zaterdag 18 maart 2017

De Negen tegen Jonathan Holslag

Holslag: links - Corijn: rechts
     Met meer tijd omhanden zou ik wat vaker een stukje schrijven tegen Jonathan Holslag*. Dat zou fijn zijn. Eens een heel boek lezen van die Holslag. De economische recepten eruit halen. Dan op Wikipedia van alles opzoeken. En dan ten slotte mijn pen in het vitriool dopen en tegelijk alles mooi camoufleren met milde ironie. Ja, dat zou fijn zijn.
    Zo’n stukje komt er deze week in elk geval niet want er is al een stuk tegen Holslag geschreven en wel door niet minder dan negen professoren en docenten van de Brusselse universiteit. Ik herkende een oude vriend: demograaf Patrick Deboosere.
     Je moet weten: Holslag heeft een voorwoord geschreven bij een nieuw boek van Vlaams Belangvoorzitter Tom van Grieken en de negen professoren nemen daar aanstoot aan. Ze hebben Holslag zijn voorwoord gelezen en daaruit besloten dat hun collega ‘economisch protectionisme’ en ‘ideologisch nationalisme’ aanhangt. Ik geloof dat ze daar gelijk in hebben.

     Toch heb ik drie bezwaren tegen het stuk van de professoren.
     Ten eerste – waarom negen? Hebben die negen daar echt over vergaderd om die tekst te schrijven? Zo briljant is die niet. Of heeft bijvoorbeeld Eric Corijn die tekst in zijn eentje geschreven en daarna laten ondertekenen door acht collega’s. Dat is toch helemaal niet nodig. Ik begrijp dat je een open brief stuurt naar een minister, een rector of een bedrijfleider en dat je die brief dan door een aantal vooraanstaande figuren laat ondertekenen. Op die manier kun je misschien een belangrijke beslissing mee helpen bepalen. Maar je schrijft toch geen gezamenlijke brief aan een collega om hem erop te wijzen dat een ‘politicologie gesteund op onafhankelijke natiestaten’ achterhaald is en dat  ‘de hedendaagse politicologische analyses wijzen op herschikking van territoria, op meerschaligheid, op verstedelijking en op interdependentie.’ Of is het binnen de politicologie een gewoonte om haar beoefenaren collectief te berispen als ze afwijken van een of andere ‘hedendaagse analyse’?

     Ten tweede – waarom eindigen met een geniepig procès d’intention? ‘Wil je vooral een mainstream mediabekendheid behouden,’ schrijven de professoren, ‘dan moet je vandaag wel op die rechtse stroom meedrijven.’  Bedoelen de verenigde professoren hiermee dat Holslag zijn voorwoord heeft geschreven omwille van de mediabekendheid? En niet om, zoals hij zelf zegt, deel te nemen aan het maatschappelijke debat? Dat is wat al te gemakkelijk. Wie een rechts standpunt inneemt laat zich ‘met de stroom meedrijven’ en wie een links standpunt inneemt – zoals de professoren zelf – doet dat omdat hij ‘redelijk eigenzinnig’ is en de ‘wetenschappelijke analyse’ hoog in het vaandel voert. Ja, ja.
     Ten derde – waarom schrijven de verenigde professoren dat het hier gaat om opvattingen ‘die voorheen onmogelijk tot de democratische consensus konden worden gerekend’? Je kunt voor of tegen verplichte taalcursussen voor nieuwkomers zijn. Je kunt voor of tegen Chinese investeringen in de energiesector zijn. Je kunt voor of tegen de vossenjacht in Engeland zijn. Je kunt voor of tegen bewaakte buitengrenzen voor Europa zijn. Over al die onderwerpen en nog een enkele andere verschillen Holslag en zijn negen collega’s van mening. Maar is daar nu één opvatting bij die ‘buiten de democratische consensus’ moet worden geplaatst? Misschien was het vroeger zo, maar dan ben ik blij dat dat nu anders is.
     Johan Sanctorum sprak de vrees uit dat voor Holslag nu binnen de intellectuele en culturele wereld een aantal deuren zouden dichtgaan. Sanctorum heeft dat zelf meegemaakt na zijn passage bij het Vlaams Belang. Maar het zou voor Holslag kunnen meevallen, geloof ik. De professor ziet er niet uit als iemand die in twee sloten tegelijk loopt. Zelfs Corijn en zijn vrienden begrijpen dat ze Holslag een beetje voorzichtig moeten aanpakken. Hun tekst begint met de woorden ‘Onze flamboyante collega …’
     Een flamboyante collega kan zich iets permitteren, geloof ik.

 
* In plaats van enkele zijdelingse opmerkingen zoals hier, hier en hier.

zondag 12 maart 2017

De sociolinguïstiek in het geweer tegen Hilde Crevits

     Wie is die professor Piet van Avermaet die enkele dagen geleden uithaalde naar minister Crevits? Crevits had allochtone ouders warm opgeroepen om zich meer te interesseren voor de schoolloopbaan van hun kinderen. Ook had ze gezegd dat die ouders zelf beter Nederlands moesten leren. Dat zou goed zijn voor de kinderen. Maar professor Piet van Avermaet vond dat ‘ronduit triest’. De uitspraken van Crevits waren niet op onderzoek gebaseerd, zei hij.
     Ik verwar professor Piet van Avermaet altijd met professor Piet van de Craen. Van die laatste heb ik nog les gehad. Aardige man. Liefhebber van jazzmuziek. Voor en na mijn examenles heb ik met hem een leuk gesprek gehad. Goed gevoel voor humor ook. Nou ja, hij lachte in elk geval met mijn grapjes. Maar die Piet van de Craen is van de universiteit van Brussel, en Piet van Avermaet is van die van Gent. Veel maakt het overigens niet uit. Over het Nederlands voor immigranten hebben ze zo ongeveer dezelfde mening.
    Enkele jaren geleden schreef Piet van Avermaet, die van Gent dus, samen met Jan Blommaert, ook van Gent, een lang stuk over het Nederlands van de allochtonen. In dat stuk van Jan en Piet staat allerlei interessant nieuws. Zo leer ik dat ‘sociolinguïstiek in dit land nauwelijks wordt gestimuleerd.’ Daar ben ik niet rouwig om. Als die sociolinguïsten allemaal zijn zoals Jan en Piet doen zij mij te veel uit de hoogte. Zij zijn de enigen die de ‘echte’ taal bestuderen als ‘feitelijkheid’ en iedereen die dat niet doet, of niet doet op hun manier, bezondigt zich aan ‘ideologie’, ‘speculatie’ of minstens aan ‘naïeviteit’.
    En wat hebben ze voor waardevols ontdekt door de ‘echte’ taal als ‘feitelijkheid’ te bestuderen? Dat Vlaanderen een meertalig land is, want Vlaamse geleerden publiceren in het Engels, Vlaamse studenten lezen Engelse studieboeken, de televisie zendt Engelstalige films uit, de Vlaamse regering heeft een Engelstalige website, oudere jongeren die niet seutig willen zijn, gebruiken woorden als ‘babes’ en ‘celebs’, en in advertenties worden Engelstalige woorden gebruikt als ‘junior account manager’. Ik neem aan dat dat allemaal op onderzoek is gebaseerd. En anders geloof ik het ook. Ik heb er ook geen bezwaar tegen – behalve tegen die ‘babes’, die ‘celebs’ en die ‘junior account managers’ – en ben dan ook blij dat Jan en Piet dat allemaal ‘goede meertaligheid’ noemen.
     Daarnaast bestaat ook ‘slechte meertaligheid’. Niet Jan en Piet vinden die slecht, maar andere mensen, bekrompen mensen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan die van een Nigeriaan die in de Gentse Rabotwijk woont en een beetje Turks kent om met zijn Turkse huisbaas te onderhandelen, in het Yoruba telefoneert met kennissen in Rijsel, naar Engelstalige zenders als MTV en CNN luistert, en met zijn kinderen Pidgin-Engels spreekt, vermengd met Nederlands (‘Yu wan do huiswerk?’). En nu besluiten Jan en Piet over die hele situatie als echte sociolinguïsten: ‘Men kan dit betreuren, maar het is een feit’.
     De lezer krijgt sterk de indruk dat Jan en Piet de toestand in de Rabotwijk helemaal niet betreuren. Misschien juichen ze die zelfs toe, maar dan heel stilletjes, want als sociolinguïsten moeten ze zich aan de ‘feiten’ houden. En ikzelf? Kijk, ik betreur niet dat die Nigeriaan Yoruba spreekt met landgenoten of naar Engelstalige zenders luistert. Maar ik zou het fijn vinden als hij daarnaast vorderingen zou maken in het Nederlands en ik zou het nog fijner vinden als zijn kinderen later goed Nederlands zouden kennen. Daarnaast mogen ze ook nog Engels en Yoruba en Turks en Frans en Duits en Grieks en Latijn kennen, maar toch eerst en vooral goed Nederlands. Ik heb daar geen onderzoek voor nodig om te weten dat ik dat fijn zou vinden. Als sociolinguïsten met alle geweld iets willen onderzoeken, kunnen ze proberen te achterhalen hoeveel Vlamingen dat net als ik fijn zouden vinden. Zo’n gezamenlijke wens van heel veel Vlamingen –  en daar zullen wel wat Nieuwe Vlamingen bij zijn* – zou dat ook geen ‘feitelijkheid’ zijn?**
     Eerst en vooral goed Nederlands dus. Onze sociolinguïsten zullen dat ‘goed’ van ‘goed Nederlands’ echter moeilijk verteren vrees ik. Want wat is ‘goed Nederlands’? Het Nederlands dat je nodig hebt als je een arts raadpleegt? Als je met de loodgieter praat? Als je een toneelvoorstelling wilt bijwonen? Als je een stuk wilt schrijven over het Nederlands van de allochtonen? Jan en Piet stellen het voor alsof je in al die situaties een andere taal nodig hebt. Ik meen dat ze daarin sterk overdrijven. Als mijn dokter een woord gebruikt dat ik niet begrijp, kan ik om uitleg vragen. Als een loodgieter iets uitlegt dat ik niet kan volgen, kan ik nog net genoeg volgen om te weten dat ik het eigenlijk niet wil volgen. Bij een toneelvoorstelling begrijp ik inderdaad niet alles, maar dat komt omdat ik wat doof ben. En als ik een stuk wil schrijven over het Nederlands van de allochtonen, ja, dan moet ik hard mijn best doen, en nadenken, en opzoeken of ik een woord wel correct gebruik. Maar het lukt. En ik hoop voor de toekomstige generatie Nigerianen in de Rabotwijk hetzelfde. En voor de toekomstige generatie Turken ook.

 

* In 2014 verscheen een studie van Agirdag en Van Houte waarin de houding van de Nieuwe Vlamingen werd aangeraakt. Blijkt dat Turkse ouders willen dat hun kinderen op school zoveel mogelijk Nederlands spreken en zo weinig mogelijk Turks. De antiracistische onderzoekers leggen dat uit als een gevolg van indoctrinatie door de Vlaamse leidende klasse.
 
** Kan zo’n gezamenlijke wens de ‘feitelijke’ taalsituatie in allochtone wijken beïnvloeden? Misschien wel, als die in onderwijsbeleid vertaald wordt. Jan en Piet lijken ervan uit te gaan dat alleen nieuwe  communicatieve situaties tot taalontwikkeling leiden. Als onze Nigeriaan naar Sint-Martens-Latem verhuist, zal hij volgens hen wel Nederlands leren. Dat geloof ik graag. Maar ik geloof ook dat het onderwijs, liefst vanaf de kleuterklas, kan bijdragen tot een taalontwikkeling die niet aan buitenschoolse communicatieve situaties gebonden is.

woensdag 8 maart 2017

Tweedehandsboekhandelaars en kibboets

Lenin was tegen hoge lonen voor bedrijfsleiders omdat hun taak
in de moderne tijd buitengewoon eenvoudig was geworden
    Toen ik een jaar of vijftien was begon ik marxistische boekjes te lezen. Daarin werd verteld over de communistische en de kapitalistische productiewijze. Het verschil tussen die twee is immens. Onder het communisme wordt geproduceerd om rechtstreeks de noden van ‘de mensen’ te bevredigen. Wie honger heeft krijgt brood en melk, wie dorst heeft of verslaafd is krijgt bier of wodka, en wie van zoet houdt, krijgt limonade en koekjes. Onder het kapitalisme verloopt dat allemaal via een omweg. Brood, melk, bier, wodka, limonade en koekjes moeten eerst winst opbrengen. De belangen van de hongerigen, de dorstigen, de alcoholisten en de suikerjunkies komen pas op de tweede plaats.
     Daar kwam nog iets bij. Onder het communisme verdient iedereen ongeveer evenveel. Modelarbeiders die meer steenkool bovenhalen dan anderen mogen gerust wat meer krijgen, maar er is geen enkele reden om bijvoorbeeld bedrijfsleiders zo royaal te vergoeden als onder het kapitalisme. Lenin heeft in Staat en Revolutie fijntjes uitgelegd dat het leiden van een bedrijf door de moderne organisatie en techniek ‘buitengewoon eenvoudig’ is geworden. Iedere boekhouder kan het. Eigenlijk iedereen die kan lezen, schrijven en rekenen.
     Kort samengevat: het communisme betekent dat (1) er niet voor de winst gewerkt wordt en dat (2) iedereen ongeveer gelijk verdient*. Daar zijn twee eenvoudige bezwaren tegen geformuleerd: (1) een economie met winst werkt beter en (2) de meeste mensen houden in de praktijk niet zo van gelijke inkomens.
     Dat een economie met winst beter werkt, zie je onder andere aan de tweedehandsboekenmarkt. Ik las daarover bij Theodore Dalrymple**. Je hebt enerzijds tweedehandsboekhandelaars die werken voor de winst: ze huren een pand, timmeren rekken, kopen oude boeken in die op zolders liggen te beschimmelen, betalen hun medewerkers een loon uit, vereffenen hun belastingen en maken, ondanks al die kosten, nog eens 20 % winst per boek. Daartegenover staan de non-profitzaken zoals Oxfam. Die krijgen hun tweedehandsboeken gratis, werken met onbetaalde vrijwilligers en betalen heel wat minder belasting. Toch is hun opbrengst per boek ook maar rond de 20 %. Dat betekent niet dat Oxfam slecht werkt – dat betekent wel dat die handelaars-voor-de-winst verduiveld goed werken.
     En dan die gelijke lonen. Dat de meeste mensen daar in de praktijk niet zo van houden, zie je onder andere aan de kibboets in Israël. Ik las daarover bij Robert Nozick***. In Israël kunnen Joden vrij kiezen tussen kapitalisme en communisme. Dat communisme neemt de vorm aan van kibboets, gemeenschappen die werken op communistische basis en waarvan het ledenaantal varieert tussen 80 en 2000. Die kibboets hebben een eerbiedwaardige traditie, worden ondersteund vanuit de staat en zijn economisch succesvol. Toch kiest slechts 3,5 % van de Joden om in zulke kibboets te leven. Als anticommunist zou Nozick nu kunnen triomferen met dat lage cijfer, maar hij doet juist het tegenovergestelde. Hij probeert de zaak van de tegenpartij zo gunstig mogelijk voor te stellen. Door allerlei nuances aan te brengen maakt hij aannemelijk dat niet 3,5 maar misschien zelfs tot 9 % van de bevolking voor een bestaan in de kibboets zou kunnen kiezen. Maar toch zeker niet meer dan 9 %.
    Het stuk van Nozick dateert van 1978. Het aantal bewoners van de kibboets is intussen gedaald tot 2,8 %. Maar een belangrijker ontwikkeling is deze: de meeste kibboets hebben al jaren het communistische ideaal verlaten. In 2007 had alvast 61 % van de kibboetsbewoners gekozen voor een kapitalistisch winstmodel. Vooral de jonge generatie was de gelijke inkomens beu.
     Het succes van de tweedehandsboekenmarkt en de mislukking van de kibboets, het zijn de twee eenvoudigste argumenten tegen de communistische productiewijze die ik ooit ben tegengekomen.
 
* Voetballer, schrijver en televisiefiguur Jan Mulder formuleerde het ooit zo: ‘Ik vind het best als iedereen gelijk verdient. Daar stem ik direct voor. Allemaal dertig- of veertigduizend gulden verdienen. Iedereen. Ben ik direct voor.’
** Door en door verwend, blz. 251. Dalrymple merkt op dat een filantroop zijn zolderboeken beter verkoopt aan een echte boekhandelaar. Daar krijgt hij dan een derde tot de helft van de verkoopprijs van en dat geld kan hij dan aan Oxfam schenken.
*** ‘Who Would Choose Socialism’, Reason, May 1978, blz. 22-23.

zondag 5 maart 2017

Heerlijke fouten

Johann Christoph Friedrich von Schiller (1759-1805)
     Mijn vader heeft altijd veel plezier beleefd aan het herkennen van andermans fouten. Als hij in Humo iets leest over het ‘eiland Belize’, of als hij merkt dat Karel van het Reve de schrijfsters George Sand en Mme de Staël door elkaar haalt, maakt hij daar een kleine notitie van die hij dan later niet meer terugvindt.
     Ik heb dat ook. Ik heb jammer genoeg dat NOS-journaal niet gezien waarin de verslaggeefster sprak over de Duitse dichters Goethe en Schilling. Erover lezen in de krant is hetzelfde niet. Maar het blijft heerlijk. Friedrich von Shilling, auteur van Don Carlos – ik had bijna Don Juan geschreven – Friedrich von Schilling, auteur van onze Europese hymne,  Friedrich von Shilling, Grote Vriend en Rivaal van Goethe. Ik weet niet of ik ooit weer het ordinaire Schiller gewoon word.
     Wat fouten betreft, zit ik als leraar natuurlijk gebeiteld. Als mijn leerlingen van het zesde jaar iets moeten presenteren, maken ze de wonderlijkste fouten. Sommige van die fouten wekken mijn ergernis, zoals een verkeerd uitgesproken eigennaam – Víctor Húgo met de klemtoon op de eerste lettergrepen bijvoorbeeld –, of het citeren van boektitels in het Engels als het helemaal niet om Engelse boeken gaat– Tolstoj als auteur van War and Peace bijvoorbeeld. Maar de meeste fouten zijn een bron van grote vreugde, vooral als je wat vertrouwd bent met de Wikipedia-pagina waar mijn leerlingen hun wijsheid vandaan halen.
     Ik heb in de loop der jaren een kleine verzameling van die fouten aangelegd. Elk jaar hoor ik er wel twee of drie van.
  1. Victor Hugo droeg het vaandel in de Romantische beweging.
  2. Robert Louis Stevenson studeerde aan de universiteit van Bohemen.
  3. De ouders van Thackeray waren Indianen. (Daar hoort een foto bij van twee Irokezen).
  4. Alexandre Dumas stierf tijdens Frans-Punische oorlog.
  5. Hawthorne veranderde zijn naam om aan de heksenvervolging te ontsnappen.
  6. Tom Lannoye reist dagelijks heen en weer tussen Antwerpen en Kaapstad.
  7. Charles Dickens werkte in een fabriek als schoenenpoetser.
  8. Emily Brontë werd erg katholiek opgevoed door haar vader die priester was.
  9. Zola beschrijft tot in de kleinste details het rijk van Napoleon tussen 1852 en 1870.
  10. Herman Melville ging naar de Academie in Albanië.
  11. Flaubert was goed bevriend met de Chinese leider Mao Tsetoeng.
     Die laatste fout heb ik maar één keer gehoord. Dat was in het jaar toen de Wikipedia-pagina over Flaubert tijdelijk gehackt was. Er stond geloof ik ook in dat de schrijver van Madame Bovary uit een gezin met zeventien kinderen kwam en dat die ook allemaal boeken schreven. En dat hun literaire productie drie vierde van het bruto nationaal product van Frankrijk uitmaakte.


1. Vaandeldrager van de romantische beweging - 2. At the University, he was a pillar of Bohemia - 3 Of Anglo-Indian descent - 4. Frans-Pruissisch - 5. To dissociate himself from the witch hunting by his ancestor - 6. Pendelt tussen - 7. Worked in a shoe-blacking factory - 8. A clergyman who gave her a religious education - 9. Verwarring tussen Napoleon I - Napoleon III - 10. The Albany Academy.

maandag 27 februari 2017

De econoom en de grijze walvis

De vorige week overleden Kenneth Arrow ontving de
Nobelprijs economie in 1972


     Vorige week was ik een beetje ziekjes, dus ik heb er toen niet zo op gelet, maar dinsdag laatstleden is Kenneth Arrow (1921 –2017) overleden, een van de grootste economen van de vorige eeuw. Hij heeft, lees ik, het wiskundige bewijs geleverd voor de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith. Maar dat bewijs is nogal ingewikkeld zodat weinige economen en weinig wiskundigen het goed kunnen volgen.
     Arrow was ook bijzonder goed op de hoogte van wat zich buiten zijn vakgebied afspeelde. Hij kon over alles meepraten - zelfs zijn beste vrienden werden er wanhopig van.
     In de New York Times verscheen volgende anekdote.
     Zekere keer hadden Arrows vrienden achter zijn rug afgesproken om zich allemaal flink in te lezen in de paringsgewoonten van de grijze walvis. Bij de volgende bijeenkomst bespraken ze luid en uitvoerig de theorieën van zeebioloog Turner die verklaren hoe de grijze walvissen jaar na jaar hun broedplaatsen terugvinden.
     Arrow luisterde vol verbazing naar die ingenieuze verklaringen en zei niks. Dat vonden zijn vrienden fijn. Maar toen hij wegging mompelde hij: ‘En ik die dacht dat niemand de theorieën van Turner nog serieus nam. Toch niet na dat vernietigende artikel van Jason Hall-Spencer.’

zondag 26 februari 2017

Zuhal, Liesbeth en Unia

     Ik lees mijn krant – Het Nieuwsblad – van voor naar achter. Dat wil zeggen: ik bekijk eerst de voorpagina en blader dan door tot de voorlaatste pagina, want de allerlaatste, die met de weersvoorspelling, bekijk ik niet. Soms keer ik een paar bladzijden terug. Een kop is dan in mijn korte-termijngeheugen blijven hangen en plots wil ik toch weten waar het stuk over ging dat ik eerst oversloeg. Soms lees ik een stuk ook helemaal.
     Wat ik altijd lees is het commentaar op pagina twee. Wat Peter, Pieter en Liesbeth schrijven, brengt mij in een opgewekte stemming. Elk denkfoutje, elke kleine onredelijkheid, elk idée reçue à la mode zie ik als een kleine attentie van de krant. Voor mij werkt dat beter dan het dagelijkse mopje van de scheurkalender. Op voorwaarde natuurlijk dat het niet over onderwijs gaat, want dan is mijn gevoel voor humor erg beperkt.
    Neem nu Liesbeth haar stukje van gisteren. ’t Ging over onze nieuwe staatssecretaris Zuhal Demir. Liesbeth ging tewerk volgens haar beproefde methode van ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’. Enerzijds  was Zuhal ‘fris’, ‘talentvol’ en ‘beloftevol’, anderzijds moest ze gelijke-kansenorganisatie Unia niet te veel op de nek zitten. Want enerzijds leed Unia wel aan ‘de ziekte van het zwaaiende vingertje’, maar anderzijds hadden we de organisatie toch nodig ‘om er ons op te wijzen dat racisme en discriminatie de wereld nog altijd niet uit zijn’.
     Dat laatste geloof ik niet. We hebben Unia niet nodig om ons daar op te wijzen. En ook niet om er iets tegen te ondernemen. Neem nu het racisme op Facebook. Ik zag gisteren enkele commentaren verschijnen over Zuhal. Dat ‘een van hen’ nu ook al staatssecretaris geworden was, in plaats van een echte Vlaming. Dat daar een einde aan moest komen. Dat ‘ze’ anders alles zouden overnemen. Moet Zuhal nu bij Unia een klacht indienen tegen die kleinzielige Facebookmensen? Zou dat ergens goed voor zijn?
      Of neem die Mechelse politie-inspecteur die een foto verspreidde van een collega van Indische origine met de commentaar ‘En waarom zou ik je een hand moeten geven? Jou[w] kleur staat mij niet aan.’ Heeft men Unia nu echt nodig om die inspecteur te schorsen en liefst ook zo snel mogelijk te ontslaan?
      Maar ik wil niet zeuren over Unia, maar lachen om Liesbeth. Liesbeth schrijft: ‘Is Unia nu echt het eerste probleem dat de beloftevolle Zuhal Demir denkt te moeten aanpakken?’ Daar moest ik even over nadenken. Hoe wist Liesbeth dat Zuhal beslist had om Unia als eerste probleem aan te pakken? Had Zuhal onmiddellijk na haar eedaflegging een persconferentie belegd waarop ze haar prioriteiten bekend maakte?
     Onderaan het stuk van Liesbeth werd ik doorverwezen naar pagina’s 8-9 , waar een interview stond met Zuhal. Zou het kunnen dat ... Tegen mijn gewoonte in sloeg ik zes bladzijden over om dat interview eens te bekijken. En jawel hoor. Na allerlei algemene vragen over haar toekomstige integratiebeleid, rondt Lesaffer het interview af met ‘Deze week heeft uw partij de aanval ingezet op Unia. Gaat u daar iets aan doen?’ Zuhal geeft wat kritische bedenkingen over de organisatie. Waarop Lessafer aandringt: ‘Wat gaat u daar als staatssecretaris aan doen?’ En Zuhal antwoordt daarop iets van ‘overleggen’ en ‘doorlichten’ en ‘nergens op vooruitlopen’.
     Dus wist Liesbeth dat Zuhal van een aanval op Unia haar ‘eerste punt wilde maken’. Een glimlach krulde zich om mijn lippen.

vrijdag 24 februari 2017

Betalen wij onze politici te veel?

    Over mijn  laatste stukje was Jan (19) niet zo tevreden. ‘Wat heb jij daar nu mee te maken, vaderlief, wat die Bracke verdient? Dan kun je evengoed lezersbrieven sturen naar de website van Het Laatste Nieuws.’ Jan heeft dat ‘vaderlief’ overgenomen van de Sherlock-serie op televisie, die waarin Mycroft zijn broer aanspreekt met ‘Brother dear’.
     ’k Vind het een moeilijke kwestie. Natuurlijk is het niet erg beschaafd je druk te maken over wat iemand anders verdient. En hoewel ik graag weet hoeveel de postbode, de loodgieter, de friturist, de nefroloog en de bankdirecteur betaald krijgen, zelden leiden die bedragen als ik ze verneem tot een verhoogde bloeddruk. Maar met politici ligt dat een beetje anders. Als burgers zijn wij het die die politici betalen en dan wil ik graag weten of we niet te veel betalen. De lezersbrievenschrijvers van Het Laatste Nieuws geloven in elk geval stellig dat er te veel betaald wordt en de politieke partijen zelf lijken daar nu ook in mee te gaan. Ze hebben allerlei ideeën om er iets aan te doen (hier)*.
     Het liefst zijn mij de ideeën van n-va en Open vld. Zij willen het totale aantal mandaten te verminderen. Minder Kamerleden – van 150 naar 100 –, afschaffing van de Senaat, afschaffing van de provinciebesturen, halvering van de mandaten in de energie-intercommunales. Open vld wil de intercommunales zelfs privatiseren, en als ik dat woord nog maar hoor ben ik al half overtuigd. Maar ik wil geduldig naar de tegenargumenten luisteren.
    Cd&v heeft daar weinig tegenover te stellen. De partij wil vooral de manier van factureren bijstellen. Een politicus die in een een intercommunale zetelt, zou voortaan moeten factureren als ‘natuurlijke persoon’ en niet als ‘managementsvennootschap’. Het voordeel hiervan voor de burger lijkt mij erg beperkt. Die politici zouden dan misschien iets meer belastingen moeten betalen, dat kan, of iets minder, dat kan ook. Veel verschil zal het in elk geval niet maken. Tja, ’t is de cd&v ook**.
     Van Sp.a-kant komen de spectaculairste voorstellen, die echter ook het minste opbrengen. Voorzitter Crombez stelt voor om het aantal mandaten per politicus te beperken tot drie. Prima hoor, maar zolang het totale aantal mandaten niet vermindert, maakt dat voor de burger geen verschil. 60 000 euro betalen aan één socialist, of telkens 20 000 euro aan drie socialisten blijft voor mij even pijnlijk. Ook wil Crombez de vergoedingen van zijn mandatarissen beperken tot 6 200 euro. Als ik het goed begrepen heb, gaat de rest in de partijkas. Ook daar hebben we als burger niets aan.
     Maar heeft Crombez dan misschien gelijk in zijn principes? Moeten de vergoedingen van politici niet vooral omlaag? Ik las jaren geleden een stukje van Thomas Sowell die precies het tegenovergestelde voorsloeg. Die vergoedingen moesten veel, veel hoger, om op die manier succesvolle mensen aan te trekken uit andere beroepen. Ik was niet overtuigd. Ik vreesde dat de succesvolle mensen uit andere beroepen thuis zouden blijven. De bestaande hardwerkende, gewetensvolle en getalenteerde politici – ze bestaan en ze zijn niet zeldzaam – zouden dan meer verdienen, zoals het hoort, maar dat zou ook gelden voor de vergadertijgers, de besluiteloze praters, de zure ideologen, de fantasieloze dossierlezers, de ja-knikkers en al degenen die uitsluitend jagen op macht, populariteit, aanzien en geld.
     Ik heb Sowells stukje laatst opnieuw gelezen en ik moet toegeven – ik had de vorige keer iets over het hoofd gezien. Sowell wil niet alleen hogere lonen voor politici, hij wil ook een kortere ambtsperiode, bijvoorbeeld beperkt tot één of twee termijnen. Of dat voldoende is om de talentlozen op afstand te houden is niet zeker. Maar ze zullen zich dan in elk geval niet duurzaam kunnen nestelen in het systeem.
     Ik kan voor de vuist weg een aantal bezwaren tegen zo’n systeem verzinnen. Zoals: hoe kan zo’n tijdelijke politicus zich staande houden tegen de ervaren ambtenaar? Zoals: hoe kun je een verkozene belonen voor goede prestaties, of afstraffen voor slechte, als hij toch niet opnieuw verkozen kan worden? Zoals: is het wel zo’n goed idee een project te laten opstarten door één lichting bestuurders zonder ze de kans te geven dat ook af te werken? En zal de volgende lichting wel bereid zijn om het af te werken?
     Als je alternatieve Facebookvrienden hebt, zie je af en toe iets voorbijflitsen waar ‘basis’, ‘burger’, ‘monitor’ en ‘participatie’ een samenstelling vormen met ‘democratie’. Enkele jaren geleden hadden we de G-1000-beweging van David Van Reybrouck die, geloof ik, het land wou laten besturen door een soort van door het lot aangeduid scholierenparlement. Dat zou een gruwelijk systeem geweest zijn. Maar ons systeem van beroepspolitici heeft ook zijn nadelen. Prof. Maddens schreef daarover een stuk in De Tijd. Hij betreurt het dat bij lijst-samenstelling steeds meer gerekruteerd wordt uit eigen werknemers van de partij. Hij noemt het ‘een systeem van inteelt’ dat uitdraait op een parlement van ‘politieke professionals die hondstrouw zijn aan de partij omdat ze nergens op kunnen terugvallen.’
     Dan lijkt het systeem van Sowell een mooie tussenweg tussen de zweverige participatiedemocratie en de incestueuze beroepspolitiek. De partijen verdwijnen niet. Links en rechts verdwijnt niet. De politiek verdwijnt niet. Maar in plaats van een beroep wordt zij een erezaak. Een fabrikant, een hoogleraar, een actuaris, een IT-consultant of een schooldirecteur onderbreekt tijdelijk zijn loopbaan om zijn talent in dienst te stellen van de res publica***. Daarna keert hij, als eertijds Cincinnatus, terug naar zijn akker. De ene heeft tijdelijk wat meer verdiend, de andere wat minder, maar hij heeft in elk geval genoeg verdiend om geen betaalde nevenmandaten te moeten verzamelen. Hij is met anderen aangetreden om samen, als grote mensen, grote problemen op te lossen.
     Maar hoe zit dat dan met de brievenschrijvers naar het Het Laatste Nieuws. Zullen die zich niet ergeren aan nog hogere lonen voor politici? Misschien. Misschien ook niet. Weinig voetbalsupporters storen zich aan de hoge lonen van de spelers. Maar als die spelers niet scoren, als ze zwak verdedigen, als ze het middenveld openlaten – dan zul je die supporters horen jouwen in het stadion. Wellicht is dat het probleem van onze brievenschrijvers. De politici verdienen niet te veel. Hun prestaties op het veld worden ondermaats bevonden.
 
 
* De Vlaamse regering heeft ondertussen al enkele maatregelen genomen waarmee in de inkomens van mandatarissen gesnoeid wordt (hier).
 
** Verder heeft CD&V een voorstel om niet alleen politieke mandaten maar alle openbare mandaten verplicht bekend te laten maken. Voor de partij heeft dat een voordeel. Het valt dan minder op dat haar leden wel een erg groot deel van de politieke mandaten bezetten. Maar van mij mag het hoor – al die mandaten op lange lijsten. Als ik dat maar niet moet lezen.
 
*** Een dergelijk politicus zal ook gemakkelijker dan nu gerespecteerd worden. Een leraar wordt tegenwoordig ook niet erg hoog aangeslagen door veel van zijn leerlingen. Maar als hij, zoals ik, vroeger een ander beroep heeft uitgeoefend, dan heeft hij een streepje voor. Hij kan blijkbaar nog iets anders.

zaterdag 18 februari 2017

Verdient Siegfried Bracke te veel?

Als Kamervoorzitter verdient Siegfried Bracke ongeveer 16 000 euro netto per maand. Premier Michel van zijn kant krijgt maar  11 000 euro. Dat is nog altijd vier keer meer dan wat ik ontvang, maar ’t is behoorlijk wat minder dan Siegfried, die toch  eigenlijk maar een gewone parlementariër is.
     De reden voor dat verschil is, geloof ik, de volgende. De Kamervoorzitter vertegenwoordigt de wetgevende macht – hij is de ‘eerste burger’ van het land – en men heeft indertijd door dat hoge bedrag willen duidelijk maken dat de wetgevende macht het hart van ons democratisch bestel is. De premier en de andere ministers zijn wezenlijk niets meer dan dienaren van de koning en van het parlement. En dat de dienaar wat minder krijgt dan de meester, is redelijk en rechtvaardig. Er is een verschil in waardigheid*.
     Je zou dat verschil in salaris kunnen verklaren als een vorm van ‘populisme’. Hoe breng je de gewone volksmens aan het verstand dat het parlement boven de regering staat? Die  volksmens, zo redeneert de populist,  zal toch wel best de taal van de centen begrijpen zeker? Wie het meeste verdient is de grootste. Onze leraar wiskunde, die een paar jaar in de Congo had gewerkt, vertelde daar een mooi verhaal over. Hij had een keer in een dorp een toespraak van Mobutu bijgewoond en de Grote Leider had toen maar één onderwerp: hoe rijk hij wel was. Hij bouwde dat zorgvuldig op. Eerst zei hij dat hij één miljoen had. Daar volgde applaus op. Daarna verzekerde hij de toehoorders dat het eigenlijk twee miljoen was, waarop het applaus toenam. Zo dreef hij zijn rijkdom geleidelijk op. Tegen het einde van de toespraak bezat hij een miljoen miljoen. Het publiek was uitzinnig.
     Toch heb ik tegen dat hogere salaris van de Kamervoorzitter enkele bezwaren. Zo’n voorzitter moet natuurlijk de debatten volgen en kan niet zoals andere parlementsleden op zijn mobieltje naar leuke kattenfilmpjes kijken. Hij moet bovendien op alle Kamerzittingen aanwezig zijn, terwijl een ander parlementslid naar hartenlust het absenteïsme kan bedrijven. Je zou met enige goeie wil kunnen zeggen dat de voorzitter in de Kamer harder werkt dan de anderen. Maar ... een parlementslid dat op Kamerzittingen  afwezig blijft, is misschien op dat eigenste ogenblik handjes aan het schudden op een worstenkermis, of hij is – ook niet mis –  in een bejaardentehuis bezig het levensverhaal van mogelijke kiezers te vernemen. Zo nu en dan kom je de absenteïstische volksvertegenwoordiger op een regenachtige morgen tegen, als hij met leden van de plaatselijke partijafdeling vlugschriften op de vrijdagmarkt uitdeelt. De Kamervoorzitter zit dan in een lekker verwarmde zaal en hanteert de hamer. Ik zie in dat alles dus geen reden om hem aanvullend smartengeld te betalen.
     Ook het populistische argument  moeten we even tegen het licht houden. Het kan best dat een hoog inkomen vroeger in de ogen van de volksmens een buitengewone  waardigheid verleende aan degene die een ambt bekleedde. Tegenwoordig is het evenwel omgekeerd. De  volksmens vindt – vaak luidruchtig –  dat de meeste politici al veel te veel krijgen voor wat ze waard zijn of voor wat ze verwezenlijken. Hoe meer zo’n politicus verdient, hoe verachtelijker de volksmens hem vindt**. Een populist moet dan met zijn tijd meegaan. Als hij wil dat de ‘eerste burger’ het meeste respect krijgt, dan moet hij ervoor zorgen dat die eerste burger juist minder betaald krijgt de andere parlementariërs en ministers.
     En die waardigheid … pff. Siegfried Bracke zal wel altijd een pias blijven, ook al geef je hem een miljoen per jaar, of  behang je zijn schouders met hermelijn.


* Bart Maddens wijst erop dat zo’n verschil in waardigheid niet verantwoord wordt door ons constitutioneel systeem. Hij legt het hoge salaris van de Kamervoorzitter uit als een kwestie van ‘loonspanning’. Het parlement als bedrijf – zo kun je het ook zien.
**Je zou in die afkeer van rijke politici, of is het afgunst? – mijn leerlingen houden die twee woorden moeilijk uit elkaar – je zou in die afkeer of afgunst dus  een vooruitgang kunnen zien tegenover de verering van vroeger. Zo kun je overal vooruitgang zien, als je je best maar doet.

zondag 12 februari 2017

Bij zijn 94ste verjaardag - Mijn vader als lezer


Was George Washington een pompeuze domoor?
     Ik heb mijn vader altijd een rare lezer gevonden. Het begon met de krant. Wij hadden er geen. Maar elke week kreeg hij een stapeltje nummers van La Libre Belgique die eerst door mijn oudoom, dan door mijn oudtantes en ten slotte door mijn grootmoeder waren uitgespeld. Mijn vader nam die op zaterdagmiddag mee naar bed, en na een paar uur was hij weer op de hoogte van wat die ‘playboy Kennedy’ of die ‘saloncommunist Sartre’ gezegd of gedaan hadden.
     Ook met boeken was het een rare zaak. Ik heb hem nooit een boek weten kopen. Ik heb hem nooit een bibliotheek weten bezoeken, ook niet toen er een kwam aan de overkant van de straat. Wat hij aan boeken bezit, moet hij gekocht hebben in een grijs verleden, toen hij nog als vrijgezel naar de opera in Rijsel ging. Hij heeft, toen hij trouwde, een zitmeubel overgenomen van een kennis die moest verhuizen, en in dat zitmeubel was een boekenkastje verwerkt. De leren bandjes die dat kastje vulden zijn toen meegeleverd en vormen nog altijd het zwaartepunt van zijn collectie. Verder kreeg mijn vader elk jaar een boek toegestuurd vanuit Duitsland, van het gastgezin waar hij de oorlogsjaren had doorgebracht.
     Toch maakt hij een belezen indruk. Dat komt deels omdat hij zo goed onthoudt wat hij gelezen had. En daarbij kwamen boeken hem altijd aangewaaid. Zo las hij alles wat zijn zonen het huis binnenbrachten: detectives, horrorverhalen, sciencefictionomnibussen, P.G. Woodhouse, Saki, het Verzameld Werk van Vladimir Iljitsj Lenin. Dat laatste heeft hij, toegegeven, niet helemaal uitgelezen want het bestond uit vijfenveertig delen.
     In de belletrie gaat zijn voorkeur uit naar het romantische – Fenimore Cooper, Hawthorne, Emily Brontë, Von Scheffel, (en hier), Lagerlöf, barones d’Orczy, Kipling, Margaret Mitchel. Anderzijds mag het het ook niet te sentimenteel worden. Hij verkiest dus Thackeray boven Dickens. Dickens schreef voor het volk – Thackeray schreef de waarheid. Die naïeve Amerikanen wilden het liever niet weten, maar George Washington was een pompeuze domoor geweest en Thackeray had hen dat in The Virginians eens goed duidelijk gemaakt. Ook Flaubert schreef de waarheid.  Als je echt iets wilde weten over de wreedheid van de Noord-Afrikanen, moest je Salambô maar eens lezen.
     Mijn vader is daarnaast altijd een erg snelle lezer geweest. Als ik een dik boek aansleepte, Oorlog en vrede bijvoorbeeld, dan was ik daar een maand mee zoet. Hij van zijn kant had het in enkele dagen uit. ‘Als het te langdradig wordt,’ zo verklaarde hij zijn geheim, ‘sla ik een paar bladzijden over.’ Hij volgde dus wel de avonturen van Andrej en Natasja, maar als Pierre op een diner van wal stak over de grote problemen der maatschappij, of als de oude Tolstoj zelf begon uit te weiden over de grondstromen der geschiedenis, dan werd snel verdergebladerd totdat het weer over vriendschap, ruzie, liefde of geld ging. Bij Gibbon, zo stel ik mij voor, sloeg hij de veldslagen, de economie, het recht, de theologie en een groot deel van de Byzantijnse Keizers over, vooral als ze Manuel, Michael of Alexios heetten. Maar hij had wel alle zes delen uit in drie weken. Ik deed er acht maanden over.

zaterdag 4 februari 2017

Bekentenis van een leraar

     Ik plaatste vorige week een stukje over de werkuren van de leraar. Daar kwam veel reactie op. Sommige mijner lezers schenen te denken dat leraren waarlijk maar 20 of 22 uur werkten en dat al dat gedoe van voorbereidingen, verbeteringen en vergaderingen – ‘al die tralala errond,’ zoals een lezeres schreef – vooral niet moest worden overdreven.
     Er moet geloof ik een tijd geweest zijn dat leraren inderdaad een luizenleven hadden. Als je Tsjechov leest – De meeuw, Drie zusters – dan waren de leraren aan het einde van de negentiende eeuw beklagenswaardige stumperds die voor een laag loon voortdurend taken aan het verbeteren waren en aan avondvergaderingen moesten deelnemen. Maar de leraren die ik in mijn jeugd heb gehad, leken echt wel tot een bevoorrechte klasse te behoren. Lesje geven, sigaretje roken in de leraarskamer – de rook walmde naar buiten als de deur maar even openging –, en dan vroeg naar huis, sommigen zelfs zonder boekentas, om verzekeringspolissen te gaan verkopen. Van de ‘kleine vakken’ werden in die tijd geen taken of toetsen gegeven of verbeterd. De leerplannen en de handboeken bleven decennialang dezelfde – het voorbereidingswerk moet dus ook meegevallen zijn. De leraar Latijn die beweerde dat hij een tekst van Tacitus de avond ervoor had moeten voorbereiden, geloofde ik niet eens.
     Of dat populaire beeld recht doet aan het lerarenbestaan van de zestiger en zeventiger jaren, kan worden betwijfeld. Maar toen ik rond de eeuwwisseling zelf les begon te geven - wat ik mij nooit beklaagd heb -, was het onderwijs in elk geval geen luizenbaantje meer*. Ik had daarvoor een rustige, redelijk betaalde betrekking gehad bij advocaten. Die betrekking had mij voldoende tijd en geestkracht gelaten om een tweede universitair diploma te behalen. Ik had boeken en tijdschriften gelezen, ik was naar de film geweest en ik had de edele kunst van het boekbinden beoefend. En ... ik had gedacht dat ik als leraar dat rustige bestaan verder kon zetten en misschien nog tussendoor een derde diploma kon behalen. Dat was fout gedacht**.
     Lesgeven voelde de eerste jaren aan als watertrappen met de twee wijsvingers boven water. Voorbereiden, voorbereiden, lesgeven, verbeteren, voorbereiden, voorbereiden. De zondagnamiddagen waren het ergste, en de zondagavond was nog erger, toen duidelijk werd dat de karwei niet gereed kwam. Ik herinner mij vakanties waarin ik amper de hotelkamer verliet en voortdurend op de draagbare computer bezig was. Mijn vrouw herinnert zich die vakanties ook nog. Ik zag die lesvoorbereidingen als een investering in de toekomst. Als ik eens de perfecte les had, dan kon ik die blijven geven tot aan mijn pensioen.
     Die perfecte les was een illusie. Een les die op papier schitterend leek, viel tegen in de klas. Een les die goed werkte bij leerlingen van de Latijnse, viel tegen bij die van Techniek-wetenschappen. Een les die ik eerst boeiend en origineel had gevonden, leek mij een jaar later al weer afgezaagd. Ik begon die les dan aan te passen, en toen bleek, enigszins tot mijn verbazing, dat dat aanpassen vaak nog meer werk meebracht dan van nul af aan te herbeginnen. Ook was die aangepaste les achteraf gezien soms minder goed dan de eerste versie.
     Nu de pensioenleeftijd nadert, is mijn zoektocht naar de perfecte les minder fanatiek geworden. Ik kan mijzelf niet meer voorhouden dat het aanpassen van mijn lessenreeks een investering in de toekomst is, want die toekomst wordt altijd maar korter. Ik doe het nog, dat aanpassen, maar dan een beetje zoals een terminale patiënt plannen blijft maken voor de toekomst – uit gewoonte. Ik lees weer boeken en tijdschriftartikels, die laatste op Facebook; ik kijk weer wat vaker naar films op de televisie; ik heb onlangs weer een boek ingebonden. En ik heb deze zaterdagvoormiddag gebruikt om dit stukje te schrijven.


* Het leraarschap is niet het enige beroep waarvan de beoefenaren geloven dat hun voorgangers er een veel beter leven mee hadden dan zijzelf.
** Vóór mijn kantoorbaantje had ik ook enkele jaren als fabrieksarbeider gewerkt. Dat het arbeidersbestaan voor iemand met mijn aanleg en ingesteldheid vele keren lastiger is dan dat van een leraar, lijdt geen twijfel.

zaterdag 28 januari 2017

Alle leraren 22 uur les?*

     De baas van het katholieke onderwijs Lieven Boeve wil al geruime tijd de lesopdracht van leraren in het middelbaar onderwijs gelijkschakelen. Vandaag geeft een leraar in de laagste klassen 22 uur les, in de hogere 21 uur en in de hoogste 20 uur. Boeve wil 22 uur voor iedereen en minister Crevits lijkt hem daarin nu te volgen**.
     Ik begrijp de minister. Door de opdracht van de meeste leraren met 5 of 10 % uit te breiden, krijgt ze een mooie besparing voor elkaar van 150 miljoen. Die zou ze willen gebruiken om het leven aangenamer te maken voor beginnende leerkrachten, want anders lopen die weg uit het onderwijs. Ook zouden oudere leerkrachten wat minder moeten werken.
     Voor mijzelf maakt het weinig verschil. In het huidige systeem geef ik 20 uur les, en in het nieuwe systeem 22 uur min 2, want ik ben boven de zestig. Dat komt dus, geloof ik, ongeveer op hetzelfde neer. Voor mijn facebookvriend Michel Berger maakt het nog minder verschil – want hij is gepensioneerd – maar toch windt hij zich over die gelijkschakeling op (hier). En hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Als leraar klassieke talen kwam hij zowel in de laagste als in de hoogste jaren, wat bij andere leraren niet zo vaak voorkomt. Uit ondervinding weet hij dat lesgeven in die hoogste jaren aanmerkelijk meer voorbereiding en verbeteringswerk vraagt dan in de laagste jaren. De collega’s klassieke talen op mijn school zeggen hetzelfde. En nu ik erover nadenk: mijn lessen in het 6de jaar kosten mij ook meer dan die in het 4de jaar.
     Daar komt nog iets bij. In de hoogste jaren wordt vooral lesgegeven door masters, en in de laagste jaren bijna uitsluitend door bachelors. Die bachelors hebben een lerarenopleiding gevolgd en zijn dus min of meer aan het beroep gebonden. Maar die masters hebben een wetenschappelijke opleiding gevolgd waardoor velen van hen ook in een ander beroep terecht kunnen. Het is dus niet erg verstandig om juist van die laatste groep de arbeidsvoorwaarden minder aantrekkelijk te maken. Zo’n chemielerares zou dan wel eens de voorkeur kunnen geven aan een loopbaan als chemical sales account manager in plaats van voor de klas met beamer en bord, maar vooral met handen en voeten, de reactievergelijkingen uit te leggen. 
      Wat mij bij Boeve het meest gestoord heeft, is zijn uitspraak dat de verschillende lesopdrachten een ‘historisch onrecht’ waren. Ik probeer altijd begrip op te brengen voor egalitair ingestelde medemensen, want zij zijn vaak de kwaadsten niet, maar soms ben ik er ook bang van. Velen onder hen dromen, geloof ik, van een onderwijssysteem waarin alle lesgevers gelijkgeschakeld worden, van kleuterleidster tot leraar in het zesde middelbaar – hetzelfde aantal lesuren, hetzelfde loon en dezelfde opleiding. ‘We maken er allemaal masters van, want het opvoeden van peuters is misschien nog de moeilijkste discipline van allemaal’***, zoals een vriendin mij ooit toevertrouwde.
     Ik moet in het onderwijs zo’n Nieuw Jeruzalem niet, met eenvormige opdracht, beloning en opleiding voor iedereen. Een mastergraad voor elke lesgever en opvoeder, het kan – meer zelfs, het bestaat in sommige landen – maar dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel worden heel wat van mijn sociaal-technische leerlingen van het beroep van kleuterleidster uitgesloten, terwijl ze er juist erg geschikt voor zijn – ofwel wordt de hele masteropleiding uitgehold, met erg ongunstige gevolgen voor het onderwijs in wiskunde, wetenschappen en vreemde talen. Ik heb ooit een cursus gevolgd met Amerikaanse leraren Frans en Spaans en die konden noch Frans, noch Spaans, behalve één dame van Mexicaanse origine die een beetje verliefd op mij was.
     Als minister Crevits zo nodig het lesurenbeleid wil aanpassen, dan heb ik dus liever dat dat losgemaakt wordt van een of ander ideologisch gelijkheidsstreven. Als ze met alle geweld een besparing van 150 miljoen rond wil krijgen, dan zou ze beter alle leerkrachten één uur meer laten werken. Voor de vakbonden – ik geef het graag toe – is het dan wel gemakkelijker om daartegen solidair verzet te ondernemen. Dat zal de minister niet fijn vinden. Maar dan moet ze maar eens heel duidelijk komen uitleggen hoe die 150 miljoen echt bij de startende leraren zal terechtkomen, en niet zal worden besteed aan een of andere ‘omkadering’ met nog maar eens extra uren vergadering, ondersteuning, bijscholing, portfolio-evaluatie en coaching. Ik zal die uitleg van de minister heel aandachtig aanhoren. En de minister mag ook eens uitleggen hoe de jonge leraren hun baan zullen behouden, als de oudere plots vijf procent meer werken. Volgen er dan geen vijf procent afdankingen? Ook die uitleg zal ik heel aandachtig volgen.



 * De werkweek van de leraar is gemiddeld minstens het dubbele van het aantal lesuren. Daar schrijf ik misschien mijn volgende stukje over.
 
** Wat eigenaardig! In Nederland, waar anders zoveel onderwijswijsheid vandaan wordt gehaald, heeft men net nu beslist het lesurenpakket in het middelbaar te verminderen tot – wait for it – 20 uur.
 
*** Dat het opvoeden van peuters misschien wel de moeilijkste discipline is, wil ik desnoods nog aanvaarden, maar het lijkt mij niet het soort ‘moeilijk’ dat je met een wetenschappelijke master te lijf gaat.

zaterdag 21 januari 2017

Oplichters


    Soms hangt iets in de lucht. In 2012 verschenen er twee films over het leven van Hitchock. Enkele jaren daarvoor verschenen op ongeveer hetzelfde ogenblik twee films over Truman Capote. En nog een paar jaar daarvoor kwamen kort na elkaar twee verfilmingen uit van de roman Les liaisons dangereuses*. Moeten we werkelijk geloven dat dat allemaal toevallig is?
     Een mooie samenloop vind ik ook deze: in 1928 werd op Broadway The Front Page van Hecht en MacArthur opgevoerd, terwijl in Parijs het stuk Topaze van Pagnol in première ging. De twee stukken gingen over dezelfde materie – de wereld van de zwendel en de oplichterij – waar onze eigen Elsschot vijf jaar daarvoor zijn grote werk Lijmen aan had gewijd.
     In de drie verhalen wordt dezelfde truc van het komisch duo gebruikt -  Walter Burns en Hildy Johnson, Castel Bénac en Topaze, Boorman en Laarmans. De eerste is de meester, de tweede is de leerling. Die leerling had ook een jonge vrouw kunnen zijn. De klassieke verfilming van The Front Page van 1940 heeft een vrouwelijke Hildy, en Elsschot begon zijn oorspronkelijke versie met Boormans nichtje Mies in plaats van Laarmans.
     Vooral enkele gelijklopende bijzonderheden in Lijmen en Topaze zijn merkwaardig. Sommige stukjes proza kun je gewoon naast elkaar leggen.

Dat Boorman zijn tijd bij ’t lood woog, bleek uit spreuken die de wand versierden, als daar waren: ‘Bondigheid in zaken, is zeker niet te laken.’

Aux murs, des placards sévères portant des inscriptions cagégoriques: ‘Soyez brefs’, ‘Le temps, c’est de l’argent’, ‘Parlez de chiffres’. 

Laarmans haalde een zilveren koker uit zijn zak en bood mij een ‘gold tipped’ sigaret aan.

Topaze a tiré de sa poche un étui d’argent. ‘Cigarette’?

 
     In de twee verhalen proberen de oplichters indruk te maken door met eretekens te pronken.

In zijn knoopsgat zat een decoratie … een kleurige rozet.

Elle prend le petit ruban violet  [les palmes d’honneurs], et les attache à sa boutonnière.

 
     En in de twee verhalen laten de ‘leerlingen’ hun ouderwetse baard afscheren zodat ze er als moderne zakenmannen uitzien.

‘Je ziet er goed uit,’ verklaarde Boorman. Ik heb gevreesd dat je baard het zou winnen.

 

‘Tu l’as coupé!’ Il montre le menton de Topaze.

 
     De les die wordt doorgegeven van meester aan leerling is dezelfde cynische boodschap:

‘Laarmans … de mensen zijn slecht.

Tamise, les hommes ne sont pas bons.

     Aardig is ten slotte dat de vorm van Boormans reclamezin** eveneens in in Topaze opduikt.

De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre etc.

De toutes les canailleries que cette vieille fripouille a montées, l’affaire des balayeuses est celle qui présente etc.

     Nu zou je kunnen aanvoeren dat er nogal een verschil is tussen reclame voor marmer en een uitval tegen smeerlapperijen. Maar dat is niet wat Boorman er zelf van vindt. ‘Het doet er niet toe wat je er tussen in last,’ zegt hij, ‘marmer, cement, papier of maarschalk Foch. Probeer het maar eens: “de tous les maréchaux de la grande guerre, le Maréchal Foch est certes celui qui etc.’
     Zou het niet fijn zijn als we de vorm van die zin ook terugvonden in The Front Page? Het is even zoeken, maar jawel hoor. In het laatste bedrijf vaart Hildy uit tegen zijn leermeester Walter Burns : ‘Of all the lowdown, stinking …’ begint Hildy, en hij maakt de zin helaas niet af. De kijker kan zelf naar believen verder gaan met  ‘frauds’, ‘outrages’, ‘depravities’ of ‘abominations’. Het doet er niet toe wat je er tussen in last.


* Hitchcock (2012), The Girl (2012), Capote (2005), Infamous (2006), Les liaisons dangereuses (1988), Valmont (1989)

** Over die zin schreef ik eerder al een stukje (hier).