donderdag 27 april 2017

Normaliter maak ik mij niet druk

     In zaken van taal ben ik verdraagzaam. Als een leerling een fout maakt, onderstreep ik die zonder boos te worden. Als op een klassenraad voor de zoveelste keer genotuleerd wordt dat Silke of Jeroen nog een kans maakt ‘mits een betere studiehouding’ blijf ik wezenloos voor mij uitstaren – wat ik anders ook doe. Dt-fouten, verkeerde voornaamwoorden, Engelse modewoorden, enkelvoudige werkwoorden bij meervoudige onderwerpen – ik kan me er met de beste wil van de wereld niet druk om maken. Wel word ik boos als een taalsocioloog komt vertellen dat al die fouten geen fouten zijn, want zoiets hangt af van de context, nietwaar, en het gaat om de communicatie, nietwaar, en taal verandert voortdurend, nietwaar. Maar dat is een andere materie.
     Er zijn op taalgebied eigenlijk maar drie kwesties die mij raken.
     Ik word ten eerste heel ongelukkig van een o-klank die als een halve eu-klank wordt uitgesproken. Vroeger hoorde ik die alleen als Brigitte Raskin op de radio kwam, maar nu ik zelf in buurt van Aarschot en Leuven woon, hoor ik die ook van echte mensen. Ik heb daarnet een paar Youtube filmpjes van Brigitte beluisterd en ik was aangenaam verrast dat ze zo weinig o-woorden gebruikte. Maar als ze ze gebruikte, sneed het door mijn ziel. Deur mijn ziel, zou Brigitte zeggen.
     Wat ik ook heel slecht verdraag is de uitdrukking ‘geld ophoesten’. Je hoort dat vaak op het Journaal of het Nieuws. ‘De Brusselaars moeten via hun stroomfactuur 100 miljoen aan groenestroomsubsidies … ophoesten’. Vreselijk. Nu zeg je wellicht: Clerick, dat is omdat je de uitdrukking zo vaak gehoord en gelezen hebt, dat je ze als cliché bent gaan verachten. Maar zo is het niet gegaan. Het is helemaal anders gegaan. Ik heb die uitdrukking gehaat vanaf de eerste keer dat ik ze hoorde. ‘Ophoesten,’ dacht ik, ‘wat lelijk. Hopelijk wordt het geen mode.’ Meude, zou Brigitte zeggen.
     En dan heb je de groeiende groep mensen die het woord normaliter uitspreken alsof het een inhoudsmaat is, terwijl de correcte klemtoon niet op de voorlaatste lettergreep maar op de voorvoorlaatste lettergreep komt. Dat je in het Latijn bijwoorden kunt vormen met de uitgang ‘iter’ leerden we al in de zesde klas, die nu om onbegrijpelijke redenen de eerste klas wordt genoemd. Fortis – fortiter, felix – feliciter en dus ook normalis – normaliter. Een vriend van mijn erg linkse jeugdjaren probeerde zich indertijd binnen te werken in de vakbond en kreeg daar te maken met verantwoordelijken en secretarissen die minder hadden doorgeleerd dan hijzelf. ‘Een van hen zegt altijd normaliter’, vertrouwde hij mij toe. Hij grinnikte daarbij, want hij grinnikte vaak.
     ’t Is natuurlijk geen schande als je, zoals die vakbondssecretaris, niet doorgeleerd hebt. Maar dan is het wel beter om moeilijke woorden te vermijden waar gemakkelijke volstaan. Je zegt dan beter: ‘normaal’ of ‘normaal gesproken’. Als je die moeilijke woorden toch gebruikt, dan gebruik je ze voor je het weet verkeerd en word je door geestige toneelauteurs belachelijk gemaakt. Ik denk nu aan de goede Dogberry van Much Ado About Nothing of de aan brutale Sganarelle van Le médecin malgré lui.
     Enkele jaren geleden hadden we op school een spreker die een nieuw strategisch plan kwam voorstellen. Die spreker had dat meer gedaan. Hij stelde zichzelf voor, sprak van zijn schooljaren, zijn studies, zijn kinderen, zijn beroepservaring en wat nog meer. Hij prees onze school uitvoering. Maar nu was de tijd aangebroken, vond hij, om de stap te maken van een ‘uitstekende school’ naar een ‘relevante school’. En hij voegde eraan toe: ‘Normaliter kan dat voor een school met zulke uitmuntende collega’s geen probleem zijn.’
     Dat deed voor mij, zoals men zegt, de deur dicht. Dat ‘relevant’ was al op het randje; dat ‘normaliter’ was erover. Ereuver, zou Brigitte zeggen.

zondag 23 april 2017

Vriend Wouter in de Bakkerskrant

     Als ik op zondag verse broodjes haal bij de bakker, krijg ik er gratis een krant bij die De Zondag heet. Daar staat dan een interview in met Zuhal Demir of Bart De Wever, en de week erop lees ik in andere kranten commentaar op dat interview. Deze week was het de beurt aan Wouter De Vriendt (Groen).
     Wouter, lees ik, draagt een mooi pak, komt uit Oostende en zou graag burgemeester worden van die stad. Dat is mooi. Zoals mijn buurman zegt: je moet in het leven iets hebben om van te dromen. Als defensiespecialist is Wouter tegen de vervanging van onze gevechtsvliegtuigen. Dat doet mij denken aan de oude anarchistische slogan: Geen nieuwe bommen zolang de oude niet opgebruikt zijn! Maar misschien heeft Wouter gelijk en hebben wij inderdaad te veel van die dure vliegtuigen. Ik weet het niet.
     Onze vriend heeft ook een standpunt over de vluchtelingen in ons land. Hij wil er meer, ‘maar zonder te overdrijven’. Syrische vluchtelingen beter opvangen in eigen regio – Libanon, Jordanië, Turkije – vindt hij geen oplossing want “vandaag wordt al 95 procent van alle vluchtelingen in eigen regio opgevangen”. Dat vind ik een raar argument. Waarom is die 95 procent nu een reden om opvang in eigen regio te verwerpen? Je zou denken dat het omgekeerd is. Dat net omdat 95 procent van de vluchtelingen in miserabele kampen in eigen regio verblijft, we 95 procent van ons vluchtelingenbudget naar die kampen moeten sturen om ze wat minder miserabel te maken. Heb ik iets gemist?
     Aangezien het toch over vluchtelingen gaat, wil Wouter nog iets kwijt over Theo Francken. Francken wekt ten onrechte de indruk, zegt hij, dat ‘België overspoeld wordt door vluchtelingen’. Daar stelt onze groene jongen één cijfer tegenover: ‘Ons land heeft op twee jaar tijd 25 000 vluchtelingen erkend. Dat is 0,25 procent van de bevolking.’
     Is 25 000 veel? Dat soort vragen stelde Jan altijd toen hij nog heel klein was. Is duizend veel? Is tienduizend veel? Is honderdduizend veel? Ik antwoordde dan altijd: dat hangt ervan af. Misschien moet ik dat nu ook zeggen: dat hangt ervan af. Er zijn zoveel omstandigheden waar je rekening mee moet houden. Er is zoveel dat onzeker is. Eén ding is wel zeker: met zijn 25 000 heeft Wouter het kleinst mogelijke cijfer gekozen dat voorhanden was, namelijk: dat van het aantal asielzoekers dat nu al een erkenning heeft gekregen. Je kunt ook andere cijfers geven voor die twee jaar:
Of, in breder verband
     Al die cijfers hebben hun nadelen. Een kleine helft van de 65 000 asielaanvragers bijvoorbeeld zal niet worden goedgekeurd. Dan is Wouter streng: ‘Wie geen recht heeft op asiel moet terug.’ Maar ik geloof niet dat die aanvragers dat ook zo zien. Misschien hebben ze het interview met Wouter niet eens gelezen en blijven ze gewoon hier, zonder papieren.
     Wat ik mooi vind aan Wouter is zijn openheid. Je moet over andere partijen ook eens wat positiefs vertellen, zegt hij. Goed. Dan zal ik eens iets positiefs vertellen over Wouter.  Wouter vindt dat er teveel bullebakken in de politiek zitten. Hij bedoelt niet Kristof Calvo maar mensen als Zuhal Demir en Liesbeth Homans. Die moeten eruit. En hij ondersteunt zijn standpunt met een aardige vergelijking: ‘Wie in de klas te veel lawaai maakt, wordt eruit gezet.’
     Met dat laatste ben ik helemaal eens.

zondag 16 april 2017

Een godsdienst van de Liefde

    Ik lees zoals een Romein at – al liggend. In bed en in bad doe ik dat elektronisch, op een zogenaamde e-reader, maar overdag, op de bank, heb ik liever een boek met papieren bladzijden. Zopas heb ik Augustus van John Williams uitgelezen, voor de helft in het Nederlands op de e-reader en voor de helft in het Engels uit een papieren boek.
     Augustus is een erg goede brievenroman terwijl ik mijn leerlingen altijd vertel dat na Richardson, Wolff & Deken en Laclos geen goede brievenromans meer worden geschreven. In het begin van het boek is Gaius Octavius, later Augustus, een geslepen politicus die vooral sterk is in het veinzen van naïviteit en morele verontwaardiging. Je leest met plaatsvervangend genoegen hoe hij zijn domme tegenstanders – Brutus, Cicero, Marcus Antonius – te slim af is. Later in het boek wordt hij een melancholische filosoof.
     In zijn laatste levensjaren heeft de oude keizer veel nagedacht over een nieuwe godsdienst, zonder al te veel Goden en Godinnen en ook zonder Platoonse mystiek. Het zou een eenvoudige godsdienst moeten zijn, een godsdienst van de Liefde. Zoiets hing toen blijkbaar in de lucht. Augustus onderscheidt vier soorten liefde: de geslachtelijke liefde, de vriendschap, de liefde van ouders voor hun kinderen en de liefde voor een ideaal. Van die laatste zegt hij dat het ‘de meest zuivere vorm van liefde is, omdat zij gericht is op een object dat het absolute benadert. En toch kan het in sommige opzichten de meest basale soort liefde zijn. Want als we de hoogdravende retoriek weglaten, dan blijft er eenvoudigweg een liefde voor macht over.’
     Zulke onbegrijpelijke stukjes kwam ik in de Nederlandse versie wel vaker tegen. Waarom schrijft de auteur ‘En toch’? Is er dan een verschil tussen een liefde die ‘zuiver van vorm’ is en een liefde die ‘basaal’ is?  De oplossing  bij dergelijke onbegrijpelijke stukjes was om de Engelse tekst erbij te nemen. ‘… the highest form of love ... And yet in some ways it may be the basest form of love.’
     ‘The basest form of love’ … niet de ‘meest basale vorm van liefde’, maar de smerigste vorm van liefde. De verachtelijkste vorm, de gemeenste vorm, de boosaardigste vorm, de laagste vorm desnoods. Dat is wat Augustus zegt over de liefde voor macht.

zaterdag 15 april 2017

Terreur - de expert en de gewone burger

     Wij zullen in de komende jaren, helaas, nog vaak stukken lezen waarin een socioloog of een politicoloog iets zegt over het erg kleine risico op terreuraanvallen en het erg grote risico op obesitas en verkeersongelukken. Zo’n professor of docent zal dan laten verstaan – maar zal het niet met zoveel woorden zeggen – dat we minder middelen moeten besteden aan terreurbestrijding en meer aan die andere bedreigingen die zoveel gevaarlijker zijn. Voor mijzelf weet ik het niet. Over obesitas bijvoorbeeld maak ik mij de laatste tijd weinig zorgen aangezien ik enkele jaren geleden flink vermagerd ben.
     Nu geloof ik niet dat de stukjesschrijvende socioloog of politicoloog veel expertise heeft in risicoanalyse en risicobeheersing. Hij deelt gewoon het aantal terreurslachtoffers in een land door het aantal inwoners en houdt dan een cijfer over met een kleine teller en een grote noemer. Dat noemt hij het risico. Maar hij is niet goed op de hoogte van indirecte gevolgen. Hij weet niet welke factoren het risico doen toenemen of afnemen. Hij kent de budgetten van terreur- en obesitasbestrijding amper. Hij kan de economische impact niet berekenen van een paar kort na elkaar ontplofte vliegtuigen.
     Daar tegenover staat de echte expert. Dat is de man die al die dingen wel weet. Die moet toch ook bestaan. Waar zou zo’n échte expert de middelen aan besteden: obesitas of terreur? Het antwoord is wellicht … obesitas. Een zekere Paul Slovic heeft dat onderzocht en Daniel Kahneman brengt verslag uit van dat onderzoek in zijn wondermooie boek Ons feilbare denken. Slovic meent dat experts in hun oordelen en voorkeuren aangaande risico’s vaak afwijken van die van andere mensen. Hij wijst erop

“dat experts de risico’s vaak meten aan de hand van het aantal verloren mensenlevens (of levensjaren), terwijl het grote publiek een fijner onderscheid maakt, bijvoorbeeld tussen een ‘goede’ en ‘slechte’ dood of tussen willekeurig, toevallig overlijden en overlijden door vrijwillig uitgevoerde activiteiten (zoals skiën). Dergelijke legitieme vormen van onderscheid worden in de statistieken meestal genegeerd. Slovic concludeert op basis van zijn observaties dat het grote publiek zich een rijker beeld van riscico’s kan vormen dan de experts.”*
[Aan die fijne onderscheiden van het grote publiek zou ik nog het verschil toevoegen tussen ‘passieve’ en ‘boosaardige’ bedreigingen. Misdaad en terreur horen bij die laatste categorie.**]

     Naar wie moet een verstandig bewindsman nu luisteren: naar de expert die een ‘juistere’ kijk heeft op de cijfers of naar de gewone burger die een ‘rijker’ beeld heeft van de risico’s? Slovic bepleit een tussenoplossing waarbij ‘beide partijen de inzichten en kennis van de andere partij respecteren’. Dat is redelijk. Maar in elk geval moet een verstandig beleid ten minste rekening houden met het grote publiek, ook als het irrationeel reageert.
     Ikzelf behoor tot dat grote publiek. Veronderstel dat morgen moslimterroristen erin slagen om, door betere organisatie van hun kant of door verslapte waakzaamheid van onze kant, jaarlijks tien vliegtuigen vanop Zaventem op te blazen. Een expert kan dan netjes uitrekenen dat de kans om opgeblazen te worden niet meer is dan 1 op 16 000, dus vergelijkbaar met de kans die ik jaarlijks loop om om te komen in een verkeersongeval. Toch krijg je mij dan met geen stokken meer in een vliegmachine. Ik ben nu al niet erg op mijn gemak als ik vlieg.
     Een beleid moet daarenboven niet alleen verstandig zijn maar ook een klein beetje democratisch. Het is misschien best mogelijk om iets te doen aan het onveilig skiën. In een slecht jaar vallen tot 100 dodelijke slachtoffers in de Alpen. Daar kan iets aan gedaan worden door meer voorlichting, betere en verplichte opleiding, meer controle, grote infrastructuurwerken. Dat kan aardig wat kosten. Is het dan billijk om de niet-skiënde belastingbetaler mee te laten betalen in de kosten? Het mooiste is dat er in zo’n geval een nieuwe partij opkomt voor Veilig Skiën. Dan kunnen de stemmen worden geteld. Zo kunnen de sociologen en politicologen zich ook verenigen in de partij Minder Geld Voor Terreurbestrijding. Heel veel stemmen zullen ze niet halen, geloof ik.  

*  De samenvatting is van Kahneman, hoofdstuk 13. – Het boek verscheen eerst in het Engels onder de titel  Thinking, Fast and Slow.
** Zie Charles Murray, In Pursuit of Happiness, hoofdstuk 5. Murray spreekt van ‘passive threats’ en ‘predatory threats’.

vrijdag 14 april 2017

Plaatsgebrek in de hel

Groucho Marx, links onder, demonstreert hoe je misbruik
kunt maken van een overvolle trein.
     Verleden zondag, zo las ik in het Nieuwsblad, was het drummen op de trein van Blankenberge naar Genk. Op één dubbeldekse wagon zaten en stonden 200 reizigers, waar er maar plaats was voor 172. Sommige reizigers werden onwel en er werd aan de noodrem getrokken. Die toestand ontlokte een reactie aan Jan Vanseveren van de reizigersvakbond TreinTramBus.  ‘Reizigers worden te vaak in de kou gezet,’  zei Jan.
     Kijk, dat is nu het nadeel van dode metaforen waar ik mijn leerlingen zo voor waarschuw. Die reizigers hadden helemaal geen kou. Dat weet ik uit ervaring. Ik heb eens acht uur doorgebracht in een overvolle trein van Parijs naar de Spaanse grens. Alhoewel die trein niet dubbeldeks was, zaten en stonden er in mijn wagon wel duizend reizigers. Of dat dacht ik toch. Naar het toilet gaan was schier onmogelijk. Je moest je met veel gezwoeg tussen de lichamen wurmen. Om één meter vooruit te komen had je een half uur nodig. En dan nog eens een half uur om de toiletdeur open en dicht te krijgen. En dan die hitte! Toch hebben we het er in onze wagon allemaal levend vanaf gebracht. Van de andere wagons weet ik het niet.
     Wie het ‘Portret’ van James Joyce gelezen heeft zal zich de beschrijving van de hel nog herinneren, die begint met de onheilspellende woorden: ‘De hel is een benauwde en donkere en kwalijkriekende gevangenis waarvan de muren vierduizend mijl dik zijn.’ En binnen die muren zijn de verdoemden, vanwege hun grote aantal, zo opeengehoopt, dat ze zich niet in het minst kunnen veroeren. Ze kunnen niet eens aan hun neus krabben als die jeukt. Ze kunnen niet eens, zegt Sint-Anselmus, ‘een worm verwijderen die aan hun oog knaagt’.
     Maar ’t is er wel warm. De verdoemden worden niet in de kou gezet.

dinsdag 11 april 2017

Een socioloog verklaart onze terrorismeangst

Van links naar rechts: Laachraoui, El Bakraoui en Abrini. Geen van hen roept
 bij mij het beeld op van een ‘sneeuwpop’ die ‘ons sneeuwballen toewerpt’
    Onder sociologen, het is bekend, lopen niet veel stilisten rond. François Levrau* van de Antwerpse universiteit probeert er ten minste een te zijn. In een stuk voor Knack.be vergelijkt hij terrorismeangst met een ‘zwarte aal die menig grijze hersenmassa binnendringt’. Ik vind die ‘aal’ wat groot voor onze hersenen maar kom, het moeten niet altijd wormen zijn die aan ons hart knagen. Wat later omschrijft Levrau de angst als ‘een naakt kaal spook dat naarstig op zoek is naar een laken’. Hoe zou een naakt spook eruitzien, vraag je je af, ónder zijn laken? En voor de terrorist heeft Levrau de volgende vondst: de terrorist is een ‘sullige sneeuwpop’ die in onze verbeelding is ‘uitgegroeid tot een yeti’. Dat beeld van die sneeuwpop vind ik het minst geslaagde, want een regel ervoor heeft Levrau nog geschreven dat de terrorist ons een ‘sneeuwbal toewerpt’. Ten eerste gooit een sneeuwpop geen sneeuwballen – wij gooien sneeuwballen náár de sneeuwpop – en ten tweede doet dat beeld van die gooiende en werpende terrorist te veel denken aan wat de ‘sullige’ figuur wél gooit. Ik denk niet dat dat de bedoeling was van onze socioloog.
     Levrau probeert te achterhalen waarom we zo bang zijn van terroristen. Of preciezer: waarom we meer angst hebben van terroristen dan van milieuverontreiniging, van te veel zon, van een kortlopend arbeidscontract, van de geleidelijke neergang van de planeet, van de afbouw van de welvaartstaat, van kanker, en uiteraard, van verkeersongevallen. Want de kans dat we omkomen door een terroristische bom is klein. De kans is veel groter dat we omkomen, misschien niet door een kortlopend arbeidscontract, maar dan toch zeker door een verkeersongeval of door kanker.
     De eerste verklaring van Levrau is de volgende. Verkeersongevallen en kanker zijn concreet, spreken niet tot de verbeelding, zijn onderdeel van ons dagelijkse leven. Maar terrorisme is nieuw, sensationeel, irrationeel, onbekend en abstract. Dat zijn allemaal kenmerken die de mens als een ‘angstig beestje in zijn holletje doen kruipen’. Je zou dat een verklaring van binnenuit kunnen noemen.
     Levrau heeft ook een tweede verklaring, een verklaring van buitenuit. Er bestaan namelijk slechte mensen die het terrorisme als een ‘geschenk’ beschouwen om de ‘ganse moslimgemeenschap bij voorbaat verdacht te maken’. Er bestaan kwaadwillige media die het terrorisme opblazen – c’est bien le cas de le dire – om de kijkcijfers – nou ja – op te blazen. En er is een boosaardig politiek bestel dat het terrorisme en de terrorismebestrijding gebruikt om het ‘electoraat te paaien’.
     Met enig vernuft brengt Levrau zijn twee verklaringen samen. Het angstige beestje dat zo gemakkelijk in zijn holletje kruipt is eigenlijk bang van alles, zowel van kanker als van een kortlopend arbeidscontract. Aan sommige van die angstbronnen, dat arbeidscontract bijvoorbeeld, zou hij zelf iets kunnen doen door ‘opstandig te zijn op het sociaaleconomische front’. Maar het beestje laat zich liever comfortabel in slaap wiegen. Het laat zich door het bestel een abstracte angst ‘aanpraten’ die tegemoet komt zowel aan zijn sensatielust als aan zijn gemakzucht. Sidderen voor het terrorisme is zoveel gemakkelijker dan de sociaaleconomische strijd voeren.
     Ik heb Levraus verklaring hier op mijn eigen manier samengevat. Ik hoop dat ik dat op een rechtvaardige manier heb gedaan want ik vind zijn hele premisse onzinnig. Als ik om me heen kijk, sterker, als ik naar mijzelf kijk, dan zie ik niet zoveel angst voor het terrorisme**. Dát is niet de emotie die terrorisme – op de huidige schaal – oproept. Bij zachte mensen zie ik vooral verdriet om de slachtoffers en bij het hardere type tref ik vooral verontwaardiging aan. Mensen kunnen zich bij dat terrorisme niet neerleggen. Ze willen dat er maatregelen worden genomen en dat schuld wordt uitgesproken. Welke maatregelen dat zijn, daar kan een rationele discussie over worden gevoerd. Hoe breed of hoe smal de schuld moet worden begrensd, daar kan over worden geargumenteerd***. Maar dát er iets moet gebeuren komt tegemoet aan een diepe emotionele en ethische nood die geen socioloog kan wegredeneren.
     Levrau definieert terrorisme als ‘iets wat ons naar grote waarschijnlijkheid niet zal treffen’. Voor elk van ons afzonderlijk is dat juist. Maar de uitspraak is veel minder geruststellend dan Levrau schijnt te denken. Ergens in zijn tekst somt hij kort na elkaar enkele vragen op die de burger zich stelt. Zo’n opeenstapeling van vragen is een eerbiedwaardige stijlfiguur. Hij eindigt met de vraag: ‘Wat bezielt die terroristen toch dat ze, in het wilde weg, onschuldige burgers doden?’ Mag ik Levrau de raad geven die men aan beginnende advocaten geeft: stel nooit een vraag waar je zelf het antwoord niet op weet of waar je antwoord niet op wilt weten.

 Levrau studeerde Klinische Psychologie en Moraalwetenschappen en promoveerde tot Doctor in de Sociale Wetenschappen. ‘Het leeuwendeel van zijn onderzoek werd verricht bij het Centrum voor Migratie en Interculturele Studies (Universiteit Antwerpen),’ lees ik hier.
** Waar ik wél bang voor ben, is een mogelijke toename van Islamfundamentalisme, zoals ik  hier al schreef.
*** Hoe groot de rol is van de Islam bij de recente aanslagen is een vraag die ik hier graag uit de weg ga. Met het mes op de keel zou ik zeggen: groter dan die van het katholicisme bij de aanslagen van de IRA in de jaren 70, 80 en 90.

Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.

zondag 9 april 2017

Tom Lehrer

     Eer-eergisteren schreef ik een stukje over de regel van drie. Ik eindigde dat stukje met een terloopse verwijzing naar een lied van de Amerikaanse cabaretier Tom Lehrer. Dat was link van mij. Het gaf de indruk dat ik die Tom Lehrer al heel mijn leven ken. Dat ik, bij wijze van spreken, eind de jaren vijftig wel eens een optreden van hem heb bijgewoond in een Bostonse nachtclub. Niets is minder waar.
     Ik vernam het bestaan van Tom Lehrer eerst op 26 december 2010. Op 25 december kreeg ik van mijn vrouw Deel 5 van het Verzameld Werk van Karel van het Reve en op 26 december las ik daaruit in één ruk de afdeling ‘Ongebundeld Werk’, want de rest kende ik al. Die afdeling bevatte een transcriptie van een radio-uitzending waarin Karel zijn lievelingsmuziek voorstelde. Daar stonden, tussen nummertjes van Mozart, Schubert en Haydn, twee liederen van Tom Lehrer. Hé, dacht ik, Tom Lehrer? Karel had die in Amerika leren kennen. Wij denken bij Karel altijd aan dat jaar dat hij in Rusland heeft gewoond en wij vergeten dat hij ook een jaar in Amerika verbleef waar hij misschien nog meer heeft opgestoken dan in Rusland.
     Wat later ontdekte ik de blog Victa causa van Marc Vanfraechem. Daar stonden honderden stukjes op. Als het over muziek ging, was het vaak Georges Brassens die ter sprake werd gebracht. Maar in vijf van die stukjes ging het over Tom Lehrer. Hé dacht ik, Tom Lehrer! Marc beweerde dat hij alle nummers van Lehrer uit het hoofd kende.
     Het mooiste moest nog komen. Dat jaar kwam een leerling voor de klas het boek Lady Chatterley’s Lover voorstellen. Wie die leerling was, weet ik niet meer, maar het was een jongen. Ik geef D.H. Lawrence altijd op aan jongens, zoals ik Jane Austen altijd opgeef aan meisjes. Een jongen dus. En die jongen vertelde over de controverse rond het boek, en over de rechtszaken in Groot-Brittannië en Amerika, en langs zijn neus weg, zei hij ook nog dat Tom Lehrer het boek vermelde in zijn liedje Smut. Hé, dacht ik, dat heeft hij van Wikipedia. En ik zocht diezelfde avond nog op wat Wikipedia mij over Tom Lehrer kon vertellen en welke van zijn liedjes op YouTube te vinden waren. Ze bleken er allemaal op te staan.
     Eerst Wikipedia. Thomas Andrew (Tom) Lehrer was een slimme New-Yorkse jongen die op zijn vijftiende al naar Harvard trok om er wiskunde te studeren – later te doceren – en er piano te spelen op feestjes. Op die feestjes baarde hij opzien. In 1953 bracht hij zijn eerste plaat uit in eigen beheer, maar door campusoptredens en mond-aan-mondreclame werd hij na enige tijd beroemd in heel Amerika. Vanaf midden de jaren zestig werd zijn succes minder. Hij is een poosje bij het leger geweest en heeft een poosje op Los Alamos gewerkt, waar nucleair tuig ontwikkeld werd. Zijn doctoraat heeft hij nooit afgewerkt.
     Dan YouTube. Wat kwam ik daar te weten? Het genre van Tom Lehrer bleek de parodie en de satire. Hij gebruikt daarvoor brave muziek met stoute teksten, teksten die clichés op hun kop zetten en op een luchtige manier taboeonderwerpen behandelen. Lehrer pasticheert de muziek van een romantische musical en bezingt daarbij een verliefd paartje dat elke zondag naar het park trekt om duiven te vergiftigen. Of hij zingt over Agnes, Jim, Louise, Harry en Marie die elkaar om beurten ‘iets’ doorgeven. Wat dat ‘iets’ is, zegt Tom niet, maar een luisteraar die de wereld kent, begrijpt dat het om een geslachtsziekte gaat.
     Soms zijn de teksten meer ‘kritisch’ dan stout. Dan zingt Tom over de vervuiling van lucht en water, over de commercialisering van Kerstmis, over het leger en uiteraard over De Bom. Wij zijn tenslotte in de jaren zestig en eigenlijk heeft Tom in zijn Los Alamos-tijd een heel klein beetje meegewerkt aan die Bom. Dan is het maar gepast dat hij er liedjes over zingt.
     Een kunstgreep die Tom vaak toepast is die van grappige rijmwoorden.  Merry rijmt op disentery, li’l ol’ me rijmt op Robert E. Lee,  try an’ hide rijmt op cyanide en Oedipus Rex rijmt op Freud’s index. En misschien de mooiste: Harvard laat Tom rijmen op discovered. Hij spreekt daartoe de woorden uit als Hahvard en discahvered. Ook schrikt hij er niet voor terug om sombrero te laten rijmen op a pair o’ waarbij de volgende regel dan verdergaat met Levis.
     Op zijn optredens praatte Lehrer zijn liedjes aan elkaar met cynische teksten waarbij hij beurtelings zichzelf en zijn publiek op de hak nam. Dat levert mooie oneliners op. Ze doen soms denken aan Woody Allen.
  • Ik heb niet graag dat mensen denken dat ik moet zingen om mijn brood te verdienen. Ik ben een wiskundige. Als ik wilde verdiende ik misschien wel 3 000 dollar per jaar, alleen door les te geven.
  • De charme van een folksong zoals ik er nu een zal brengen, is dat iedereen mee kan zingen. Dus als er iemand mee wil zingen, hoepel op.
  • Natuurlijk kom ik op voor de goede zaak. Mijn goede zaak is smeerpijperij.
  • Door mensen als Mahler, Gropius en Werfel besef je hoe weinig je bereikt hebt in het leven. En Mozart. Toen Mozart mijn leeftijd had, was hij al twee jaar dood.
  • In die moderne toneelstukken zeuren de personages aan één stuk door over de moeilijkheid om met elkaar te communiceren. Ik vind, iemand die moeilijk kan communiceren, het minste wat hij kan doen is zijn mond houden.
  • We moeten onze naaste liefhebben. Ik weet dat er mensen zijn die hun naaste niet liefhebben  - ik haat zulke mensen.
  • Weet je nog de burgeroorlog tegen Franco? Hij won alle veldslagen, maar wij hadden alle goede liedjes.
     Vandaag is het veel te mooi weer, maar als je op een regenachtige zondag niks beters te doen hebt, dan kun je die liedjes van Tom Lehrer eens op YouTube gaan beluisteren. De mooiste zijn die van de eerste plaat ‘Songs by Tom Lehrer’. De tweede plaat, ‘More by Tom Lehrer’ is minder. Op de derde plaat ‘That Was The Year That Was’ staan weer een aantal onmisbare nummers.  
     Hiermee, beste lezer, hebt u al een mooie afspeellijst in handen*. Een handige link is die van Alexander Shektman waar bijna alle liedjes na elkaar kunnen worden afgespeeld terwijl de tekst op het scherm van je computer of mobiele telefoon verschijnt. Dat is erg handig voor als je wat hardhorig bent, of niet zo goed Engels kent, want Tom zingt soms erg snel, gebruikt rare woorden, of spreekt die op een rare manier uit. Als je als student of van beroepswege met scheikunde bezig bent, mag je zeker het liedje The Elements niet missen. Het bevat een onfeilbaar mnemotechnisch middeltje om nooit meer het periodiek stelsel te vergeten.

 
* Songs by Tom Lehrer: Fight Fiercely, Harvard - The Old Dope Peddler - Be Prepared - The Wild West Is Where I Want to Be - I Wanna Go Back to Dixie - Lobachevsky - The Irish Ballad - The Hunting Song - My Home Town - When You Are Old and Gray - I Hold Your Hand in Mine - The Wiener Schnitzel Waltz. More by Tom Lehrer: The Elements. That Was The Year That Was: National Brotherhood Week - The Folk Song Army - Smut - New Math - Wernher Von Braun - The Vatican Rag.

woensdag 5 april 2017

Inzichtelijke wiskunde en trucjes

In de jaren 90 ging het er hard aan toe in de leerplancommissie wiskunde. Twee professoren wilden de regel van drie uit het leerplan schrappen.  Raf Feys wilde de regel behouden. Nu heb ik Raf Feys één keer op een congres bezig gezien en alleen al aan de manier waarop hij naar het podium rende en de katheder vastgreep, wist ik dat je aan hem een geduchte tegenstander of medestander had. De professoren zullen het niet gemakkelijk hebben gehad, maar ze waren met hun tweeën en ze kregen hun zin. De regel van drie werd geschrapt. Toen mijn zoon op de lagere school was, moest hij vraagstukken oplossen met iets wat op de regel van drie leek, maar toch de regel van drie niet was. Het was een veel langer meerstappenplan dat ik niet helemaal begreep.
     Met de regel van drie zelf heb ik trouwens ook altijd last gehad. Vijf voetballen kosten 70 euro. Hoeveel kosten twaalf voetballen. Ik weet dat je twee van die getallen moet vermenigvuldigen en dan delen door het derde, maar welke getallen staan ook al weer in de noemer en welke in de teller? Is het

     Ik geloof dat het een van de twee laatste is. Want ik moet die vijf voetballen ‘herleiden’ tot één voetbal en dat doe ik door die zeventig te delen door vijf, dus moet zeventig in de teller en vijf in de noemer. Dat ‘herleiden tot één’ was een nuttig trucje*.
     Die regel van drie komt mij nog dagelijks van pas als ik de punten van mijn leerlingen moet uitrekenen. Stel: een leerling behaalt dertien punten op een totaal van zestien. Dan is het wat knullig om op het rapport te schrijven: 13/16. Ik wil dat liever uitrekenen op 20. Ook nu weer heb ik een trucje. Ik deel het kleinste cijfer door het grotere cijfer en daarna vermenigvuldig ik met het nieuwe puntentotaal. Het werkt altijd. Dus:


    Welnu, het waren precies die trucjes die de professoren uit het onderwijs weg wilden. De leerlingen moesten door inzichtelijk redeneren zelf een aanpak bedenken om te berekenen hoeveel twaalf voetballen kostten. Maar volgens mij hadden die professoren het fout. Bij mij in elk geval kwam het inzicht altijd pas nadat ik eerst vele keren de trucjes blindelings had toegepast. De meester deed een oefening voor aan het bord. Daar hoorde een uitleg bij, waar ik weinig van begreep. Daarna deden we zelf enkele oefeningen waarin de voetballen vervangen waren door ballonnen of knikkers of chocolade-eieren. We eindigden telkens met eenzelfde geruststellende breuk met eenzelfde geruststellende vermenigvuldiging in de teller.
      Daarna deed de meester weer een oefening voor, met weer ongeveer dezelfde uitleg. En daarna deden wij weer enkele oefeningen. En dan plots, in een flits, begreep ik de uitleg en was daar het inzicht waarom we die drie stappen deden en waarom we moesten herleiden tot één en waarom dat door een deling moest gebeuren enzovoort. Dat inzicht verdween dan weer de volgende dag, en kwam dan weer terug en verdween weer en kwam weer terug. En toen bleef het voorgoed –  hopelijk.
    De discussie die in ons land plaats vond tussen Raf Feys en de professoren, werd in de Verenigde Staten al veel vroeger gevoerd. Tom Lehrer, zelf een wiskundeprofessor, maakte er een vrolijk lied over. Ik geloof  dat Tom aan de kant van Raf staat. Ik beluister het lied wel eens als ik een opkikker nodig heb. Als ik het een poosje niet gehoord heb, moet ik dan hardop lachen. U, beste lezer, kunt het
hier beluisteren.


* De omgekeerde regel van drie heb ik maar goed onder controle gekregen toen ik in het middelbaar het trucje leerde van ‘X als onbekende’. Tien mannen graven een waterpunt in vier dagen. Hoeveel dagen hebben acht mannen nodig. Toen ik dat leerde schrijven als 10 x 4 = 8 x X waren mijn problemen opgelost. Want als je die acht nu verplaatst naar het linkerlid van de vergelijking komt ze in de noemer terecht. Ook dat was een handig trucje.

(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)

dinsdag 4 april 2017

Mijlemans spreekt zichzelf tegen

Zijn onze F-16-piloten cowboys van de lucht?
    Mensen zoals ik die overal een mening over hebben, graag discussiëren en af en toe een stukje schrijven, spreken zichzelf vaak tegen. We letten niet goed op, we wegen met tweeërlei weegsteen of we formuleren niet nauwkeurig genoeg. Vooral tegen dat laatste is geen kruid gewassen. Als je echt helemaal nauwkeurig wil zijn in je argumentatie moet je wiskundige symbolen gaan gebruiken, of, omgekeerd, héél veel woorden, om elke nuance vast te leggen en elk misverstand uit te sluiten. Ik lig er soms wakker van.
     Iemand die er volgens mij niet wakker van ligt, is Peter Mijlemans van het Nieuwsblad. Neem nu zijn Commentaar van vandaag. Mijlemans schrijft over de luchtaanval van 17 maart op Mosul. Er zouden daarbij 140 burgerslachtoffers gevallen zijn. Misschien waren er Belgische F-16’s bij betrokken. Veel is nog onduidelijk*.
     Daarom heeft defensieminister Steven Vandeput gisteren, samen met de legerstaf, meer uitleg gegeven aan een parlementaire commissie. Dat gebeurde achter gesloten deuren, wat een veel gebruikte werkwijze is als het om militaire informatie gaat. ’t Is een tussenoplossing tussen volledige openbaarheid en volstrekte geheimhouding. Een beperkte groep parlementariërs – ook van de oppositie – krijgt van de regering precieze maar vertrouwelijke informatie. De bevolking zelf krijgt alleen een algemene stand van zaken, zonder details over militaire technologie, strategische taakverdeling of veiligheidsprotocollen.
     Mijlemans gaat daar niet mee akkoord. De burger moet álle informatie krijgen**. Want alleen als de burger álle informatie krijgt kan hij beslissen of hij zich al dan niet ‘verzoent met de militaire missie van de regering’.
     Ontdaan van zijn schrille overdrijving – álle informatie – valt wel wat te zeggen voor Mijlemans zijn standpunt. Voor de burger kan het een verschil maken of onze F-16’s tot nog toe alleen ISIS-doelwitten hebben getroffen dan wel ook onschuldige slachtoffers hebben gemaakt. Voor de burger kan het een verschil maken of onze piloten zich als roekeloze cowboys van de lucht gedragen dan wel nauwgezet allerlei veiligheidsprotocollen volgen***. Voor de burger maakt het zeker een verschil of die onschuldige slachtoffers nu wel of niet gevallen zijn.
     Alleen: twee alinea’s daarvoor heeft Mijlemans het tegenovergestelde beweerd. ‘Het is – als het bevestigd wordt – een ongeluk dat eraan zat te komen … Als het loos alarm is, is het een kwestie van tijd voor het echt gebeurt, hoe streng de veiligheidsprotocollen ook zijn. Slimme bommen zijn niet zo slim dat ze niet ontploffen als ze, aangekomen bij hun doelwit, plots zien dat er tussen de slechten ook veel of enkele goeden zitten.’
     De burger moet met andere woorden helemaal niet de precieze technische, militaire en cijfermatige details kennen van de verwoesting in Mosul voor hij zich al dan niet verzoent met de militaire missie van de regering. Het volstaat dat hij de eerste alinea van Mijlemans leest die haarfijn uitlegt dat het treffen van burgers altijd tot de mogelijkheden behoort en volgens hem zelfs onvermijdelijk is.
     Tweeërlei weegsteen? Onnauwkeurige formulering? Ik gok op onoplettendheid.
 

* Het lijkt voorlopig nog onduidelijk of de slachtoffers vielen onder Belgische bommen dan wel onder Amerikaanse, Franse, Nederlandse, Britse of Deense. Ik zou als regering zo’n informatie nooit vrijgeven. Hetzelfde Nieuwsblad waarin Mijlemans zijn commentaar schrijft, bevat trouwens een artikel dat een heel andere mogelijkheid aandraagt. Daar wordt de mogelijkheid besproken dat ISIS zelf de ontploffingen veroorzaakt heeft. Het onderzoek van de coalitie en de Irakezen is in elk geval nog niet afgerond.

** Met het incident van 23 maart op de Meir vond Mijlemans informatie door de overheid dan weer niet nodig. Over de absurditeit van álle informatie vrij te geven, zie hier.

*** Groen-Kamerlid Wouter De Vriendt heeft van de commissiezitting achter gesloten deuren onthouden dat onze luchtmacht ‘zeer voorzichtig te werk gaat’.

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot de Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.

donderdag 30 maart 2017

Oblomov en Tom Sawyer

     Laatst wou ik het boek Oblomov van de Russische schrijver Gontsjarov lezen. Men had mij verteld dat het over een slome lamzak ging en dat kwam goed uit want ik doe ook graag niks. Verder wist ik dat Oblomov moeilijk beslissingen neemt en er vreselijk tegen opziet om papieren te zoeken die kwijt zijn of, erger nog, methodisch opgeborgen in een map. Ook dat herken ik. Ik verzamelde dus mijn daadkracht, zocht naar het boek op Kindle Store,  voerde een download uit en begon te lezen. Na twintig minuten lezen zat ik aan 15 %, want Kindle geeft je leesvordering niet in bladzijden, maar in procenten. In die tijd had Oblomov vier vrienden ontvangen, ruzie gemaakt met zijn knecht en een aantal rake opmerkingen verwoord, dat allemaal weliswaar zonder zijn bed uit te komen, maar toch: druk, druk, druk.
     Ik vertrouwde het zaakje niet. Na even zoeken kwam ik erachter dat ik een verkorte versie aan het lezen was, wat nochtans nergens vermeld stond op de titelpagina. Ik kocht dus een nieuwe, volledige versie en het was meteen duidelijk dat hier uit een ander vaatje werd getapt. Oblomovs vrienden kwamen nog altijd op bezoek, maar ze bleven véél langer. En zolang Oblomov in bed bleef en vrienden ontving en met zijn knecht ruzie maakte, viel het nog mee. Maar toen hij door een Duitse vriend uit dat bed werd gesleurd en een meisje leerde kennen, werd het pas echt langdradig. Toch ben ik nooit in de verleiding gekomen om weer de verkorte versie te gaan lezen.
     Als kind heb ik slechte ervaringen gehad met verkorte versies. Er bestond in die tijd een boekenreeks die Heroica Biblitheek heette en die grossierde in klassieke werken ‘bewerkt voor de jeugd’. Boeken als Moby Dick, De laatste der Mohicanen, Tom Sawyer werden in 150 pagina’s proza samengeperst, af en toe onderbroken door een tiental bladzijden waar het verhaal nog verder werd samengevat in stripvorm. Die stripversie was zo beknopt dat ze niet te volgen was. De prozaversie was zouteloos.
     Gelukkig ontdekte ik bij de buren een andere jeugdreeks waarin veel van dezelfde boeken waren verschenen, maar dan onbewerkt en onverkort. Ik mocht die boeken ontlenen. De romance tussen Tom Sawyer en Becky Thatcher werd op slag veel interessanter. Op de laatste schooldag van Tom was er een groot feest waar de kinderen een vers moesten voordragen. De meisjes van de hoogste klas kwamen hun zelfgeschreven opstel voorlezen met titels als ‘Vriendschap’, ‘Herinnering aan vervlogen dagen’, ‘Droomland’, ‘Wat het hart verlangt’ en ‘Is dit dan het leven?’ Bij de titels alleen al schiet mijn gemoed vol.
     Mark Twain (zie ook hier) maakt zich over die opstellen vrolijk. ’t Is dezelfde mooischrijverij, schrijft hij, en hetzelfde gepreek dat hun moeders en grootmoeders ook al schreven bij eindeschooljaarfeesten. En als bewijs pasticheert hij zo’n opstel waar een kind betoogt dat mooie kleren en danspartijtjes niks als ijdelheid zijn.
     Ik vond dat de mooiste bladzijde uit het boek. Hoe was het mogelijk dat de Heroica Bibliotheek zo’n bladzijde in zijn geheel had geschrapt?

zondag 26 maart 2017

De advocate van de boerka


     Advocate Rachida Lamrabet heeft zich heel wat last op de hals gehaald door in een interview de boerkadracht te verdedigen. Ze werd afgevallen door Johan Leman en door Unia, de organisatie waar ze voor werkt en, wat haast nog erger is, ze werd verdedigd door   Joël De Ceulaer. Lamrabet had de opvatting bestreden dat de boerka een symbool is van vrouwenonderdrukking. Zo’n opvatting vond ze ‘paternalistisch’. Zelf had ze twee andere verklaringen voor die exotische manier van zich te kleden: seksuele pudeur en religieuze ascese. Laat ik met dat laatste beginnen.
     Een moslimvrouw die de boerka draagt, zegt Lamrabet, geeft het signaal dat ze ‘weinig interesse heeft in dit leven’ maar leeft ‘voor het hiernamaals’. Dat is sterke taal.
     Zulke vrouwen die leefden ‘voor het hiernamaals’ hebben we in het christendom ook gehad. Zulke mannen trouwens ook. Woestijnvaders, pilaarheiligen, kluizenaars, heremieten. We kunnen denken aan Zuster Bertken (1426-1514) die zich levenslang liet inmetselen in een cel in de Utrechtse Buurkerk en daar fantaseerde over het ‘kruid’ dat ze zou gaan plukken in haar ‘hofken’. We kunnen denken aan Wiborada Reclusa († 926) die Bertken in die keuze voor was gegaan, maar helaas uit haar cel bij Sankt-Gallen werd bevrijd door binnenvallende Magyaren, en daarna gedood. We kunnen denken aan minder drastische vormen van ascese, zoals die eeuwenlang in kloosters werden beoefend door mannen en vrouwen in habijt.
     Maar gaat het bij boerka en niqab echt om een blijk van ascese? Ik twijfel daaraan. Als je af en toe wat leest over de leer en de geschiedenis van de islam, krijg je niet de indruk dat ascese en levensverzaking er een erg grote rol spelen – behalve misschien in de half ketterse soefie-traditie. Ik heb een moslimvriend gehad die in het ramadanverbod om overdag seksuele betrekkingen te hebben het toppunt zag van lichamelijke versterving. Een maand lang geen seksuele betrekkingen van zonsopkomst tot zonsondergang, – hij herhaalde het een paar keer, alsof hij dacht dat ik het niet geloven zou. Nee, zo erg ascetisch lijkt de islam mij niet. Ik zou het eens aan een kenner als Eddy Daniëls moeten vragen.  
     Lamrabets andere verklaring van de boerka is seksuele pudeur. De vrouw kiest er ‘bewust’ voor om ‘de privacy’ van haar lichaam af  te schermen. Dat kan natuurlijk en daar is niet zo veel mis mee. Als een vrouw zich wil onttrekken aan de bewonderende of keurende blikken van wellustige mannen, is dat haar zaak. Niemand moet zich daar naar paternalistische trant mee gaan moeien. Maar tegelijk is het ook moeilijk om uit te maken of zo’n keuze voor pudeur wel een vrije beslissing is van de vrouw, dan wel één die door een jaloerse en bazige man is opgedrongen. Ik denk wel eens het laatste als ik op een zomerse dag rondloop in Menen, de stad van mijn jeugd. Dan zie ik daar zo’n hippe moslimman – zonnebril, strakke jeans, open shirt, korte mouwen - over straat slenteren, op een meter afstand gevolgd door een vrouw waarvan alleen een klein deel van het gezicht zichtbaar is. Ik kan zo’n tafereel relativeren, mijn vader ook, maar mijn moeder wordt dan razend. Zou dat paternalisme zijn?


(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)

zaterdag 18 maart 2017

De Negen tegen Jonathan Holslag

Holslag: links - Corijn: rechts
     Met meer tijd omhanden zou ik wat vaker een stukje schrijven tegen Jonathan Holslag*. Dat zou fijn zijn. Eens een heel boek lezen van die Holslag. De economische recepten eruit halen. Dan op Wikipedia van alles opzoeken. En dan ten slotte mijn pen in het vitriool dopen en tegelijk alles mooi camoufleren met milde ironie. Ja, dat zou fijn zijn.
    Zo’n stukje komt er deze week in elk geval niet want er is al een stuk tegen Holslag geschreven en wel door niet minder dan negen professoren en docenten van de Brusselse universiteit. Ik herkende een oude vriend: demograaf Patrick Deboosere.
     Je moet weten: Holslag heeft een voorwoord geschreven bij een nieuw boek van Vlaams Belangvoorzitter Tom van Grieken en de negen professoren nemen daar aanstoot aan. Ze hebben Holslag zijn voorwoord gelezen en daaruit besloten dat hun collega ‘economisch protectionisme’ en ‘ideologisch nationalisme’ aanhangt. Ik geloof dat ze daar gelijk in hebben.

     Toch heb ik drie bezwaren tegen het stuk van de professoren.
     Ten eerste – waarom negen? Hebben die negen daar echt over vergaderd om samen die tekst te schrijven? Zo briljant is die niet. Of heeft bijvoorbeeld Eric Corijn die tekst in zijn eentje geschreven en daarna laten ondertekenen door acht collega’s. Dat is toch helemaal niet nodig. Ik begrijp dat je een open brief stuurt naar een minister, een rector of een bedrijfleider en dat je die brief dan door een aantal vooraanstaande figuren laat ondertekenen. Op die manier kun je misschien een belangrijke beslissing mee helpen bepalen. Maar je schrijft toch geen gezamenlijke brief aan een collega om hem erop te wijzen dat een ‘politicologie gesteund op onafhankelijke natiestaten’ achterhaald is en dat  ‘de hedendaagse politicologische analyses wijzen op herschikking van territoria, op meerschaligheid, op verstedelijking en op interdependentie.’ Of is het binnen de politicologie een gewoonte om een beoefenaar ervan collectief te berispen als hij afwijkt van een of andere ‘hedendaagse analyse’?

     Ten tweede – waarom eindigen met een geniepig procès d’intention? ‘Wil je vooral een mainstream mediabekendheid behouden,’ schrijven de professoren, ‘dan moet je vandaag wel op die rechtse stroom meedrijven.’  Bedoelen de verenigde professoren hiermee dat Holslag zijn voorwoord heeft geschreven omwille van de mediabekendheid? En niet om, zoals hij zelf zegt, deel te nemen aan het maatschappelijke debat? Dat is wat al te gemakkelijk. Wie een rechts standpunt inneemt laat zich ‘met de stroom meedrijven’ en wie een links standpunt inneemt – zoals de professoren zelf – doet dat omdat hij ‘redelijk eigenzinnig’ is en de ‘wetenschappelijke analyse’ hoog in het vaandel voert. Ja, ja.
     Ten derde – waarom schrijven de verenigde professoren dat het hier gaat om opvattingen ‘die voorheen onmogelijk tot de democratische consensus konden worden gerekend’? Je kunt voor of tegen verplichte taalcursussen voor nieuwkomers zijn. Je kunt voor of tegen Chinese investeringen in de energiesector zijn. Je kunt voor of tegen de vossenjacht in Engeland zijn. Je kunt voor of tegen bewaakte buitengrenzen voor Europa zijn. Over al die onderwerpen en nog een enkele andere verschillen Holslag en zijn negen collega’s van mening. Maar is daar nu één opvatting bij die ‘buiten de democratische consensus’ moet worden geplaatst? Misschien was het vroeger zo, maar dan ben ik blij dat dat nu anders is.
     Johan Sanctorum sprak de vrees uit dat voor Holslag nu binnen de intellectuele en culturele wereld een aantal deuren dicht zouden gaan. Sanctorum heeft dat zelf meegemaakt na zijn passage bij het Vlaams Belang. Maar het zou voor Holslag mee kunnen vallen, geloof ik. De professor ziet er niet uit als iemand die in twee sloten tegelijk loopt. Zelfs Corijn en zijn vrienden begrijpen dat ze Holslag een beetje omzichtig moeten aanpakken. Hun tekst begint met de woorden ‘Onze flamboyante collega …’
     Zo'n flamboyante collega kan zich iets permitteren, geloof ik.
 
* In plaats van enkele zijdelingse opmerkingen zoals hier, hier en hier.

(Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.)

zondag 12 maart 2017

De sociolinguïstiek in het geweer tegen Hilde Crevits

     Wie is die professor Piet van Avermaet die enkele dagen geleden uithaalde naar minister Crevits? Crevits had allochtone ouders warm opgeroepen om zich meer te interesseren voor de schoolloopbaan van hun kinderen. Ook had ze gezegd dat die ouders zelf beter Nederlands moesten leren. Dat zou goed zijn voor de kinderen. Maar professor Piet van Avermaet vond dat ‘ronduit triest’. De uitspraken van Crevits waren niet op onderzoek gebaseerd, zei hij.
     Ik verwar professor Piet van Avermaet altijd met professor Piet van de Craen. Van die laatste heb ik nog les gehad. Aardige man. Liefhebber van jazzmuziek. Voor en na mijn examenles heb ik met hem een leuk gesprek gehad. Goed gevoel voor humor ook. Nou ja, hij lachte in elk geval met mijn grapjes. Maar die Piet van de Craen is van de universiteit van Brussel, en Piet van Avermaet is van die van Gent. Veel maakt het overigens niet uit. Over het Nederlands voor immigranten hebben ze zo ongeveer dezelfde mening.
    Enkele jaren geleden schreef Piet van Avermaet, die van Gent dus, samen met Jan Blommaert, ook van Gent, een lang stuk over het Nederlands van de allochtonen. In dat stuk van Jan en Piet staat allerlei interessant nieuws. Zo leer ik dat ‘sociolinguïstiek in dit land nauwelijks wordt gestimuleerd.’ Daar ben ik niet rouwig om. Als die sociolinguïsten allemaal zijn zoals Jan en Piet doen zij mij te veel uit de hoogte. Zij zijn de enigen die de ‘echte’ taal bestuderen als ‘feitelijkheid’ en iedereen die dat niet doet, of niet doet op hun manier, bezondigt zich aan ‘ideologie’, ‘speculatie’ of minstens aan ‘naïeviteit’.
    En wat hebben ze voor waardevols ontdekt door de ‘echte’ taal als ‘feitelijkheid’ te bestuderen? Dat Vlaanderen een meertalig land is, want Vlaamse geleerden publiceren in het Engels, Vlaamse studenten lezen Engelse studieboeken, de televisie zendt Engelstalige films uit, de Vlaamse regering heeft een Engelstalige website, oudere jongeren die niet seutig willen zijn, gebruiken woorden als ‘babes’ en ‘celebs’, en in advertenties worden Engelstalige woorden gebruikt als ‘junior account manager’. Ik neem aan dat dat allemaal op onderzoek is gebaseerd. En anders geloof ik het ook. Ik heb er ook geen bezwaar tegen – behalve tegen die ‘babes’, die ‘celebs’ en die ‘junior account managers’ – en ben dan ook blij dat Jan en Piet dat allemaal ‘goede meertaligheid’ noemen.
     Daarnaast bestaat ook ‘slechte meertaligheid’. Niet Jan en Piet vinden die slecht, maar andere mensen, bekrompen mensen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan die van een Nigeriaan die in de Gentse Rabotwijk woont en een beetje Turks kent om met zijn Turkse huisbaas te onderhandelen, in het Yoruba telefoneert met kennissen in Rijsel, naar Engelstalige zenders als MTV en CNN luistert, en met zijn kinderen Pidgin-Engels spreekt, vermengd met Nederlands (‘Yu wan do huiswerk?’). En nu besluiten Jan en Piet over die hele situatie als echte sociolinguïsten: ‘Men kan dit betreuren, maar het is een feit’.
     De lezer krijgt sterk de indruk dat Jan en Piet de toestand in de Rabotwijk helemaal niet betreuren. Misschien juichen ze die zelfs toe, maar dan heel stilletjes, want als sociolinguïsten moeten ze zich aan de ‘feiten’ houden. En ikzelf? Kijk, ik betreur niet dat die Nigeriaan Yoruba spreekt met landgenoten of naar Engelstalige zenders luistert. Maar ik zou het fijn vinden als hij daarnaast vorderingen zou maken in het Nederlands en ik zou het nog fijner vinden als zijn kinderen later goed Nederlands zouden kennen. Daarnaast mogen ze ook nog Engels en Yoruba en Turks en Frans en Duits en Grieks en Latijn kennen, maar toch eerst en vooral goed Nederlands. Ik heb daar geen onderzoek voor nodig om te weten dat ik dat fijn zou vinden. Als sociolinguïsten met alle geweld iets willen onderzoeken, kunnen ze proberen te achterhalen hoeveel Vlamingen dat net als ik fijn zouden vinden. Zo’n gezamenlijke wens van heel veel Vlamingen –  en daar zullen wel wat Nieuwe Vlamingen bij zijn* – zou dat ook geen ‘feitelijkheid’ zijn?**
     Eerst en vooral goed Nederlands dus. Onze sociolinguïsten zullen dat ‘goed’ van ‘goed Nederlands’ echter moeilijk verteren vrees ik. ‘Goed’ is een waardeoordeel. ‘Goed’ is geen feitelijkheid. ‘Goed’ hoort niet thuis in hun wetenschap. Want wat is immers ‘goed Nederlands’? Het Nederlands dat je nodig hebt als je een arts raadpleegt? Als je met de loodgieter praat? Als je een toneelvoorstelling wilt bijwonen? Als je een stuk wilt schrijven over het Nederlands van de allochtonen?
     Jan en Piet stellen het voor alsof je in al die situaties een andere taal nodig hebt. Ik meen dat ze daarin sterk overdrijven. Als mijn dokter een woord gebruikt dat ik niet begrijp, kan ik om uitleg vragen. Als een loodgieter iets uitlegt dat ik niet kan volgen, kan ik nog net genoeg volgen om te weten dat ik het eigenlijk niet wil volgen. Bij een toneelvoorstelling begrijp ik inderdaad niet alles, maar dat komt omdat ik wat doof ben. En als ik een stuk wil schrijven over het Nederlands van de allochtonen, ja, dan moet ik hard mijn best doen, en nadenken, en opzoeken of ik een woord wel correct gebruik. Maar het lukt. En ik hoop voor de toekomstige generatie Nigerianen in de Rabotwijk hetzelfde. En voor de toekomstige generatie Turken ook.


 
* In 2014 verscheen een studie van Agirdag en Van Houte waarin de houding van de Nieuwe Vlamingen werd aangeraakt. Blijkt dat Turkse ouders willen dat hun kinderen op school zoveel mogelijk Nederlands spreken en zo weinig mogelijk Turks. De antiracistische onderzoekers leggen dat uit als een gevolg van indoctrinatie door de Vlaamse leidende klasse.
 
** Kan zo’n gezamenlijke wens de ‘feitelijke’ taalsituatie in allochtone wijken beïnvloeden? Misschien wel, als die in onderwijsbeleid vertaald wordt. Jan en Piet lijken ervan uit te gaan dat alleen nieuwe ‘communicatieve situaties’ tot taalontwikkeling leiden. Als onze Nigeriaan naar Sint-Martens-Latem verhuist, zal hij volgens hen wel Nederlands leren. Dat geloof ik graag. Maar ik geloof ook dat het onderwijs, liefst vanaf de kleuterklas, kan bijdragen tot een taalontwikkeling die niet aan buitenschoolse ‘communicatieve situaties’ gebonden is.


(Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.)