zaterdag 18 februari 2017

Verdient Siegfried Bracke te veel?

Als Kamervoorzitter verdient Siegfried Bracke ongeveer 16 000 euro netto per maand. Premier Michel van zijn kant krijgt maar  11 000 euro. Dat is nog altijd vier keer meer dan wat ik ontvang, maar ’t is behoorlijk wat minder dan Siegfried, die toch  eigenlijk maar een gewone parlementariër is.
     De reden voor dat verschil is, geloof ik, de volgende. De Kamervoorzitter vertegenwoordigt de wetgevende macht – hij is de ‘eerste burger’ van het land – en men heeft indertijd door dat hoge bedrag willen duidelijk maken dat de wetgevende macht het hart van ons democratisch bestel is. De premier en de andere ministers zijn wezenlijk niets meer dan dienaren van de koning en van het parlement. En dat de dienaar wat minder krijgt dan de meester, is redelijk en rechtvaardig. Er is een verschil in waardigheid.
     Je zou dat verschil in salaris kunnen verklaren als een vorm van ‘populisme’. Hoe breng je de gewone volksmens aan het verstand dat het parlement boven de regering staat? Die  volksmens, zo redeneert de populist,  zal toch wel best de taal van de centen begrijpen zeker? Wie het meeste verdient is de grootste. Onze leraar wiskunde, die een paar jaar in de Congo had gewerkt, vertelde daar een mooi verhaal over. Hij had een keer in een dorp een toespraak van Mobutu bijgewoond en de Grote Leider had toen maar één onderwerp: hoe rijk hij wel was. Hij bouwde dat zorgvuldig op. Eerst zei hij dat hij één miljoen had. Daar volgde applaus op. Daarna verzekerde hij de toehoorders dat het eigenlijk twee miljoen was, waarop het applaus toenam. Zo dreef hij zijn rijkdom geleidelijk op. Tegen het einde van de toespraak bezat hij een miljoen miljoen. Het publiek was uitzinnig.
     Toch heb ik tegen dat hogere salaris van de Kamervoorzitter enkele bezwaren. Zo’n voorzitter moet natuurlijk de debatten volgen en kan niet zoals andere parlementsleden op zijn mobieltje naar leuke kattenfilmpjes kijken. Hij moet bovendien op alle Kamerzittingen aanwezig zijn, terwijl een ander parlementslid naar hartenlust het absenteïsme kan bedrijven. Je zou met enige goeie wil kunnen zeggen dat de voorzitter in de Kamer harder werkt dan de anderen. Maar ... een parlementslid dat op Kamerzittingen  afwezig blijft, is misschien op dat eigenste ogenblik handjes aan het schudden op een worstenkermis, of hij is – ook niet mis –  in een bejaardentehuis bezig het levensverhaal van mogelijke kiezers te vernemen. Zo nu en dan kom je de absenteïstische volksvertegenwoordiger op een regenachtige morgen tegen, als hij met leden van de plaatselijke partijafdeling vlugschriften op de vrijdagmarkt uitdeelt. De Kamervoorzitter zit dan in een lekker verwarmde zaal en hanteert de hamer. Ik zie in dat alles dus geen reden om hem aanvullend smartengeld te betalen.
     Ook het populistische argument  moeten we even tegen het licht houden. Het kan best dat een hoog inkomen vroeger in de ogen van de volksmens een buitengewone  waardigheid verleende aan degene die een ambt bekleedde. Tegenwoordig is het evenwel omgekeerd. De  volksmens vindt – vaak luidruchtig –  dat de meeste politici al veel te veel krijgen voor wat ze waard zijn of voor wat ze verwezenlijken. Hoe meer zo’n politicus verdient, hoe verachtelijker de volksmens hem vindt*. Een populist moet dan met zijn tijd meegaan. Als hij wil dat de ‘eerste burger’ het meeste respect krijgt, dan moet hij ervoor zorgen dat die eerste burger juist minder betaald krijgt de andere parlementariërs en ministers.
     En die waardigheid … pff. Siegfried Bracke zal wel altijd een pias blijven, ook al geef je hem een miljoen per jaar, of  hang je een hermelijnen mantel over zijn schouders.

 
* Je zou in die afkeer van rijke politici, of is het afgunst? – mijn leerlingen houden die twee woorden moeilijk uit elkaar – je zou in die afkeer of afgunst dus  een vooruitgang kunnen zien tegenover de verering van vroeger. Zo kun je overal vooruitgang zien, als je je best maar doet.

zondag 12 februari 2017

Bij zijn 94ste verjaardag - Mijn vader als lezer


Was George Washington een pompeuze domoor?
     Ik heb mijn vader altijd een rare lezer gevonden. Het begon met de krant. Wij hadden er geen. Maar elke week kreeg hij een stapeltje nummers van La Libre Belgique die eerst door mijn oudoom, dan door mijn oudtantes en ten slotte door mijn grootmoeder waren uitgespeld. Mijn vader nam die op zaterdagmiddag mee naar bed, en na een paar uur was hij weer op de hoogte van wat die ‘playboy Kennedy’ of die ‘saloncommunist Sartre’ gezegd of gedaan hadden.
     Ook met boeken was het een rare zaak. Ik heb hem nooit een boek weten kopen. Ik heb hem nooit een bibliotheek weten bezoeken, ook niet toen er een kwam aan de overkant van de straat. Wat hij aan boeken bezit, moet hij gekocht hebben in een grijs verleden, toen hij nog als vrijgezel naar de opera in Rijsel ging. Hij heeft, toen hij trouwde, een zitmeubel overgenomen van een kennis die moest verhuizen, en in dat zitmeubel was een boekenkastje verwerkt. De leren bandjes die dat kastje vulden zijn toen meegeleverd en vormen nog altijd het zwaartepunt van zijn collectie. Verder kreeg mijn vader elk jaar een boek toegestuurd vanuit Duitsland, van het gastgezin waar hij de oorlogsjaren had doorgebracht.
     Toch maakt hij een belezen indruk. Dat komt deels omdat hij zo goed onthoudt wat hij gelezen had. En daarbij kwamen boeken hem altijd aangewaaid. Zo las hij alles wat zijn zonen het huis binnenbrachten: detectives, horrorverhalen, sciencefictionomnibussen, P.G. Woodhouse, Saki, het Verzameld Werk van Vladimir Iljitsj Lenin. Dat laatste heeft hij, toegegeven, niet helemaal uitgelezen want het bestond uit vijfenveertig delen.
     In de belletrie gaat zijn voorkeur uit naar het romantische – Fenimore Cooper, Hawthorne, Emily Brontë, Von Scheffel, (en hier), Lagerlöf, barones d’Orczy, Kipling, Margaret Mitchel. Anderzijds mag het het ook niet te sentimenteel worden. Hij verkiest dus Thackeray boven Dickens. Dickens schreef voor het volk – Thackeray schreef de waarheid. Die naïeve Amerikanen wilden het liever niet weten, maar George Washington was een pompeuze domoor geweest en Thackeray had hen dat in The Virginians eens goed duidelijk gemaakt. Ook Flaubert schreef de waarheid.  Als je echt iets wilde weten over de wreedheid van de Noord-Afrikanen, moest je Salambô maar eens lezen.
     Mijn vader is daarnaast altijd een erg snelle lezer geweest. Als ik een dik boek aansleepte, Oorlog en vrede bijvoorbeeld, dan was ik daar een maand mee zoet. Hij van zijn kant had het in enkele dagen uit. ‘Als het te langdradig wordt,’ zo verklaarde hij zijn geheim, ‘sla ik een paar bladzijden over.’ Hij volgde dus wel de avonturen van Andrej en Natasja, maar als Pierre op een diner van wal stak over de grote problemen der maatschappij, of als de oude Tolstoj zelf begon uit te weiden over de grondstromen der geschiedenis, dan werd snel verdergebladerd totdat het weer over vriendschap, ruzie, liefde of geld ging. Bij Gibbon, zo stel ik mij voor, sloeg hij de veldslagen, de economie, het recht, de theologie en een groot deel van de Byzantijnse Keizers over, vooral als ze Manuel, Michael of Alexios heetten. Maar hij had wel alle zes delen uit in drie weken. Ik deed er acht maanden over.

zaterdag 4 februari 2017

Bekentenis van een leraar

     Ik plaatste vorige week een stukje over de werkuren van de leraar. Daar kwam veel reactie op. Sommige mijner lezers schenen te denken dat leraren waarlijk maar 20 of 22 uur werkten en dat al dat gedoe van voorbereidingen, verbeteringen en vergaderingen – ‘al die tralala errond,’ zoals een lezeres schreef – vooral niet moest worden overdreven.
     Er moet geloof ik een tijd geweest zijn dat leraren inderdaad een luizenleven hadden. Als je Tsjechov leest – De meeuw, Drie zusters – dan waren de leraren aan het einde van de negentiende eeuw beklagenswaardige stumperds die voor een laag loon voortdurend taken aan het verbeteren waren en aan avondvergaderingen moesten deelnemen. Maar de leraren die ik in mijn jeugd heb gehad, leken echt wel tot een bevoorrechte klasse te behoren. Lesje geven, sigaretje roken in de leraarskamer – de rook walmde naar buiten als de deur maar even openging –, en dan vroeg naar huis, sommigen zelfs zonder boekentas, om verzekeringspolissen te gaan verkopen. Van de ‘kleine vakken’ werden in die tijd geen taken of toetsen gegeven of verbeterd. De leerplannen en de handboeken bleven decennialang dezelfde – het voorbereidingswerk moet dus ook meegevallen zijn. De leraar Latijn die beweerde dat hij een tekst van Tacitus de avond ervoor had moeten voorbereiden, geloofde ik niet eens.
     Of dat populaire beeld recht doet aan het lerarenbestaan van de zestiger en zeventiger jaren, kan worden betwijfeld. Maar toen ik rond de eeuwwisseling zelf begon les te geven - wat ik mij nooit beklaagd heb -, was het onderwijs in elk geval geen luizenbaantje meer*. Ik had daarvoor een rustige, redelijk betaalde betrekking gehad bij advocaten. Die betrekking had mij voldoende tijd en geestkracht gelaten om een tweede universitair diploma te behalen. Ik had boeken en tijdschriften gelezen, ik was naar de film geweest en ik had de edele kunst van het boekbinden beoefend. En ... ik had gedacht dat ik als leraar dat rustige bestaan verder kon zetten en misschien nog tussendoor een derde diploma kon behalen. Dat was fout gedacht**.
     Lesgeven voelde de eerste jaren aan als watertrappen met de twee wijsvingers boven water. Voorbereiden, voorbereiden, lesgeven, verbeteren, voorbereiden, voorbereiden. De zondagnamiddagen waren het ergste, en de zondagavond was nog erger, toen duidelijk werd dat de karwei niet gereed kwam. Ik herinner mij vakanties waarin ik amper de hotelkamer verliet en voortdurend op de draagbare computer bezig was. Mijn vrouw herinnert zich die vakanties ook nog. Ik zag die lesvoorbereidingen als een investering in de toekomst. Als ik eens de perfecte les had, dan kon ik die blijven geven tot aan mijn pensioen.
     Die perfecte les was een illusie. Een les die op papier schitterend leek, viel tegen in de klas. Een les die goed werkte bij leerlingen van de Latijnse, viel tegen bij die van Techniek-wetenschappen. Een les die ik eerst boeiend en origineel had gevonden, leek mij een jaar later al weer afgezaagd. Ik begon die les dan aan te passen, en toen bleek, enigszins tot mijn verbazing, dat dat aanpassen vaak nog meer werk meebracht dan van nul af aan te herbeginnen. Ook was die aangepaste les achteraf gezien soms minder goed dan de eerste versie.
     Nu de pensioenleeftijd nadert, is mijn zoektocht naar de perfecte les minder fanatiek geworden. Ik kan mijzelf niet meer voorhouden dat het aanpassen van mijn lessenreeks een investering in de toekomst is, want die toekomst wordt altijd maar korter. Ik doe het nog, dat aanpassen, maar dan een beetje zoals een terminale patiënt plannen blijft maken voor de toekomst – uit gewoonte. Ik lees weer boeken en tijdschriftartikels, die laatste op Facebook; ik kijk weer wat vaker naar films op de televisie; ik heb onlangs weer een boek ingebonden. En ik heb deze zaterdagvoormiddag gebruikt om dit stukje te schrijven.


* Het leraarschap is niet het enige beroep waarvan de beoefenaren geloven dat hun voorgangers er een veel beter leven mee hadden dan zijzelf.
** Vóór mijn kantoorbaantje had ik ook enkele jaren als fabrieksarbeider gewerkt. Dat het arbeidersbestaan voor iemand met mijn aanleg en ingesteldheid vele keren lastiger is dan dat van een leraar, lijdt geen twijfel.

zaterdag 28 januari 2017

Alle leraren 22 uur les?*

     De baas van het katholieke onderwijs Lieven Boeve wil al geruime tijd de lesopdracht van leraren in het middelbaar onderwijs gelijkschakelen. Vandaag geeft een leraar in de laagste klassen 22 uur les, in de hogere 21 uur en in de hoogste 20 uur. Boeve wil 22 uur voor iedereen en minister Crevits lijkt hem daarin nu te volgen**.
     Ik begrijp de minister. Door de opdracht van de meeste leraren met 5 of 10 % uit te breiden, krijgt ze een mooie besparing voor elkaar van 150 miljoen. Die zou ze willen gebruiken om het leven aangenamer te maken voor beginnende leerkrachten, want anders lopen die weg uit het onderwijs. Ook zouden oudere leerkrachten wat minder moeten werken.
     Voor mijzelf maakt het weinig verschil. In het huidige systeem geef ik 20 uur les, en in het nieuwe systeem 22 uur min 2, want ik ben boven de zestig. Dat komt dus, geloof ik, ongeveer op hetzelfde neer. Voor mijn facebookvriend Michel Berger maakt het nog minder verschil – want hij is gepensioneerd – maar toch windt hij zich over die gelijkschakeling op (hier). En hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Als leraar klassieke talen kwam hij zowel in de laagste als in de hoogste jaren, wat bij andere leraren niet zo vaak voorkomt. Uit ondervinding weet hij dat lesgeven in die hoogste jaren aanmerkelijk meer voorbereiding en verbeteringswerk vraagt dan in de laagste jaren. De collega’s klassieke talen op mijn school zeggen hetzelfde. En nu ik erover nadenk: mijn lessen in het 6de jaar kosten mij ook meer dan die in het 4de jaar.
     Daar komt nog iets bij. In de hoogste jaren wordt vooral lesgegeven door masters, en in de laagste jaren bijna uitsluitend door bachelors. Die bachelors hebben een lerarenopleiding gevolgd en zijn dus min of meer aan het beroep gebonden. Maar die masters hebben een wetenschappelijke opleiding gevolgd waardoor velen van hen ook in een ander beroep terecht kunnen. Het is dus niet erg verstandig om juist van die laatste groep de arbeidsvoorwaarden minder aantrekkelijk te maken. Zo’n chemielerares zou dan wel eens de voorkeur kunnen geven aan een loopbaan als chemical sales account manager in plaats van voor de klas met beamer en bord, maar vooral met handen en voeten, de reactievergelijkingen uit te leggen. 
      Wat mij bij Boeve het meest gestoord heeft, is zijn uitspraak dat de verschillende lesopdrachten een ‘historisch onrecht’ waren. Ik probeer altijd begrip op te brengen voor egalitair ingestelde medemensen, want zij zijn vaak de kwaadsten niet, maar soms ben ik er ook bang van. Velen onder hen dromen, geloof ik, van een onderwijssysteem waarin alle lesgevers gelijkgeschakeld worden, van kleuterleidster tot leraar in het zesde middelbaar – hetzelfde aantal lesuren, hetzelfde loon en dezelfde opleiding. ‘We maken er allemaal masters van, want het opvoeden van peuters is misschien nog de moeilijkste discipline van allemaal’***, zoals een vriendin mij ooit toevertrouwde.
     Ik moet in het onderwijs zo’n Nieuw Jeruzalem niet, met eenvormige opdracht, beloning en opleiding voor iedereen. Een mastergraad voor elke lesgever en opvoeder, het kan – meer zelfs, het bestaat in sommige landen – maar dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel worden heel wat van mijn sociaal-technische leerlingen van het beroep van kleuterleidster uitgesloten, terwijl ze er juist erg geschikt voor zijn – ofwel wordt de hele masteropleiding uitgehold, met erg ongunstige gevolgen voor het onderwijs in wiskunde, wetenschappen en vreemde talen. Ik heb ooit een cursus gevolgd met Amerikaanse leraren Frans en Spaans en die konden noch Frans, noch Spaans, behalve één dame van Mexicaanse origine die een beetje verliefd op mij was.
     Als minister Crevits zo nodig het lesurenbeleid wil aanpassen, dan heb ik dus liever dat dat losgemaakt wordt van een of ander ideologisch gelijkheidsstreven. Als ze met alle geweld een besparing van 150 miljoen rond wil krijgen, dan zou ze beter alle leerkrachten één uur meer laten werken. Voor de vakbonden – ik geef het graag toe – is het dan wel gemakkelijker om daartegen solidair verzet te ondernemen. Dat zal de minister niet fijn vinden. Maar dan moet ze maar eens heel duidelijk komen uitleggen hoe die 150 miljoen echt bij de startende leraren zal terechtkomen, en niet zal worden besteed aan een of andere ‘omkadering’ met nog maar eens extra uren vergadering, ondersteuning, bijscholing, portfolio-evaluatie en coaching. Ik zal die uitleg van de minister heel aandachtig aanhoren. En de minister mag ook eens uitleggen hoe de jonge leraren hun baan zullen behouden, als de oudere plots vijf procent meer werken. Volgen er dan geen vijf procent afdankingen? Ook die uitleg zal ik heel aandachtig volgen.



 * De werkweek van de leraar is gemiddeld minstens het dubbele van het aantal lesuren. Daar schrijf ik misschien mijn volgende stukje over.
 
** Wat eigenaardig! In Nederland, waar anders zoveel onderwijswijsheid vandaan wordt gehaald, heeft men net nu beslist het lesurenpakket in het middelbaar te verminderen tot – wait for it – 20 uur.
 
*** Dat het opvoeden van peuters misschien wel de moeilijkste discipline is, wil ik desnoods nog aanvaarden, maar het lijkt mij niet het soort ‘moeilijk’ dat je met een wetenschappelijke master te lijf gaat.

zaterdag 21 januari 2017

Oplichters


    Soms hangt iets in de lucht. In 2012 verschenen er twee films over het leven van Hitchock. Enkele jaren daarvoor verschenen op ongeveer hetzelfde ogenblik twee films over Truman Capote. En nog een paar jaar daarvoor kwamen kort na elkaar twee verfilmingen uit van de roman Les liaisons dangereuses*. Moeten we werkelijk geloven dat dat allemaal toevallig is?
     Een mooie samenloop vind ik ook deze: in 1928 werd op Broadway The Front Page van Hecht en MacArthur opgevoerd, terwijl in Parijs het stuk Topaze van Pagnol in première ging. De twee stukken gingen over dezelfde materie – de wereld van de zwendel en de oplichterij – waar onze eigen Elsschot vijf jaar daarvoor zijn grote werk Lijmen aan had gewijd.
     In de drie verhalen wordt dezelfde truc van het komisch duo gebruikt -  Walter Burns en Hildy Johnson, Castel Bénac en Topaze, Boorman en Laarmans. De eerste is de meester, de tweede is de leerling. Die leerling had ook een jonge vrouw kunnen zijn. De klassieke verfilming van The Front Page van 1940 heeft een vrouwelijke Hildy, en Elsschot begon zijn oorspronkelijke versie met Boormans nichtje Mies in plaats van Laarmans.
     Vooral enkele gelijklopende bijzonderheden in Lijmen en Topaze zijn merkwaardig. Sommige stukjes proza kun je gewoon naast elkaar leggen.

Dat Boorman zijn tijd bij ’t lood woog, bleek uit spreuken die de wand versierden, als daar waren: ‘Bondigheid in zaken, is zeker niet te laken.’

Aux murs, des placards sévères portant des inscriptions cagégoriques: ‘Soyez brefs’, ‘Le temps, c’est de l’argent’, ‘Parlez de chiffres’. 

Laarmans haalde een zilveren koker uit zijn zak en bood mij een ‘gold tipped’ sigaret aan.

Topaze a tiré de sa poche un étui d’argent. ‘Cigarette’?

 
     In de twee verhalen proberen de oplichters indruk te maken door met eretekens te pronken.

In zijn knoopsgat zat een decoratie … een kleurige rozet.

Elle prend le petit ruban violet  [les palmes d’honneurs], et les attache à sa boutonnière.

 
     En in de twee verhalen laten de ‘leerlingen’ hun ouderwetse baard afscheren zodat ze er als moderne zakenmannen uitzien.

‘Je ziet er goed uit,’ verklaarde Boorman. Ik heb gevreesd dat je baard het zou winnen.

 

‘Tu l’as coupé!’ Il montre le menton de Topaze.

 
     De les die wordt doorgegeven van meester aan leerling is dezelfde cynische boodschap:

‘Laarmans … de mensen zijn slecht.

Tamise, les hommes ne sont pas bons.

     Aardig is ten slotte dat de vorm van Boormans reclamezin** eveneens in in Topaze opduikt.

De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre etc.

De toutes les canailleries que cette vieille fripouille a montées, l’affaire des balayeuses est celle qui présente etc.

     Nu zou je kunnen aanvoeren dat er nogal een verschil is tussen reclame voor marmer en een uitval tegen smeerlapperijen. Maar dat is niet wat Boorman er zelf van vindt. ‘Het doet er niet toe wat je er tussen in last,’ zegt hij, ‘marmer, cement, papier of maarschalk Foch. Probeer het maar eens: “de tous les maréchaux de la grande guerre, le Maréchal Foch est certes celui qui etc.’
     Zou het niet fijn zijn als we de vorm van die zin ook terugvonden in The Front Page? Het is even zoeken, maar jawel hoor. In het laatste bedrijf vaart Hildy uit tegen zijn leermeester Walter Burns : ‘Of all the lowdown, stinking …’ begint Hildy, en hij maakt de zin helaas niet af. De kijker kan zelf naar believen verder gaan met  ‘frauds’, ‘outrages’, ‘depravities’ of ‘abominations’. Het doet er niet toe wat je er tussen in last.


* Hitchcock (2012), The Girl (2012), Capote (2005), Infamous (2006), Les liaisons dangereuses (1988), Valmont (1989)

** Over die zin schreef ik eerder al een stukje (hier).

woensdag 18 januari 2017

Jules en de betere film


     Ik heb Jules voor het eerst ontmoet toen ik nog bij mijn ouders woonde. Die hadden een bioscoop en elke week draaide er een film waarvan mijn vader hoopte dat hij commercieel was. De belangrijkste toetsteen daarvoor had hij van zijn vader geleerd: geen water, geen zand en geen lucht. Geen films dus over schepen, geen films over de woestijn en geen films over vliegmachines. Daarnaast werd onze zaal acht keer per jaar opengesteld voor ‘de betere film’. Die betere film werd gekozen door Jules Vandevoorde (1937-2016), die als een heetgebakerde zendeling door Zuid-West-Vlaanderen trok, van zaal naar zaal en van school naar school, om de halve wilden aldaar tot de hogere filmkunst te bekeren. Na de voorstelling bij ons kwam hij nog even de huiskamer binnen om een praatje te maken. Daar zagen mijn ouders erg tegen op.
     Ik hoorde Jules graag praten. Ik was achttien en wist alles beter, en Jules was vijfendertig en wist alles nog beter. Romeo and Juliet van Zeffirelli was een prul, een pensenkermis, zóver beneden het peil van de klassieker van 1936 met Norma Shearer. Dat wist het kleinste kind. De beste film van de laatste tien jaar was Kocár do Vídne van Karel Kachyna. Wie daar anders over dacht, kende niets van films. De waarde van Kubrick lag in zijn symboliek. Beeld je eens in, een vrouw van wie het hoofd wordt ingeslagen met een grote marmeren penis, dat was toch thanatos en eros in zijn zuiverste vorm.
De Tsjechische klassieker Kocár do Vídne (1966)
     Ik was het daar allemaal niet mee eens. Ik was verliefd op die Juliet van Zeffirelli en die Norma Shearer kon mij gestolen worden. In die film van Kachyna gebeurde er niets – ik geloof zelfs dat de kar nooit in Wenen aankwam. En symbolen in boeken en films herken ik maar als er een kaartje aan vasthangt met in grote letters het woord ‘symbool’ erop, en dan lees of kijk ik niet verder.
     Maar Jules bracht zijn mening met vuur en volume – hij was toen nog niet zo hees. En hij stopte niet toen het bedtijd werd. Als hij uitgepraat was over film, begon hij over iets anders. Dat was niet moeilijk, want hij had overal een mening over. De geschiedenislessen bijvoorbeeld. Die moesten helemaal anders. Al die koningen, al die verhaaltjes, daar had je niks aan. De grote verbanden, daar kwam het op aan. Hoe de economie de politiek bepaalde en de politiek op zijn beurt de cultuur. Ook daar was ik het niet mee eens. Dat wil zeggen: als marxist vond ik natuurlijk dat de economie de politiek bepaalde, daar kon ik Jules in volgen, maar ik had toch nog altijd liever geschiedenisles met verhaaltjes.
     Mensen die alles beter weten zijn niet bepaald dun gezaaid. Maar mensen als Jules zijn zeldzamer. Hij wist niet alleen alles beter, hij wist ook alles. Een kennis van mij heeft een keer, samen met drie vrienden, een weddenschap met Jules aangegaan. De geleerdheid van vier tegen de geleerdheid van één. Het ging over een voetbalmatch in vierde provinciale van tien jaar daarvoor, of over een kermiskoers van nog langer geleden. De vier wisten zeker wat de uitslag van die match of van die koers was geweest. Maar ze waren hun geld kwijt. Jules wist het beter.

Als je op de bijgevoegde link klikt (hier), hoor je Jules-de-verteller over zijn vriend Albert Bert. Met dank aan Arnold Seynaeve.

Jules Vandevoorde (1937-2016), links op de foto

zondag 15 januari 2017

Goed zo, mevrouw de minister

     Vrijdagavond ben ik met een bang hartje beginnen kijken naar het interview met Hilde Crevits* in Terzake. Het zou over de hervorming van het middelbaar onderwijs gaan. Allerlei belangrijke mensen zijn daar al tien jaar over aan het praten en wat je daarvan opving was meestal niet veel goeds. Wat zou het dus worden? Een redelijke vernieuwing om het niveau te verbeteren? Om de scholen wat meer bewegingsvrijheid te schenken? Om de ‘schotten’ tussen de onderwijsvormen weg te halen zodat leerlingen van tso kunnen doorschakelen naar aso, in plaats van alleen omgekeerd? Een regeling om het aantal studierichtingen in te perken zodat het geld kan worden besteed aan kwaliteit en algemene vorming? Misschien werd ook wat ruimte geschapen om extra Nederlandse lessen voor migrantenkinderen op touw te zetten? Daar kon ik allemaal achterstaan.
     Of zouden daarentegen de revolutionairen hun slag thuis halen, met hun afschaffing van aso, tso en bso, met hun gemeenschappelijke eerste graad en met hun verplichte ‘matrix-scholen’, ook wel ‘domeinscholen’ genoemd? Daar was ik wel bang van toen ik het programma begon te bekijken.
     Maar ik was bang geweest voor niks. De redelijken hadden het gehaald**. “Het is een akkoord,” zei Crevits al in de eerste minuut, “dat zeker niet de grote revolutie is … De goeie dingen, die behouden we … We willen geen tabula rasa in ons onderwijs.” Dat hoor ik graag. Crevits keerde zich verder in ronde woorden tegen de “eenheidsworst” in het eerste en tweede middelbaar. “Daar hebben we nooit voor gestaan,” zei ze, “dat willen we helemaal niet.” Ook dat hoor ik graag.
     Wat de hervorming wél doet, is in het eerste jaar een brede algemene vorming van 27 uur vastleggen, met voor alle kinderen dezelfde vakken, en met daarnaast een pakketje van 5 uur aangepaste lessen. Als je het verstandig aanlegt, is de  “eenheidsworst” daarmee inderdaad van de baan. Kinderen van wie in de lagere school al gebleken is dat ze een verschillende aanleg hebben om te leren, hoeven dus niet in dezelfde klas te worden samen gezet***. Die 5 uur ‘aangepaste lessen’ zijn voldoende om binnen het aso een Latijnse klas, een 'Stem'-klas en een ‘Moderne klas’ in te richten. Voor sommige tso-richtingen is het wellicht wat moeilijker om hun specialisatie in die 5 uur geperst te krijgen. Gelukkig zijn er vanaf het tweede jaar 7 uur aangepaste lessen en dan moet het wel lukken.
     Even belangrijk is dat de verplichte herstructurering in matrix-scholen wordt verlaten. Als ik het woord matrix in een bestuurlijk context hoor, zinkt de moed mij in de schoenen. Ik heb op mijn school ooit deelgenomen aan een reeks vergaderingen over de ‘vrije ruimte’ – die twee uurtjes in het vijfde en het zesde jaar die een school vrij kan invullen. Er kwamen enkele leuke voorstellen. Toen suggereerde iemand om die voorstellen in een matrix te plaatsen. Vanaf dat ogenblik heb ik niet meer opgelet en ik heb toen ook niks meer gezegd.
     Zo’n matrix is nuttig in de wetenschap. In de taalwetenschap kun je die bijvoorbeeld gebruiken om de medeklinkers overzichtelijk weer te geven.


      Dat is een prima schema waar ik me als Nederlandstalige prima mee kan behelpen. Alleen valt het op dat enkele vakjes leeg zijn, en omgekeerd dat enkele onzer medeklinkers in de matrix geen plaats hebben gevonden, zoals de m, l, n en de r – de medeklinkers in het woord ‘molenaar’. Laat je nu een bureaucraat op zo’n matrix los, dan zal hij wel even een paar nieuwe medeklinkers uitvinden om de lege vakjes te vullen, en een paar bestaande afschaffen waar geen goed plaatsje voor gevonden is. Bureaucraten zijn in wezen revolutionairen die de realiteit willen aanpassen aan hun matrix.
     Ook in het onderwijs zijn zulke bureaucraten werkzaam. Ze worden soms ‘de sector’ genoemd. Die sectormensen hebben jaren gewerkt om een mooie matrix op te zetten, die het theoretische aso, het praktische bso en het gemengde tso zou vervangen. Die matrix zou uit vijf belangstellingsdomeinen bestaan. Elke school zou aan dat matrix-model moeten meedoen, één of meer belangstellingsdomeinen aanbieden, en binnen dat domein drie verschillende niveaus inrichten, waartussen de leerlingen zich kunnen bewegen. Scholen zouden daarom moeten fuseren, activiteiten verhuizen, samenwerkingsverbanden aangaan en campussen oprichten. Er zou ook veel vergaderd worden.  


     Als ik eerlijk ben, heeft die matrixschool wel een voordeel. Het wordt voor leerlingen makkelijker om binnen dezelfde school van niveau te veranderen. Als je vaststelt dat de theoretische aanpak van je ‘belangstelling’ niks voor jou is, kun je overstappen naar de theoretisch-praktische richting. De kritische lezer vraagt nu: is dat niet het oude watervalsysteem dat men ten alle prijze wou vermijden? Welnee, en dat is juist het mooie. Het watervalsysteem was een overstap van aso naar tso of van tso naar bso, en aangezien die benamingen zijn afgeschaft kun je niet meer van een ‘waterval’ spreken. Het is nu een ‘doorstroming’ of een ‘doorschakeling’ geworden. Het is een geliefd tijdverdrijf onder bureaucraten om met woorden de werkelijkheid te bezweren.
     De matrix had vooral veel nadelen. De directeurs en directrices van horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen schrokken zich een ongeluk toen ze zagen dat er voor hun scholen in de matrix geen plaats was. Ze stuurden boze brieven naar de minister. Maar dat was niet het grootste nadeel. Het grootste nadeel was dat het aso in die ‘domeinen’ eigenlijk niets te zoeken had. Het aso in de vakjes van de matrix wringen, was volstrekt tegennatuurlijk. Het aso is immers, zoals de naam zegt, een algemeen onderwijs, dat voorbereidt op alle mogelijke richtingen van hoger onderwijs, en niet alleen op de richtingen binnen één ‘belangstellingsdomein’. Wie uit het aso komt, en voldoende aanleg en motivatie heeft, moet in alle richtingen terecht kunnen. Die aso-leerlingen hebben in de tweede en de derde graad doorgaans een studierichting gekozen zonder daarbij te denken aan een welbepaald beroep dat ze later willen uitvoeren. Ze wilden juist alle mogelijkheden openhouden. Vaak weten ze in het laatste jaar nog niet wat ze willen studeren.
     Neem een hogere studie zoals geneeskunde. Daarvoor moet je een ingangsexamen afleggen met veel wiskunde en wetenschappen. Kinderen die op hun zestiende zeker weten dat ze voor arts willen leren, kiezen daarom wel eens voor de richting Wetenschappen-Wiskunde. Maar ik heb ook leerlingen uit Latijn-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen, Grieks-Latijn, Economie-Wiskunde en Techniek-Wetenschappen (tso) voor dat ingangsexamen weten slagen.

     Of neem de opleiding voor handelsingenieur. Volgens de theorie van de belangstellingsdomeinen zouden de kandidaten daarvoor moeten worden gezocht onder de leerlingen van Economie-Wiskunde of Economie-Moderne talen. In werkelijkheid komen die nogal eens uit Latijn-Wiskunde, Grieks-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen en Wetenschappen-Wiskunde. Dat is het voordeel van een stevige algemene vorming – je kunt er alle richtingen mee uit.
     Het huidige akkoord maakt gelukkig korte metten met de uitwassen van het matrix-systeem.

(1)    Geen enkele school wordt verplicht in het matrix-systeem te stappen. Het snode plan van de vorige minister Pascal Smet om matrix-scholen financieel te belonen en niet-matrixscholen financieel te straffen gaat niet door. Elke school kan gewoon verdergaan met de richtingen die ze tot nu toe aanbood, ook al sneuvelen er wel een aantal richtingen.

(2)    Het volledige aso – toch 40 % van de leerlingen – wordt uit de matrix gelicht. Alle aso-richtingen blijven bestaan, behalve het weinig gevolgde Grieks-Wetenschappen. In de kranten werd dat niet goed uitgelegd. Het Nieuwsblad van zaterdag publiceert een verwarrende grafiek die de indruk geeft dat Latijn, Moderne Talen enzovoort in de matrix-structuur kunnen worden ondergebracht. Dat is niet zo.

(3)    Het aantal ‘belangstellingsdomeinen’ wordt van vijf naar acht gebracht. De matrix wordt op die manier aangepast aan de reëel bestaande tso- en bso-richtingen. Horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen krijgen hun plaatsje in het systeem. Ook hier kunnen scholen dus grotendeels verdergaan met hun bestaande aanbod, met wellicht een nauwere samenwerking tussen tso en bso.
 
     Als je alles samenlegt, krijgen de scholen met de huidige hervorming een grotere vrijheid dan voorheen. In de eerste graad kunnen ze 5 tot 7 uur vrij invullen. In de tweede en derde graad kunnen tso- en bso-scholen zelf kiezen of ze zich in een grotere domeinschool bundelen of niet. We mogen hopen dat die vrijheid, zoals elke vrijheid, verstandig zal worden gebruikt. Het zou bijvoorbeeld fijn zijn als scholen met veel migrantenkinderen hun 5 of 7 uur aangepaste lessen gebruiken om de leerlingen zo goed mogelijk Nederlands te leren. Dat wordt door het akkoord wel niet verplicht, maar zo dwaas zullen de schoolhoofden toch niet zijn, dat ze die kans laten liggen.
     Bestaat het gevaar niet dat de grote schoolrevolutie nu van onderuit wordt gevoerd? Revolutionairen die een veldslag verliezen willen wel eens tot de guerrilla overgaan. Georges Monard, wiens hand – ik had bijna geschreven ‘wiens grijnslachende hand’ –  we achter elk hervormingsplan van de laatste 35 jaar ontwaren, zegt in De Standaard: ‘Het is nu aan de scholen zelf om de hervorming in te vullen.’ Wellicht bedoelt hij zijn hervorming. Maar eigenlijk ben ik er redelijk gerust in. Ik geloof vast dat de meeste directies en schoolbesturen hun energie liever zullen wijden aan de kwaliteit van hun lessen dan aan zo’n matriciële structuurhervorming. Op dat plaatselijke niveau zal de folie des grandeurs heus wel minder ontwikkeld zijn dan in de Brusselse kringen.
      Resten nog de onderwijskoepels. Daar ben ik minder gerust in. Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs maakt zich zorgen dat “scholen die dat willen [kunnen] blijven werken zoals ze dat vandaag al doen.” Ze zegt het alsof ze spreekt over een pedofilieschandaal waar niemand iets aan doet.
     Er is een veelzeggende passage in het Terzake-interview van vrijdagavond. Op een bepaald ogenblik haalt Kathleen Cools een uitspraak van Lieven Boeve aan. De baas van het katholiek onderwijs had het akkoord onvoldoende ‘ambitieus’ gevonden. Crevits begint haar antwoord met ‘Ja, ik vind eigenlijk …’ En wat ze van Boeve vindt komen we niet te weten, want ze herpakt zich. In plaats van eens ferm haar mening te zeggen over directeur-generaal, legt ze uit hoe de vrijheid van onderwijs in Vlaanderen werkt: “Het akkoord dat wij gesloten hebben, geeft scholen de kans om zich te organiseren zoals ze dat willen. Als Lieven Boeve zegt: ‘Ik wil eigenlijk overal hetzelfde met mijn scholen,’ dan kan dat. Maar wij als overheid zullen dat niet opleggen, trouw aan de vrijheid van onderwijs.” Boeve en zijn scholen? Klonk de minister daar geïrriteerd?
     Kort samengevat: Crevits is voor een “variëteit van scholen”. Ze vindt dat scholen “in hun sterkte moeten worden gelaten”. Ze heeft er geen problemen met aparte aso-scholen. Ze vreest dat verplichte domeinscholen het moeilijker kunnen maken om dicht bij huis de best passende onderwijsvorm te vinden. En boven alles is ze tegen “eenheidsworst” – wat ze geloof ik drie keer herhaalt. Anderzijds, als Boeve met alle geweld  eenheidsworst wil, laat ze verstaan, dan moet hij dat maar uitvechten met ‘zijn’ scholen.
     Zou Boeve dat gevecht willen aangaan met ‘zijn’ scholen? Misschien. Maar tot nu toe wisten de Guimarstraathervormers zich altijd gesteund door de minister en de overheid. Dat is nu toch even anders.

_______


* Toen Hilde Crevits minister van Onderwijs werd, had ik er weinig vertrouwen in. Ondertussen heeft zij mij al meer dan één keer in positieve zin verrast (hier) en (hier).

** Dat is ook de mening van de onvermoeibare onderwijsspecialist Raf Feys (hier) en gewezen leraar Peter De Roover (hier)

***Over het aso-bso-tso heb ik al eens een stukje geschreven (hier)
 


 

vrijdag 13 januari 2017

Ik ben een IMTI

Nassim Taleb, auteur van The Black Swan en Skin in the Game
     In niet meer dan enkele bladzijden (hier) somt Nassim Taleb, de auteur van The Black Swan, wel vijftig eigenschappen op waaraan je moet voldoen om tot de categorie van de pseudo-intellectuelen te behoren. Het is geloof ik onmogelijk om al die eigenschappen te bezitten. Zo heb ik nooit voor Hillary Clinton gestemd, noch voor Tony Blair – ik heb daar zelfs nooit de kans toe gekregen. Niettemin meen ik aanspraak te mogen maken op de titel, vooral nu Taleb er een mooi nieuw woord voor heeft verzonnen: Intellectual-Yet-Idiot (IYI) of in het Nederlands Intellectueel-Maar-Toch-Idioot (IMTI).*

     Ik doe een greep uit Talebs IMTI-eigenschappen.
 
·       De IMTI is vooral goed in het afleggen van examens die opgesteld zijn door mensen zoals hemzelf.
Als de gelegenheid zich voordoet breng ik graag ter sprake dat ik afgestudeerd ben met mooie cijfers.

·       De IMTI gebruikt geen grove woorden op de sociale media.
Ik heb één keer iemand een ‘klootzak’ genoemd (hier). Dat is de moeite niet waard om van te spreken vind ik.

·       De IMTI was vroeger fout over het stalinisme en het maoïsme, maar is ervan overtuigd dat zijn huidige mening de enige juiste is.
Zo is dat. Een knappe jongen die mij mijn huidige neoliberalisme uit mijn hoofd praat!

·       De IMTI gebruikt statistieken zonder te weten hoe je die moet afleiden, zoals Steven Pinker.
Tja, als Steven Pinker dat niet kan, hoe zou ik dat dan moeten kunnen?

·       De IMTI begrijpt niet wat ‘ergodiciteit’ is. Als je het hem uitlegt, vergeet hij het kort daarop weer.
Ik heb het woord zojuist opgezocht, en ben de uitleg nu al vergeten.

·       De IMTI heeft nog nooit grote hoeveelheden wodka gedronken in het gezelschap van Russen.
Ik drink al zestien jaar niks meer, met of zonder Russen.

·       De IMTI kent het verschil niet tussen Hecate en Hecuba.  
Hecate? Hecuba? Hebben die niets met de Oude Grieken te maken? Of met de Trojanen? Zou het woord ‘hecatombe’ van ‘Hecate’ afgeleid zijn?

·       De IMTI heeft nooit iets gelezen van Frederic Dard, Libanius Antiochus, Michael Oakeshot, John Gray, Ammianus Marcellinus, Ibn Battuta, Saadiah Gaon of Joseph De Maistre.
Check. Van vijf van die namen had ik zelfs nog nooit gehoord.

·       De IMTI gelooft in een koolhydraatarm dieet.
En of ik erin geloof. Twintig kilogram afgevallen.

·       De IMTI doet niet aan gewichtheffen.
Heb ik ooit gedaan, tijdens mijn paracommando-opleiding. Ik werd er duizelig van. Nooit meer.

      Nu ben jij, lieve lezer, misschien ook wel een IMTI. Misschien drink jij ook geen wodka in het gezelschap van Russen, doe je niet aan gewichtheffen, weet je niet wie Ammianus Marcellinus is en ben je vergeten wie Hecate nu ook weer was. Maar voldoe je ook aan de volgende voorwaarde?

·       De IMTI heeft in zijn boekenkast een eerste druk van The Black Swann van Nassim Taleb.
Die heb ik in elk geval wel. Gekocht in Barnes & Nobel, New York, kort na de verschijning. Als een echte IMTI ben ik daar trots op.

______

*   Taleb is natuurlijk een spotter en een provocateur, maar ondertussen stipt hij toch maar een wezenlijk probleem aan – dat van de hoger opgeleide die beroepsmatig allerlei meningen verkondigt, aanpraat of opdringt, terwijl hij geen echte verantwoordelijkheid draagt of schade ondervindt als het bij het toepassen van die meningen faliekant mis gaat. Je denkt spontaan aan een opiniërende journalist. Of aan die onnozelaar die het mooie weer maakt op de Guimardstraat. Dat die lui niet zo verschrikkelijk slim zijn en niet zo vreselijk veel weten, kan een zeker gevoel van verbondenheid oproepen, want wij zijn ook niet zo slim en wij weten ook niet zoveel. Maar dat ze denken dat ze alles weten, dat is toch een beetje gevaarlijk.