vrijdag 23 september 2016

Het Nieuwsblad doet het wéér

     Nu heb ik mij twee dagen geleden binnenste buiten geplooid om aan die mensen van Het Nieuwsblad het verschil uit te leggen tussen een commentaar en een bericht (hier)*. Ik heb hen toen speciaal gewezen op het gevaarlijke woordje ‘blijkbaar’ dat als een rood oplichtend alarmlicht aangeeft dat een ‘eigen mening’ eraan komt. En die ‘eigen mening’ hoort niet thuis in een bericht – want dat hoort een feitelijk verslag te zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad van donderdag, overigens alweer over de zaak Vuye?
     “Toen Groen-parlementslid Hermes Sanctorum drie weken geleden nog uit zijn partij stapte, kreeg hij vooral vanuit nva-hoek veel positieve reacties voor deze ‘moedige beslissing’ en voor zijn ‘rechtlijnigheid’. Voor de eigen partijgenoten gelden blijkbaar andere standaarden.”
     ’t Is weer Lesaffer die aan het artikel geschreven heeft en het is weer in de laatste alinea dat hij toeslaat. Misschien heeft hij op school geleerd dat je in de laatste alinea ‘je eigen mening moet geven’.
     Ter verschoning van Het Nieuwsblad moet ik toegeven dat ik mijn stukje pas rond middernacht geplaatst heb. Toen Lesaffer het onder ogen kreeg, was zijn stuk wellicht al doorgestuurd en waren de drukkers het al aan het drukken. Ik stel me voor dat de journalist nog even getwijfeld heeft of hij niet naar Groot-Bijgaarden zou rijden om de werklui in blauwe overals toe te roepen: ‘Stop de persen’, waarna hij alsnog het woord ‘blijkbaar’ kon schrappen. Maar hij zal beseft hebben dat je zo’n melodramatisch gebaar maar ééns in je loopbaan kunt bovenhalen en dat je het dus beter bewaart voor als zich een nóg groter crisismoment dan de zaak Vuye aandient.
     Ofwel – dat kan ook – heeft hij mijn stuk aandachtig gelezen en gemerkt dat ik vooral de speculatieve connotatie van ‘blijkbaar’ in het vizier nam. Met een triomfantelijk lachje stelde hij vast dat die connotatie dit keer in zijn stuk ontbrak en daarmee was voor hem de kous af.
     Mocht Lesaffer dat gedacht hebben, dan had hij op dat eerste punt gelijk. Dit keer gebruikt hij de schampere ‘blijkbaar’, zoals in ‘Piet heeft blijkbaar  zijn boek weer vergeten.’
     Je zou tegen Lesaffer kunnen inbrengen dat het erg onredelijk is om van nva-ers te eisen dat ze op dezelfde manier reageren wanneer een lid van een vijandige partij opstapt, dan wel wanneer een lid van hun eigen partij opstapt. Zo zou het van mijn kant ook erg onredelijk zijn als ik erop wees dat Het Nieuwsblad heel anders is omgegaan met de zaak Sanctorum dan met de zaak Vuye. De zaak Sanctorum is in Het Nieuwsblad maar in twee artikels vernoemd, en een van die twee keren was in het hierboven aangehaalde stuk dat eigenlijk over Vuye ging.

     Maar daar gaat het mij niet om. Met onredelijkheid heb ik geen probleem. In polemiek kun je er iets moois mee doen, net als met opmerkingen over de grote neus van je tegenstander. Je kunt die dingen gebruiken als stijlfiguur. Maar zulke stijlfiguren – ja lezer, ik weet het, mijn verhaal wordt eentonig – horen thuis in de commentaarstukken, en niet in de berichten.
     Een van de vermakelijke personages in de animatiereeks The Simpsons is de televisieverslaggever Kent Brockman. Die zegt voor de camera dingen als: ‘At the risk of editorialising**, these women are guilty and must be dealt with in a harsh and brutal manner.’ Brockman overtreedt daarmee alle regels van de journalistieke plichtenleer, maar zijn ‘at the risk of editorialising’ bewijst dat hij naar een goede school is geweest waar het verschil tussen bericht en commentaar op klassieke wijze onderwezen werd.

* In een ander stukje heb ik ooit mijn best gedaan om het verschil tussen een feit en een mening uit te leggen (hier).
**Ik heb veel moeite om dat woord – ‘editorialising’ – uitgesproken te krijgen. Zelfs in mijn hoofd, zonder mijn lippen te bewegen, lukt het amper.

woensdag 21 september 2016

De zaak Vuye & Co

    
   Omdat ik de politiek slecht volg, en meer naar de Simpsons kijk dan naar het Nieuws, had ik tot voor kort Hendrik Vuye maar één keer op de televisie gezien. Hij zei toen iets onduidelijks en flauws in het onderwijsdebat van 2014. De Wever zei enkele dagen later iets duidelijks en ferms in dat debat. Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat mijn herinnering mij bedriegt en dat het niet Vuye was maar Kris Van Dijck die toen iets onduidelijks en flauws zei. Als dat zo is had ik Vuye tot voor van de week nog nooit gezien. Ik weet van Vuye dus alleen wat ik van de week in de media las: dat hij professor Staatstrecht is, grondwetsspecialist, aanhanger van een ‘communautaire agenda’ en dat hij als nva-fractieleider in de Kamer niet erg populair was geweest onder de verkozenen van die partij. En nu is hij na een conflict met de partijleiding opgestapt, samen met een zekere Veerle Wouters
     De Amerikaanse econoom en columnist Thomas Sowell gebruikt vaak de uitdrukking ‘those of us who are not Republicans …’ en dan geeft hij goede raad over hoe de Republikeinen de zaken moeten aanpakken. Had ik dat ook moeten doen? Vanop mijn weblog Bart De Wever adviseren hoe hij de zaak Vuye en Co had moeten aanpakken? Dat hijzelf een aanvallende communautaire agenda had moeten aankondigen voor de volgende verkiezingen? Dat hij met meer vuur de boodschap van een onafhankelijk Vlaanderen had moeten uitdragen? Dat hij beter had moet luisteren naar de idealisten van de Vlaamse Beweging? Dat hij niet zo streng had moet reageren toen hij door Vuye werd bekritiseerd in de pers?
     Maar ik weet niet eens of dat goede raad is. Soms is het net beter om af te wachten dan om aan te vallen. Soms slaat ook een vurige boodschap niet aan. Soms luister je beter naar de realisten. En soms is het beter om streng te reageren. Er bestaat, geloof ik, geen algemene regel om uit te maken wanneer het ene beter is dan het andere.
      ’t Is nu in elk geval te laat, want Vuye en Wouters zijn vertrokken. Ik wens hen veel geluk toe, maar ook aan hen kan ik niet veel goede raad geven. Iemand stelde ergens voor dat ze een kleine Vlaamse partij zouden oprichten. Dan konden ze met een paar verkozenen ‘op de wip’ zitten bij de volgende regeringsformatie. Als de formatie dan wat moeilijk werd, konden ze een hoge prijs afdwingen voor hun steun of deelname aan de regering en konden ze zo hun confederale agenda realiseren samen met ... ja met wie eigenlijk? Dat moet toch eerst eens nader worden bekeken.
     Aangezien ik geen lid ben van de Alliantie, moet ik mij dat allemaal niet aantrekken. Dat politieke tegenstanders enig leedvermaak hebben? Ach, hoe zou ik zelf zijn? Dat kranten die weinig hebben met de Vlaamse zaak nu plots hun kolommen openstellen voor Vlaamse idealisten? Dat vind ik eigenlijk fijn voor die idealisten, want meestal lopen ze er wat verloren bij. Misschien krijgt een van hen wel een vaste column waarin hij wekelijks de kaakslagen … euh … aan de kaak kan stellen en de knieval van de nva kan laken. Die column zou bijvoorbeeld naast die van Abou Jahjah kunnen worden geplaatst.
     Toch beving mij ook een kleine ergernis, en wel toen ik de berichtgeving las die Het Nieuwsblad van 21 september aan de zaak wijdde. En dan heb ik het niet over het hoofdartikel want dat was zoals altijd een bron van vermaak. Maar in de verslaggeving werd ik pijnlijk getroffen door het woordje ‘blijkbaar’. De journalisten Pieter Lesaffer en Hannes Cattebeke schrijven namelijk: “We contacteerden gisteren een twintigtal parlementsleden, maar niemand wilde iets zeggen. De schrik zit er blijkbaar goed in om bij het minste verkeerde woord eenzelfde lot als Vuye en Wouters te ondergaan.”
     Blijkbaar? Hoe weten die journalisten dat – dat de parlementsleden zwijgen uit schrik? Ik zag vandaag op de televisie hoe Jan Jambon en Siegfried Bracke weigerden commentaar te geven. Zij zagen er niet erg bang uit. Ook Bart De Wever gaf geen commentaar. Had hij dan schrik dat hij hetzelfde lot zou ondergaan als Vuye?
     De kwestie is deze: ‘blijkbaar’ leidt een speculatie in, en speculaties zijn op hun plaats in krantencommentaren – niet in berichten. Die laatste moeten zich beperken tot de feiten. Een nette kranten gebruikte vroeger bewoordingen als: ‘Een anonieme bron bevestigde ons dat dit zwijgen voortkwam uit schrik om bij het minste verkeerde woord – enzovoort.’ En als ze zo’n anonieme bron niet gevonden hadden die een verklaring wou afleggen over dat zwijgen, dan deed die nette krant er zelf het zwijgen toe.

zaterdag 17 september 2016

De terreurexperte, de nva en de cd&v

De gelijkenis met de vroegere directeur-generaal van het
katholiek onderwijs is opvallend
    Martha Crenshaw, een vrouw die opvallend gelijkt op mijn vroegere baas Mieke van Hecke, is even in ons land geweest omdat ze een eredoctoraat ontving aan de Gentse universiteit. In Het Nieuwsblad van 16 september wordt ze voorgesteld als “de meest vooraanstaande stem als het gaat om onderzoek naar terrorisme” (hier). Als mijn leerlingen zo’n zin schrijven, heb ik daar drie opmerkingen bij.
     Ten eerste moeten ze even overwegen of ‘terrorismeonderzoek’ niet beter klinkt dan ‘onderzoek naar terrorisme’. Daar bestaat geen regel voor. Ze moeten de zin een paar keer hardop lezen en dan een beslissing nemen.
     Ten tweede is de overtreffende trap van ‘vooraanstaand’ niet ‘meest vooraanstaand’ maar ‘vooraanstaandst’. Paardekooper schrijft: ‘Bij een overtreffende trap gebruikt het ABN altijd de uitgang –st, tenzij er een dringende reden is om dat niet te doen.’ Het is waar – ‘vooraanstaandste’ klinkt niet goed. Dan moet maar worden uitgeweken naar een ander woord: ‘belangrijkste’, ‘voornaamste’, ‘bekendste’, enzovoort. Dat zijn ook mooiere woorden.
    En ten derde … nu wordt het moeilijk. ‘Het komt erop aan,’ vertel ik mijn leerlingen, ‘om de juiste middenweg te vinden tussen al te veel nuance en al te veel stelligheid.’ Als je schrijft dat ‘Napoleon een van de belangrijkste Franse generaals van zijn tijd was,’ maak je je belachelijk. Napoleon wás gewoon de belangrijkste. Maar als je in een scriptie schrijft dat ‘Romeo en Julia Shakespeares bekendste stuk is,’ kun je in moeilijkheden komen. Voor je het weet is de professor die de scriptie moet beoordelen getrouwd met een gerenommeerde Hamlet-specialiste en daar sta je dan met je Romeo en Julia.  Om een soortgelijke reden had Het Nieuwsblad beter geschreven dat professor Crenshaw ‘een van de belangrijkste-voornaamste’ terreurspecialisten was. Want misschien hebben sommige lezers wel heel veel tijd besteed aan het lezen van een boek van een andere terreurexpert, van Bruce Hoffman, of van Alex Schmid of van Ariel Merari. Of van Rik Coolsaet, die evengoed een doctoraat behaalde aan de Gentse universiteit. En dan is het niet leuk te horen dat iemand ánders de belangrijkste-voornaamste expert is, namelijk ene Martha Crenshaw, en dat die ook een stapeltje boeken geschreven heeft.
     En het zijn haar boeken die je zult moeten lezen, want met het gesprek in Het Nieuwsblad alleen kom je er niet. Het stuk is immers nogal luchtig. ‘Terreur bestrijd je niet met boerkiniverbod.’ Ja, dat mag je met krijt op het bord schrijven. ‘Er zijn deze zomer helemaal niet veel aanslagen geweest.’ Tja, wat is veel? En inderdaad, de aanslag op de Bataclan was niet in de zomer maar in de late herfst. ‘Religie is belangrijk, maar ISIS heeft zeker ook een politieke strategie.’ Ook weer waar, en bij de jihadisten lopen die twee nogal door elkaar.
     Verder gelooft Crenshaw niet zo erg in bewaking, noodtoestanden, het verbieden van terreurverheerlijking en een preventieve hechtenis die langer dan achtenveertig uur duurt. Met andere woorden: al de voorstellen die de nva in haar recente veiligheidsnota aanhaalt om de ‘sociale cohesie’ te beschermen. Crenshaws eredoctoraat en de bijhorende krantenstukken sluiten dus goed aan bij de politieke actualiteit in ons land, wat natuurlijk toevallig kan zijn.
     Ik heb die nva-voorstellen eens rustig bekeken (hier) en ik zie er veel nadeel aan. Die respons deel ik als ik me niet vergis met de liberalen, de groenen en de socialisten van de intellectuele soort. Maar het eigenaardige is dat vooral de cd&v er een grote mond over opzet. Waarom eigenlijk? De cd&v lijkt mij nou net een partij die bij terreurdreiging wat graag de ‘sociale cohesie’ in bescherming zou nemen middels haar burgemeesters en middels een regering waarin ze weer de eerste viool speelt.  De voorstellen die de partij zelf aandraagt, zijn trouwens ook niet de minste: meer samenwerking tussen leraren en politie, inniger contact tussen sociale werkers en gerecht, ‘iets doen aan de bitcoins’ (verbieden?) …
    Als ik een slecht karakter had, zou ik de cd&v nu politieke spelletjes kunnen aanwrijven. Maar daarmee kom ik geen stap verder. Ik zal gewoon zelf, als grote jongen, over die antiterreurnota moeten nadenken en eens mooi lijstje maken, in twee kolommen, van de voor- en nadelen ervan. Misschien kan Martha Crenshaw mij daarbij helpen. Of niet.

vrijdag 16 september 2016

Too f*** busy

     Dorothy Parker (1893-1967) was lid van een select clubje van dagbladschrijvers, recensenten, cabaretiers en theatermensen, dat in de twintiger jaren bijna dagelijks samenkwam in het Algonquinhotel in New York, om daar te drinken en luidruchtige commentaar te geven op de stand van zaken. Aangezien ikzelf een paar nachten in dat hotel heb geslapen (hier), en ook wel eens commentaar geef op de stand van zaken, zie ik mijzelf soms een beetje als een Algonquinman. Maar ja, ik drink niet.
    Mrs. Parker dronk wél, en sliep daarna met heel veel verschillende mannen. Als ze te laat was met een recensie, had ze een goed excuus klaar: ‘I was too fucking busy, or vice versa.’ Haar betrekkingen met haar beste vriend en zielsverwant daarentegen, de eveneens stevig drinkende en hoererende Robert Benchley, bleven kuis tot het einde. Zij spraken elkaar nooit anders aan dan ‘Mrs. Parker’ en ‘Mr. Benchley’.
     Ze was wat de Engelsen noemen een ‘wit’, en de Fransen een ‘bel esprit’: een geestig iemand. En als ze met scherpe tong, en later op de avond met dubbele tong, een sneer liet vallen, werd die opgeschreven door één van haar vrienden-columnisten en stond de gevatte inval de volgende dag in de krant. Je vindt ze nu op het internet (hier, hier en hier).
      Zoals iedereen van haar generatie wou ze de ‘Great American Novel’ schrijven, maar die kwam er niet. In de plaats daarvan schreef ze filmscenario’s, een dertigtal korte verhalen en een groot aantal spitse verzen die de indruk geven zo uit de mouw te zijn geschud. Misschien was dat wel zo. Ik stel het me voor als volgt. De dichteres nam een eenvoudig thema – zelfmoord, ongelukkige liefde, de ontoereikendheid van het bestaan – bedacht twee korte regels, en de volgende twee regels schreven zichzelf nadat ze passende rijmwoorden had gevonden. Neem nu haar gedicht ‘Comment’

     “Oh, life is a glorious cycle of song,
     a medley of extemporanea,
     And love is a thing that can never go wrong,
     and I am Marie of Romania.”


      Is dat niet eenvoudig? Ondanks het moeilijke woord ‘extemporanea’? Je moet er natuurlijk maar op komen. En probeer het maar eens te vertalen. Gert Jan de Vries maakte een mooie versie.

      Het leven is één prachtig liedjesfestijn
      Een medley van virtuoosheden
      En liefde is eindeloos, feilloos en fijn
      En ik ben Silvia van Zweden.
 
     Dat is knap. Degelijk rijm, dezelfde amfibrachische versmaat als het origineel. Maar je mag zeggen wat je wil, ‘virtuoosheden’ en ‘Silvia’ scanderen minder lekker dan ‘extemporanea’ en ‘Marie’. En die Zweedse koningin van nu is een stuk minder sprookjesachtig dan die Roemeense koningin uit een tijd dat vorsten nog iets te betekenen hadden. Ook vind ik de Nederlandse bewerking uitvoeriger dan het oorspronkelijke gedicht, al bevat ze dan minder woorden. En tenslotte, ’t is onrechtvaardig, vind ik het woord ‘medley’ beter klinken in de versie van Dorothy dan in de versie van Gert Jan. Vertalen is, geloof ik, verdomd moeilijk.
     Een erg bekend gedicht van Mrs. Parker is ook ‘Résumé’.

     Razors pain you,
     Rivers are damp,
     Acids stain you,
     And drugs cause cramp.
     Guns aren’t lawful,
     Nooses give,
     Gas smells awful.
     You might as well live.”

      Hoeft het gezegd dat haar talloze zelfmoordpogingen allemaal mislukten?

woensdag 14 september 2016

De veiligheid van onze fietsertjes



     Uit onderzoek is nu weer gebleken dat Vlamingen de verkeersregels voor fietsers onvoldoende beheersen. Ze kennen het verschil niet tussen een geschilderde fietsstrook en een fietssuggestiestrook. Ze denken dat een fietser voorrang heeft aan een fietsoversteekplaats. Ze weten niet eens wanneer je naast elkaar mag fietsen (bebouwde kom) en wanneer je áchter elkaar moet rijden (buiten de bebouwde kom). Ik weet dat allemaal wel, want het stond in Het Nieuwsblad van 13 september, in een stuk dat over het onderzoek berichtte. Ook in dat stuk stond dat minister Ben Weyts ervoor zou zorgen dat in het onderwijs meer ruimte kwam voor verkeerseducatie. Dat moest worden opgenomen in de eindtermen*.
      Met die verkeerseducatie kun je verschillende richtingen uit. Onze meester in het derde leerjaar heeft ons grondig de regels voor parkeren uitgelegd, hoewel niemand van ons kon autorijden. Er bestond een geheimzinnig verkeersbord dat links de cijfers 1-15 en rechts de cijfer 16-31 bevatte. Dat betekende dat je van de eerste tot de vijftiende van de maand – tot acht uur ’s avonds – moest parkeren langs de kant van de gebouwen met onpare nummers, en van de zestiende tot het einde van de maand langs de kant van de pare nummers. Of omgekeerd, want het is al lang geleden. Op de vijftiende van de maand, vertelde meester Bernard, zag je om acht uur ’s avonds alle bezitters van een auto in hun pyjama op straat komen om die auto nog snel te verplaatsen. Meester Bernard maakte graag grapjes.

      Zelf vind ik dat de kinderen op school vooral de belangrijke fietsregels moeten leren, dat wil zeggen de regels die de veiligheid echt bevorderen: dat je rechts moet houden, en dat je links moet inhalen. Ik heb mijn fietsvriendje Dirk D. eens pijnlijk ten val gebracht op de Lage Weg toen ik hem rechts wou inhalen. Ik kende die regel niet, of was die vergeten. Dirk D. heeft me die toen in herinnering gebracht, en wel in zulke bewoordingen dat ik hem na bijna vijftig jaar nog altijd ken en toepas**.
       Nog niet zo lang geleden vond ik die regel eigenlijk niet zo belangrijk. Ik haalde nooit iemand in. Het was net omgekeerd. Ik wérd voortdurend ingehaald, door kwieke gepensioneerden die hun komst aankondigden met
stevig belgerinkel. Ik week dan mooi uit naar rechts en de bejaarde raasde mij daarna ter linkerzijde voorbij op zijn racefiets. Zelf kon ik mijn fietsbel bijna nooit gebruiken. Ik was, om met King Lear te spreken, ‘a man more rung against than ringing’. Maar sinds ik elektrisch fiets, is daar verandering in gekomen. Sommige kwieke bejaarden op een racefiets kan ik nog altijd niet voorbijkomen, maar een slome scholier kan ik wel de baas en dan laat ik mijn bel rinkelen om hem duidelijk te maken dat ik eraan kom en dat hij moet stoppen met zwalpen.
     De uitkomst van mijn belgerinkel is echter niet helemaal bevredigend. De helft van de fietsertjes wijkt uit naar rechts, en de andere helft naar links. Wij kunnen dus vermoeden dat de helft van die kinderen de regel wél kent, en de andere helft niet. Maar dat is niet de enige mogelijkheid. Het is ook denkbaar dat geen enkele van die fietsertjes de regel kent, waarna de helft correct gokt, en de andere helft zijn geld op de verkeerde rijkant inzet. Ook is het mogelijk dat álle kinderen de regel kennen, maar dat de helft er uit balorigheid geen gevolg wenst aan te geven.
     Ben Weyts zou dat eens moeten laten uitzoeken vóór hij de eindtermen laat aanpassen. In de eerste geval moet hij de verkeerseducatie kaderen in een gedifferentieerde kennisoverdracht. De achterlijke helft van de klas leert de regel van rechts-rijden-links-inhalen terwijl de voorlijke helft aan een verdiepende opdracht werkt rond de voorrang van rechts. In het tweede geval – niemand kent de regels en men doet zomaar wat – is eveneens kennisoverdracht geboden, maar de differentiatie kan achterwege blijven. Wel moeten de kinderen dan worden gewezen op de gevaren van gokken en gokverslaving in het algemeen. In het derde geval – balorigheid – moet worden ingezet op attitudeonderwijs**. Dat zullen de eindtermenfabrikanten graag horen.
     Verder ben ik van mening – ceterum censeo – dat het fietsreglement de verplichting moet voorzien om een inhaalmaneuver aan te kondigen met een belsignaal. Neem daar maar nota van: Clericks Weblog bepleit de invoering van een nieuwe verplichting. Zie ook hier.

_________________

* Weyts beweert in Het Nieuwsblad: ‘Verkeerseducatie maakt nu geen deel uit van de eindtermen in het middelbaar onderwijs.’ De laatste keer dat ik dat gecontroleerd heb, stond in de vakoverschrijdende eindtermen, context 1, eindterm 13: ‘De leerlingen passen het verkeersreglement toe.’ Maar misschien is dat ondertussen veranderd. Dat gebeurt wel eens in het onderwijs, dat ze iets veranderen. Mijn zoon heeft in elk geval wél jaarlijks een aantal activiteiten meegemaakt in het kader van een ‘verkeersweek’ of ‘veiligheidsweek’ of ‘fietscontroleweek’, en dat vanaf de derde kleuterklas tot het laatste jaar middelbaar. 

** Ik houd niet altijd rechts op het fietspad. Soms is de rechterkant van het fietspad in een slechtere staat dan de linkerkant, en dan hou ik links. Maar als ik word ingehaald, wat dus niet vaak meer gebeurt, wijk ik natuurlijk wél uit naar rechts.

*** En ik spreek me hier helemaal niet uit – want ik hou me in – over de vraag of attitudeonderwijs wel de goede manier is om attitudes van leerlingen te veranderen.

zaterdag 10 september 2016

De man die van Serge Reggiani hield

     Enkele jaren geleden kwam ik J.C. tegen in een Brusselse winkelstraat. Hij droeg een hoed, had een vrouw aan de arm – het was niet F. – en duwde een kinderwagen voort. ‘Dag, J.’, zei ik. Hij keek mij achterdochtig aan. Verduiveld, hij herkende mij niet. We hadden elkaar nog gekend in Kortrijk. – Niks. We hadden in Leuven op hetzelfde gemeenschapshuis gewoond. – Niks. Ik had uren op zijn kamer doorgebracht, terwijl hij smakelijk vertelde over extreem-rechtse infiltranten bij de rijkswacht, en rijkswachterinfiltranten bij extreem-rechts. Hij had over die zaken een uitgebreide steekkaartenverzameling aangelegd. – Ja, die steekkaarten, dat wist hij nog. Komaan, onze kamers lagen tegenover elkaar. Toen klaarde zijn gezicht op: ‘Jij was die kerel die altijd naar Serge Reggiani luisterde’.
     Ik voelde mij een beetje zoals koningin Victoria: not amused. Ik had verdorie vooropgelopen bij roerige demonstraties terwijl hij met zijn geheime scanner de politie afluisterde, of foto’s nam van tegenbetogers. Hij had mij geleerd hoe ik op comitévergaderingen de trotskisten te slim af moest zijn. We waren samen op vakantie geweest. Hij had de officiële foto’s genomen van mijn trouwfeest. En nu wist hij alleen nog dat ik naar opgenomen bandjes geluisterd had waar liedjes op stonden als ‘Madame Nostalgie’ en ‘Les Loups’.
     Ik kom er maar beter rond voor uit. In die tijd deed ik romanistiek en om mijn Frans te verbeteren luisterde ik naar chansons van Brel, Aznavour en Gréco –  en Reggiani dus, die van hen allemaal de meeste pathos in huis had. ’t Is niet fraai en ’t is niet iets wat je aan je opgroeiende kinderen wil meegeven, maar ik was ook nog erg jong. En nu ik wat ouder ben … ach, ik beluister dat nog wel eens. ‘Ma fille’ bijvoorbeeld. Een vader spreekt tot zijn opgroeiende dochter die binnenkort het huis zal verlaten. Het liedje bevat een areaal aan clichés: ‘chaque soir’, ‘changer de saison’, ‘rompre les amarres’, ‘courir la terre’, ‘le chemin de la vie’, ‘bonne route’, ‘nos mains se rejoignaient’ …  Sommige bewoordingen zijn vergezocht, zoals: ‘de smaak van een gitaarakkoord’. Er is ergens sprake van een kat en een vis die de spelletjes van vader en dochter in de huiskamer ‘deelden’.  Een vis! Nou vraag ik je. En zelfs bij die spelletjes stel ik mij weinig voor. Maar het kinderlijke wensdenken van de vader aan het einde van het lied ontroert mij:

On s’est quittés parents
On se retrouve amis
Ce sera mieux qu’avant
Je n’aurai pas vieilli.

We worden niet ouder, en de band met onze kinderen die uit huis zijn, wordt almaar inniger. Zou dat niet mooi zijn? En dan de derde strofe:

Ma fille, tu as vingt ans
Et j’attends le moment
Du premier rendez-vous
Que tu me donneras
Chez toi ou bien chez moi
Ou sur une terrasse

     Bij dat ‘premier rendez-vous’ laat ik mij ook de honderdste keer weer vangen. Altijd weer denk ik even dat de dochter een rendez-vous heeft met een jongeman die haar bij de vader weg komt halen. Maar neen, het is een rendez-vous tussen vader en dochter, en dat kan bij hém zijn, of bij háár, maar het liefst natuurlijk op een terras, waar iedereen mee kan genieten van de vertoning. Ik zie in gedachten de vader zitten, met zijn karakterkop – veel meegemaakt –, tegenover een jonge Française in een zomerjurkje. Ze rookt een elegante sigaret. En ook nu weer denk ik heel even: minnaars.
Hier vind je een nogal slappe live versie van het lied. Zonder echokamer komt de pathos heel wat minder tot zijn recht.

zaterdag 3 september 2016

Het M-decreet - Waar staat de ‘M’ voor?

     In de leerplichtwet van 1914 stond de verplichting ingeschreven om aparte klassen te organiseren voor ‘zwakbegaafde of verachterde of abnormale kinderen’. Onder het harde taalgebruik – ‘verachterd’, ‘abnormaal’ – ging een humaan voornemen schuil om ook de minder begaafde en de gehandicapte kinderen een onderwijs aan te bieden waar ze iets aan hadden. Dat is dan uitgegroeid tot het moderne ‘buitengewoon onderwijs’, met acht gespecialiseerde ‘types’– voor kinderen met een lichte mentale handicap, met een zware mentale handicap, met een leerstoornis, met een gedragsprobleem of met een auditieve, een visuele of een spraakmotorische beperking. Ongeveer vijf procent van de kinderen volgen nu les in zulke scholen, van de kleuterklas tot het middelbaar.
    Aan dat buitengewone onderwijs zijn, naast het onmiskenbare voordeel van de gespecialiseerde zorg, ook enkele bezwaren verbonden. Het is ten eerste twee tot drie keer duurder dan het gewone onderwijs, want de klassen zijn kleiner, er komen allerlei specialisten aan te pas zoals logopedisten en kinesisten, en er is nood aan speciale apparaten en aangepaste gebouwen. Het buitengewone onderwijs is ten tweede meer verspreid. Je vindt niet altijd het type school dat je kind nodig heeft binnen fietsafstand. En ten derde worden de kinderen samengebracht op grond van wat ze níet kunnen, in plaats van wat ze wél kunnen. Als ik een hoogbegaafde blinde dochter had, dan wilde ik liever dat ze Latijn-Wiskunde studeerde in een gewone school, dan dat ze terechtkwam in een klas met allemaal blinde leerlingen van voor de rest heel verschillende aanleg en interesse.
     De laatste vijftien jaar hebben de Onderwijsministers gezocht naar een manier om zoveel mogelijk leerlingen over te plaatsen van het buitengewone naar het gewone onderwijs. Misschien was dat vanwege de bezwaren die ik hierboven heb vernoemd. Of misschien dachten ze dat kinderen ‘gestigmatiseerd’ werden als ze naar speciale scholen gingen, of dat de kinderen uit het gewone onderwijs moesten ‘leren omgaan met kinderen die anders zijn’.  Misschien vonden ze dat de kinderen uit het buitengewone en het gewone onderwijs moesten worden samengebracht ‘zodat ze van elkaar konden leren’. Misschien vonden ze het buitengewone onderwijs wel een vorm van ‘segregatie’, zoals  vroeger in de Verenigde Staten, waar tot in de jaren zestig zwarte kinderen aparte scholen hadden. Misschien ook ... Ach, wie weet wat er zich afspeelt in het hoofd van zo’n minister – wie weet waar het denken eindigt en waar de frasen het overnemen*.
     Welnu, het nadenken van die opeenvolgende Onderwijsministers heeft vorig jaar dan geleid tot de aanname van het veelbesproken M-decreet. De ‘M’ staat voor ‘maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte’ – we zijn erop vooruitgegaan sinds de ‘verachterde’ en ‘abnormale’ kinderen van de wet van ’14. Het M-decreet, en zijn verdedigers, houden voor dat

(1)  kinderen eerst het gewone lager onderwijs moeten uitproberen en pas na een mislukking aldaar mogen overstappen naar het buitengewone onderwijs;

(2)  dat ouders de toestemming van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) moeten krijgen voor ze hun kind naar een gespecialiseerde school mogen sturen;

(3)  dat, omgekeerd, ouders van een kind met specifieke behoeften kunnen eisen dat een gewone school ‘redelijke aanpassingen’ doorvoert, waardoor dat kind kan worden opgevangen;

(4)  dat kinderen vanaf een IQ van 60 in het gewone onderwijs terecht moeten kunnen;

(5)  dat een zorgleerling niet de doelen van het gemeenschappelijk curriculum hoeft te halen – hij krijgt dan ook geen diploma, maar wel een ‘attest van verworven bekwaamheden’ waarmee hij naar een volgende jaar kan.

(6)  dat de leraren in de gewone scholen zullen worden ondersteund door experten om de kinderen met speciale behoeften op te vangen;

(7) dat de leraren in het gewone onderwijs de nieuwe uitdagingen aankunnen op voorwaarde dat ze in team werken;

(8)  dat daarbij een gedifferentieerde aanpak noodzakelijk is;

(9)  en, om een teveel aan differentiatie te vermijden: dat maatregelen die normaal voor zorgkinderen voorzien zijn, voor álle leerlingen tegelijk moeten worden toegepast.


Ik ben het daar allemaal niet mee eens.

(1)  Je moet kinderen niet eerst laten mislukken voor je ze het recht geeft op het onderwijs dat het beste bij hen past.

(2) Ouders die een positieve keuze maken voor het buitengewone onderwijs moeten niet afhangen van een instantie die het kind minder goed kent dan alle andere betrokkenen.

(3)  Ik begrijp ouders die hun kind, tegen het advies van de school, toch binnen het gewone onderwijs willen plaatsen. Maar als een school de redelijkheidsclausule inroept om een zorgkind te weigeren, dan staan er andere scholen klaar die het kind wél willen opnemen, met of zonder M-decreet.

(4) Een IQ van 60 is écht laag.

(5) Die maatregel laat toe dat leerlingen zonder diploma lager onderwijs in het beroepssecundair onderwijs komen, met andere woorden in de 1B-klas van mijn schoonzus, waar ze níet op hun plaats zijn, samen met andere leerlingen die daar wél op hun plaats zijn. Het gevolg is dat die onderwijsvorm aan waarde inboet.

(6)  Het is weinig efficiënt om gespecialiseerde kennis die geconcentreerd wordt aangewend in het buitengewone onderwijs – bijvoorbeeld kennis van logopedie –, in verdunde vorm over alle scholen uit te sproeien, door bijvoorbeeld experten van de ene school naar de andere te laten rijden om spraaklesjes te gaan geven aan één leerling. Of bedoelt men dat die experten moeten vergaderen met de leerkrachten? En dat er nascholingen komen? En dat er verslagen worden opgemaakt?

(7) Er zijn omstandigheden waar teamwerk een taak niet lichter maakt. Ik heb in een school gewerkt waar ik de enige leerkracht Nederlands was. Ik had geen vakgroep om mij te ondersteunen. Dat ging prima.

(8) De meeste klassen waar ik nu kom, zijn naar mijn smaak al voldoende gedifferentieerd van aanleg, interesse en gedrag. De opvoedkundige spreidstand waartoe ik daardoor verplicht word, is gezond en uitdagend en houdt me soepel, maar het moet nu ook geen ‘grand écart’ worden.

(9) Die specifieke maatregelen hebben ook welbepaalde nadelen. Krukken zijn heel nuttig voor iemand die slecht loopt, maar remmen de snelheid af van iemand die wel goed loopt. Je kunt voor een slechtziende een tekst afdrukken in een groot lettertype, maar dat maakt de tekst tegelijk ook onoverzichtelijker – een reden om die maatregel niet te veralgemenen.


_____________

* Van mijn oude vijand Els Keytsman, directeur van Unia (hier), weten we wél wat zich in haar hoofd afspeelt. In Knack van deze week (hier) was ze bijzonder strijdvaardig. Buitengewoon onderwijs wás segregatie. Het M-decreet moest integraal worden toegepast. Sleutelen aan de details zou een ramp zijn. Daarenboven was het M-decreet maar een eerste stap naar de volledige afschaffing van het buitengewone onderwijs. Wél gaf Keytsman toe dat er in de praktijk nog altijd “geen breed draagvlak voor het M-decreet” is, “niet in de publieke opinie, niet in het onderwijs, niet in de politiek”. Waar dan wel, vraag je je af. Ik vermoed ergens in de hogere sferen. Ook wond Keytsman zich erg op over veertig ouders – 40 – die hun zorgenkind in een of andere gewone school niet geplaatst kregen, waardoor ze naar een ándere gewone school moesten uitwijken. Maar bij de ouders van de ongeveer vijftigduizend kinderen – 50 000 – in het buitengewoon onderwijs zullen er ook wel enkele bij zijn, misschien zelfs meer dan veertig,  die wél tevreden zijn over de gespecialiseerde zorg die die hun kinderen krijgen.