rechte pad. Rond 1994 was hij ongeveer de enige communistische leider in Europa die nog het strakke stalinisme aanhield en dat bezorgde hem een uitnodiging van het ongeveer enige communistische land ter wereld dat datzelfde strakke stalinisme aanhield: Noord-Korea. Hij werd er ontvangen door Kim Il Sung, vader van het vaderland en  grootvader van de huidige Grote Leider. Martens zou de laatste buitenlander geweest zijn die met Kim gesproken heeft.

PVDA-leiders worden in 1979 (eindelijk) ontvangen door Chinese
leiders van een lager echelon. Van links naar rechts: Kris Merckx,
Ludo Martens (2011), Jo Cottenier en Herwig Lerouge.
De laatste twee zijn vandaag nog lid van de partijleiding. 
     Wij zijn ondertussen 22 jaar later en er is veel veranderd. De PVDA wil aan de regimes van Stalin of van Noord-Korea geen woorden meer vuil maken*. Stalin is al lang dood en Noord-Korea ligt ver weg. ‘Fuck Noord-Korea,’ zegt Peter Mertens, de opvolger van Ludo Martens. De partij wil voortaan alleen nog praten over een rijkentaks en over al het moois dat daarmee kan worden betaald, zoals: hogere pensioenen, hogere lonen en hogere werkloosheidsuitkeringen, met daarnaast lagere prijzen voor medicijnen, lagere prijzen voor geneeskundige zorgen en lagere prijzen voor water en elektriciteit. Ook op het lijstje staan een vroegere pensioenleeftijd, meer banen in de staatssector, minder werkuren per week en een groter budget om asielzoekers op te vangen. Dat wordt een fameuze taks, die rijkentaks*.
     Maar als de PVDA alleen nog wil praten over haar rijkentaks en wat je daarvoor kunt krijgen, waarom blijft ze dan hardnekkig deelnemen aan die communistische conferenties? Ze krijgen daar immers in de pers niks als last mee? In oktober laatstleden stuurden ze nog iemand naar een conferentie in communistisch Vietnam waar ook een Noord-Koreaanse afvaardiging aanwezig was, naast ander onguur volk. Dan vraag je toch om een pak slaag. Toch begrijp ik het ook. Bij de PVDA-leden en de PVDA-leiding zijn nog heel wat mensen die ik op de foto’s herken. Mensen die net als ik, jaloers waren toen ze week na week moesten vaststellen dat er in Pékin Information geen plaats voor hen was. Die kameraden hebben het wat moeilijk om afscheid te nemen van de wereld van bilaterale contacten en internationale conferenties, de wereld waar ze in de jaren ’90 eindelijk, na al die jaren in de woestijn, een deftig plaatsje hadden bedongen.
     Velen die in hun jeugd arm waren, kunnen in hun latere leven moeilijk afstand doen van centen.

* De Noord-Koreaanse connectie van de PVDA leidde deze week tot een fijn relletje in de pers. Bart De Wever gebruikte sterke woorden (hier) en Maarten Boudry sterke argumenten (hier). De PVDA antwoordde (hier) en (hier). De sp.a-man Tom Meeuws verdedigde de PVDA tegenover De Wever  (hier). In 2011 was er al een relletje geweest toen een PVDA-lid, zonder toestemming van de partijleiding,  op de televisie goedkeurende woorden sprak over het Noord-Koreaanse regime (hier). Ik herkende in dat PVDA-lid een oude strijdmakker. Het gezicht kon ik moeilijk thuisbrengen, maar de rustige stem en klare dictie des te meer, en al zeker de manier waarop hij zich door niets of niemand uit het lood liet slaan. Wie zich een idee wil vormen van de slappe manier waarop de PVDA zich distantieert van Noord-Korea kan hier terecht.


** Zelf raamt de PVDA haar programma op 22 miljard euro. Econoom Philippe Defeyt raamt het programma op 50 miljard  (hier). Ook dat is geloof ik een onderschatting omdat het programma flexibel wordt uitgebreid bij elke nieuwe ‘sociale actie’ en vooral omdat de economische hinder die een rijkentaks meebrengt niet in rekening is gebracht.

dinsdag 27 december 2016

Het feminisme en de Echte Mannen

     Vroeger viel het niet mee als je een Echte Man wilde zijn. Er hoorde een bepaalde kaaklijn bij. Je moest in gezelschap je mond kunnen houden, een sigaar roken en het getater aan de vrouwen overlaten. Je werd geacht iets van auto’s af te weten. Je moest een reservewiel kunnen plaatsen en onder de motorkap, of onder de wagen zelf, met een moersleutel allerlei onderdelen los, en daarna weer vast kunnen schroeven. Het was allemaal niets voor mij.
     Die ellende is nu voorbij dankzij het radicale feminisme. Op gezette tijden leggen de rebelse zusters een nieuwe mannelijke eigenschap bloot waar venten zich niet eerder bewust van waren. Eerst was er ‘mansplaining’, de gewoonte van mannen om aan vrouwen iets uit te leggen, waardoor die vrouwen zich als kinderen behandeld voelen. Nu ik erover nadenk, heb ik dat ook wel eens gedaan. Als ik in gezelschap ben, leg ik graag uit hoe het komt dat het vloedgetij zich aan de twee tegenovergestelde kanten van de aardbol op hetzelfde moment voordoet. Je zou denken dat de maan, want die veroorzaakt de vloed, alleen het water aan haar kant doet uitstulpen, maar nee – die uitstulping doet zich tegelijk ook aan de andere kant voor. Ik leg graag uit hoe dat komt, ook al zijn er vrouwen in het gezelschap. Als ik in Zweden woonde, zou ik dus moeten oppassen. ’s Lands grootste vakbond Unionen heeft er een kliklijn geopend waar vrouwelijke slachtoffers van mansplaining met hun ervaring terechtkunnen (hier).
     En dan was er ‘manspreading’. Het is de zusters opgevallen dat vrouwen meestal hun benen over elkaar slaan als ze neerzitten – het linkerbeen boven het rechterbeen bijvoorbeeld, en dan veranderen ze af en toe, zoals Sharon Stone, en slaan het rechterbeen boven het linker. Mannen daarentegen gaan al zittend vaak de knieën spreiden, waardoor ze onrechtvaardig veel ruimte innemen. En daartegen is nu protest gekomen, tot in het Brussels parlement.
     Vroeger had ik zelf nogal de gewoonte om mijn benen te kruisen. Dat doe ik nu niet meer. Als ik er maar even aan denk, spreid ik de knieën, niet teveel, maar toch. Het is makkelijker dan aan een auto sleutelen.


zondag 25 december 2016

Onderwijsinspectie

      De oorlogsjaren heeft mijn moeder doorgebracht op kostschool bij de Zusters Maricolen in Brugge.  Ze volgde er de leraressenopleiding ‘Snit en naad’ die vandaag ‘Mode’ heet. Ze kreeg er Opvoedkunde, leerde mooie verhandelingen schrijven met titels als ‘De mensch is zoo groot, de mensch is zoo klein’, en verwierf de vaardigheid om op het oog naaipatronen te tekenen die geen tiende van een millimeter afweken van de juiste lijn. 
     De laatste twee jaren van de opleiding werden overschaduwd door een vreselijke lerares –  mevrouw Bassens. Die Bassens zag scheel als een lijpe otter en gaf geen minuut les. Ze liep rond in de klas terwijl de leerlingen ‘zelfstandig aan het werk waren’ en terroriseerde daarbij iedereen – en mijn moeder in het bijzonder, omdat die thuis ‘enig kind’ was. Als mijn moeder in de naaiklas mooie stoffen meebracht, die mijn vooruitziende grootmoeder vóór de oorlog had gekocht, liep Bassens rood aan van woede. ‘Kijk daar,’ hoonde ze in volle klas, ‘het enig kind heeft weer de mooiste stoffen mee. Het enig kind voelt zich weer beter dan de anderen.’ Toen dat enig kind als eerste van de klas afstudeerde, en als jongste, kreeg de wrokkige lerares geen gelukwens over de lippen. Aan het handen schudden kon ze niet ontsnappen, maar ze legde het zo aan dat ze ondertussen met een andere leerlinge praatte.
     Ik weet niet hoe dat nu gaat, maar in die tijd werden de onbekwaamste lesgevers en lesgeefsters vaak bevorderd tot de rang van inspecteur. Dat gebeurde ook met Bassens. Mijn moeder was nog maar net afgestudeerd of Bassens werd provinciaal directrice. Ze bouwde een ijzeren reputatie op als feeks die  iedere lerares kon laten huilen voor de klas. Toen mijn moeder zelf les begon te geven, werd ze daarom door de staatsinspectrice, mevrouw Raman – het waren niet allemaal feeksen – op het hart gedrukt dat ze zich niet bang mocht laten maken door die van de provincie. Dat zou niet gebeuren, verzekerde mijn moeder. ‘Ik ken haar. Ze was zelf nooit in orde.’
     Zekere dag streek Bassens dan neer op het Sint-Joris-Instituut in Menen, waar mijn moeder de vijfde klas voor haar rekening nam. Tot voor enkele maanden kon je de deur van het lokaaltje nog zien vanaf de straatkant, maar nu is het hele gebouw gesloopt om plaats te maken voor een uitdijend ziekenhuis. Bassens kwam de klas binnen, zag mijn moeder en snauwde: ‘Waarom draagt de lerares geen schort?’ Dat was een makkelijke. ‘Omdat het niet mag van mevrouw Raman van de staatsinspectie. We moeten in de klas gekleed gaan naar de laatste mode om een voorbeeld te geven aan de leerlingen.’ Bassens hapte naar lucht maar vond snel iets anders. ‘Die modelschetsen, wie heeft die getekend? De lerares zelf zeker?’ Ja, dat viel niet te ontkennen. ‘Ik wil dat die modelschetsen voortaan gemaakt worden door de tekenlerares. Ik wil zulke slordige tekeningen niet meer zien als ik hier volgend jaar terugkom. Heb je dat goed begrepen?’ Mijn moeder had dat goed begrepen en liet voortaan de modelschetsen tekenen door de tekenlerares.
     Het jaar erna kwam Bassens terug, want provinciale inspecties waren jaarlijks. Ze vroeg meteen naar de modelschetsen en barste los. Had ze vorig jaar niet heel duidelijk gezegd dat de modelschetsen door de tekenlerares moesten worden gemaakt? Het was altijd hetzelfde liedje met die jonge leraressen! Mijn moeder, die niet al te groot is, rechtte haar rug. ‘Mevrouw, zei ze, men kan zien dat u niet veel ervaring hebt met modelschetsen. Deze schetsen zijn precies zoals ze moeten zijn en ze zijn getekend door de tekenlerares.’ De schele ogen van Bassens schoten vuur in twee verschillende richtingen. ‘Dat is dan weer zo’n juffertje dat we volgend jaar niet terugzien. Het juffertje heeft zeker verkering en gaat volgend jaar trouwen. Wij kennen dat.’ Maar Bassens had fout gegokt. ‘Mevrouw,’ antwoordde mijn moeder, ‘ik heb nog helemaal geen verkering. Of we elkaar volgend jaar terugzien hangt volledig van u af.’
     De leerlingen van de vijfde klas konden hun pret niet op.