donderdag 31 december 2015

Oudejaar op Sunset Boulevard



De vrolijke oudejaarsscène in Sunset Boulevard
     Toen ik drieëntwintig was, toch al behoorlijk oud, had ik nog nooit van de Joods-Oostenrijks-Amerikaanse filmmaker Billy Wilder (1906-2002) gehoord. Ik zag toen Fedora. Ik zag William Holden over een zonnige straat lopen met een klein deukhoedje op zijn hoofd en dacht: wat een aardige film! Wie zou die gemaakt hebben?
    Ik ben toen alle Wilderfilms gaan bekijken, alsof ik een verzameling aan het aanleggen was – een denkbeeldige verzameling dan, want er bestonden nog geen video’s of dvd’s die je in een doos, lade of kast kon opbergen. The Front Page heb ik  in mijn wanhoop zelfs op de Duitse tv bekeken. Walter Matthaus laatste woorden waren, als ik mij niet vergis: ‘Er hat meine Uhr geklaut.’
     Nu is het wat minder geworden, maar in die tijd was ik dus een onvoorwaardelijke bewonderaar van Wilder. Ik leefde zelfs enige tijd in onmin met een vriend omdat die niets van Wilder moest weten. Het bleek achteraf dat hij aan de acteur Gene Wilder dacht, waarna de ruzie weer werd bijgelegd.
    Een van de Wilderfilms –  misschien de mooiste – , Sunset Boulevard, bevat de treurigste Oudejaarsscène die ik ken. Die gaat zo. De berooide scenarioschrijver Joe Gillis – die droomt van een eigen zwembad – logeert in het immens grote huis van de steenrijke maar vergeten filmster Norma Desmond. Norma droomt ervan haar filmloopbaan weer op te nemen en Joe moet haar daarbij helpen. De diva wordt verliefd op de jonge maar erg mannelijke schrijver, die van zijn kant met een heel klein beetje medelijden en heel veel afschuw tegen de opdringerige oudere vrouw aankijkt. Joe wil eigenlijk weg, maar hij kan niet. Hij heeft geen middelen van bestaan. Norma’s luxueuze huis is zijn gouden kooi.
     Komt Oudejaarsavond. Alles is klaar voor het grote feest. Er is een orkest gehuurd. Joe en Norma zitten ongemakkelijk op de sofa en Joe hoopt dat de andere gasten nu maar zo snel mogelijk arriveren maar … er zijn geen andere gasten. Norma wil tijdens een romantische tête-à-tête haar liefde verklaren. Wanneer Joe begrijpt wat er gebeurt, loopt hij vol walging weg.
     Dan volgt de vrolijkste Oudejaarsscène die ik ken. Joe komt op het appartementje van een vriend aanlopen. Op enkele vierkante meter zijn zestig, zeventig mensen aan het dansen, aan het drinken, aan het roken, aan het lachen. Natuurlijk is er iemand die piano speelt. Joe ontmoet het ideale meisje: girl next door, fris, slim, geestig. Ze heeft wel een vriendje, maar dat is geen Echte Man zoals Joe, meer een Jongen, die het Joe niet al te kwalijk zal nemen als die zijn meisje inpikt. De kijker denkt: alles kan nog goed komen.
    Lieve lezer, moge voor jullie in 2016 alles nog goed komen.


zaterdag 26 december 2015

200 000 keer dodelijker dan terreur

De immer rationele Mr. Spock van Star Trek
     Wat lezen we nu weer op DeMorgen.be? ‘In België – en elders in de wereld – is de kans dat je door een auto van de weg wordt gemaaid zo’n 200 000 keer groter dan dat je sterft in een zelfmoordaanslag. Zou het kunnen dat we ons van vijand vergissen?’ Aan het woord is Tine Hens, columniste van MO. Tine kiest, net als Flaubert, haar woorden erg zorgvuldig: verkeersslachtoffers worden ‘weggemaaid’ en terreurslachtoffers ‘sterven’. Zo is dat.
     Ik vind het eerlijk gezegd een beetje raar dat de verhouding tussen de twee soorten slachtoffers ‘in België’ en ‘elders in de wereld’ dezelfde is. Maar ik twijfel er niet aan dat Tine haar statistische berekening correct heeft uitgevoerd op grond van soliede cijfers. Maar aangezien ik niets afweet van chi kwadraat, stochastische variabelen en de binomiale verdeling zal ik mijn cijfers simpel houden. In Frankrijk zijn dit jaar zo’n 3000 mensen in het verkeer omgekomen en, als ik juist geteld heb, 150 mensen bij terroristische aanslagen. Het aantal slachtoffers door het verkeer is dus 20 keer groter dan het aantal slachtoffers door terreur. Dat was in 2015, in Frankrijk, dat ook ‘elders in de wereld’ ligt. Voor alle duidelijkheid, ik twijfel niet aan die ‘200 000 keer groter’ van Tine – dat zal wel juist zijn. Maar mijn bescheidener ‘20 keer groter’ is ook juist. Ik heb het een paar keer nagerekend om zeker te zijn.    
     Onbegrijpelijk is dat Tine na die ‘200 000 keer groter’ afdaalt naar andere vergelijkingen die heel wat minder opzien baren. De kans dat een haai je verscheurt is 5 keer groter, dat een meteoriet op je hoofd valt 80 keer groter en dat je wordt neergebliksemd 147 keer groter, dan dat je ‘sterft’ bij een aanslag*. Ook maagkanker wordt vermeld, maar daar geeft Tine geen precieze cijfers van.
     Zou Tine echt zo’n Mrs. Spock zijn met puntige oren, die alle mogelijke rampen berekent die het mensdom in België en ‘elders in de wereld’ bedreigen, en ze daarna koel tegenover elkaar afweegt? Zelf heb ik meer een reptielenbrein dat alarm slaat bij de minste gedachte aan agressie – ik ben vooral bang van mannen met messen. Andere vormen van gevaar echter – verdrinken in een zwembad, een botsing met overstekend wild – neem ik heel wat stoïcijnser op. Maar laat ik voor één keer proberen mijn reptielenbrein te bedwingen en mij, zoals Tine, op het zuiver rationele vlak begeven.
     Tine stelt eigenlijk de al bij al redelijke vraag of we niet meer mensenlevens kunnen redden als we de inspanningen die we nu leveren om terreur te bestrijden zouden stopzetten en de daardoor vrijgekomen middelen zouden besteden aan veiliger verkeer. Ik ben daar nog niet zo zeker van.
     Ten eerste is er voor het verkeer al heel veel gebeurd. Je kunt allerlei maatregelen nemen om de verkeersveiligheid te verhogen: bredere straten, smallere straten, verlichting aan, verlichting uit, meer verkeersborden, minder verkeersborden, opvallende affiches langs de weg, geen opvallende affiches langs de weg, snelheidsbeperking, meer verkeersboetes, hogere verkeersboetes, snellere verkeersboetes, gevangenisstraffen, verkeerslessen op de scholen, veiliger auto’s, verplichte veiligheidsgordels, rijbewijs met punten, rijverbod voor jongeren, rijverbod voor bejaarden, rijverbod voor verstrooide chauffeurs ... en veel van die maatregelen zijn al genomen. Daardoor is, bijvoorbeeld in ons land het aantal verkeersdoden gedaald van 3.101 in 1972 tot 640 in 2016**. Het is best mogelijk om dat getal nog verder te laten dalen, maar het zal vanaf nu toch behoorlijk moeilijk worden en heel veel middelen vergen. Tine stelt voor om het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in ons land van 640 per jaar naar nul per jaar terug te brengen. Ze verwijst daarbij naar een boek van Thomas More (1478-1535) over een verzonnen land, Utopia, hoewel in dat land, als ik mij niet bedrieg, geen auto’s voorkwamen. Als we echt nul verkeersslachtoffers willen, blijven we beter met ons allen thuis. Dan zijn er geen middelen meer nodig voor de verkeersveiligheid. En dan zullen de terroristen ook geen grote aanslagen meer kunnen plegen. Dat is mooi meegenomen.
     Er is een tweede argument. Bij terreur lijkt mij het aantal werkelijke slachtoffers minder belangrijk dan het aantal mogelijke slachtoffers. Als een aanslag verijdeld wordt, weet je niet hoeveel slachtoffers hadden kunnen vallen. En ook dat is niet het belangrijkste. Belangrijker nog zijn al die aanslagen die de terroristen niet eens hebben kunnen plannen – door gebrek aan beweegruimte.  Het gaat om al die vliegtuigen die niet gekaapt werden en nergens op invlogen. Daarvoor waren nodig: pascontroles, bagagecontroles, metaaldetectoren, lijsten van verdachte personen maar ook camera’s, afluisterapparatuur, check points, bewakingsopdrachten, infiltratie, spionage, enzovoort.
     Bekijk het zo. Wat zou er gebeuren in een stad als Parijs als elke terrorist, ongehinderd door politieagenten of andere ordehandhavers, zich vrij zou kunnen bewegen op straat, met zijn bommengordel goed zichtbaar boven zijn jas?  Hoeveel aanslagen zouden er dan plaatsvinden? Hoeveel slachtoffers zouden er dan vallen? Vijfhonderd? Duizend? Tienduizend? Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als inspecties op de luchthavens werden afgeschaft om de controleurs en controleuses in te zetten bij de zebrapaden***? Zouden daardoor meer mensenlevens gered worden dan er verloren gaan? Ik zou in elk geval niet vaak het vliegtuig nog nemen.


* Ik wil niet aan intentieproces doen, maar het lijkt wel of die vergelijkingen met mensenverscheurende haaien en neervallende meteorieten alleen dienen om de terreurdreiging als sterk overdreven voor te stellen. Ook al omdat volgens het stuk de aanstichters van die dreiging ‘uit vuilnisbakken, kasten en van achter struiken’ moeten worden getild. Daarmee wordt de hele kwestie als een wel erg denkbeeldig gevaar voorgesteld.
** Het Nieuwsblad, 21 maart 2017.
*** Tine brengt – in alle ernst? – die bewaking van zebrapanden tot twee keer toe ter sprake.




 

donderdag 24 december 2015

Kerstnacht op Ekeby

Het plaatje is van Anton Pieck,
waar Karel van het Reve zo'n bezwaar tegen had
     In de boekenkast van mijn goede vader staan naast elkaar zes, zeven deeltjes in eendere grijs-bruine bandjes: iets van Strindberg, de Verhalen van Poesjkin, het eerste hoofdstuk van Canterbury Tales met uitgebreide aantekeningen … Het lijvigste van die deeltjes is Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Ik las het enkele keren toen ik dertien was. Een kennis des huizes vroeg me, toen ze me erin zag lezen: ‘’t Is zeker iets hoogs?’
     Het boek is geschreven op het einde, maar speelt in het begin van de negentiende eeuw. Het gaat over een rijke majoorsvrouw, de Majoorske. Ze woont op een kasteel in het Zweedse Ekeby en ze heeft rondom zich een hofhouding van kleurrijke figuren verzameld, de twaalf ‘cavaliers’: gepensioneerde officieren, verarmde edellieden, muzikanten, woeste jagers, koppige kaartspelers … ‘Geen eendagsvliegen,’ schrijft Lagerlöf in haar ritmische stijl, ‘geen modejonkers, maar mannen, moedige sterke mannen. Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar arme zorgeloze mannen. Geen slaperige thuiszitters, die ’t hoofd laten hangen, maar rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen, die nooit iets doen dat wijs of nuttig of oudewijfachtig is.’ En onder die cavaliers is Gösta Berling, de afgezette dominee, die altijd met vrouwen van doen heeft.
     Het eerste hoofdstuk van het boek heet ‘Kerstnacht’. Terwijl brave mensen in boshutten zich klaarmaken om naar de kerkdienst te vertrekken, houden de cavaliers een drinkgelag in de smidse van het kasteel. Ze zitten rond een grote koperen ketel waarin de blauwe vlam flikkert van de hete, zoete punch. Gösta Berling houdt een hoogdravende tafelrede, vol mythologische verwijzingen. Dan zetten de cavaliers de stoelen weg, doen een rondedans en gaan op de vloer liggen, rond de punchketel die van mond tot mond gaat, tot hij wordt omgeduwd en de kleverige drank op de dronken cavaliers terecht komt. Ook is er die nacht een onverwachte gast, zoals je kunt zien op het plaatje.
     Selma Lagerlöf is een goeddeels vergeten schrijfster. Ooit was ze gevierd. Haar werk werd verfilmd en vertaald in alle beschaafde talen – maar toch vooral in het Duits, want die Duitsers houden van boeken met dennenbossen. In 1909 kreeg ze de Nobelprijs voor Literatuur. De jonge Karl Popper vond haar boeken prachtig1 en Menno ter Braak noemde Gösta Berling ‘het boek waarmee we onze beste romantische uren beleefden’.
     Maar heb je eigenlijk iets aan zo’n boek als je niet in de negentiende maar in de eenentwintigste eeuw leeft, en je bent geen Duitser, en ook geen dertien jaar meer? Ik herlas het boek niet zo lang geleden, op vakantie in Sorrento. Bij dat herlezen valt mij altijd op dat die nieuwe lezing zich niet in het geheugen nestelt. Díe plaats in het geheugen wordt al ingenomen door de vorige lezing. Als ik mij nu Gösta Berling voor de geest haal, herinner ik mij het boek van zevenenveertig jaar geleden, en niet dat van kortgeleden. Maar verder maakte het boek op de bijna zestigjarige ongeveer dezelfde indruk als op dertienjarige. De hoofdstukken die mij nu het meeste bevielen, waren de hoofdstukken die mij toen ook het beste meegevallen waren: de kerstnacht in de smidse; Gösta en Anna achtervolgd door de wolven; de Boze – hij wiens naam men niet noemen mag –  die op zondagmiddag op bezoek komt bij de oude Ulrika; ‘mijn bleke vriend, de Dood,’  die aarzelt voor de deur van kapitein Ugla; de eerzuchtige filosoof Eberhard die uit liefde voor de gravin zijn alleszermalmende werk niet openbaar maakt, maar het verstopt in een kist onder de trap van de kerk in Svartsjö. En ook omgekeerd: de hoofdstukken die me toentertijd het minste bevielen, die waren ook dezelfde gebleven: over de uitvinder Kevenhüller, over de heks van Dövre, en nog een paar.
    Onlangs zag ik dat er van het boek een nieuwe Nederlandse vertaling uit is, van een zekere Greta Baars-Jelgersma. Daar kan ik niet akkoord mee gaan. Er is maar één vertaling en dat is die van Margaretha Meyboom uit 1919, in de oude spelling en met ‘jelui’ in plaats van ‘jullie’. Bij antiqbook.be zijn er nog enkele exemplaren van te krijgen, maar na dit blogpostje zul je snel moeten zijn.

1 Behalve Gösta Berling, mais passons.
 

zaterdag 19 december 2015

Wat denkt Caesar erover?

     Een vraag die Jan zich vaak stelt is deze: heeft het wel zin om als universiteitsstudent altijd naar de les te gaan? In de collegezaal ligt het tempo meestal fout. Als je iets meteen doorhebt, begint de professor omstandig alles nog eens te herhalen, en als je iets minder goed bevat moet alles plots rap-rap gaan. Misschien is het slimmer en redelijker om gewoon thuis te blijven en meteen de cursus onder handen te nemen: lezen, aanstrepen, structureren, repeteren – en dat op je eigen ritme en maat, en met alle hulpmiddelen bij de hand. Ja, misschien is dat slimmer.
     Maar ik ben altijd enigszins argwanend tegen die slimme oplossingen, die best-of-both-worlds-solutions, die Derde Weg waarover is nagedacht. De slechte student denkt niet na. Die blijft gewoon thuis om zijn roes uit te slapen. En de flinke student denkt ook niet na. Die is gewoon te bang om Iets Belangrijks te missen. Maar die slimme student, die denkt dus wel na, en dat is ook niet altijd goed. Denken is voor de paarden, zei onze sergeant, die hebben een groot hoofd.
    Het doet me in de verte een beetje denken aan een hoofdstuk uit De bello civili dat we lazen in de derde of de vierde klas. Caesar vertelt hoe zijn legers en die van Pompeius tegenover elkaar opgesteld stonden bij Pharsalus, met voldoende afstand tussen hen in om op elkaar af te stormen. Maar Pompeius wilde slim zijn. Hij gaf zijn leger het bevel om ter plaatse te blijven staan, zodat Caesars mannen de hele afstand alleen moesten belopen. Ze zouden dan zeker uitgeput zijn van vermoeidheid  als ze vijandelijke linie bereikten. Ook zouden ze minder goed hun speren kunnen richten als ze die gooiden terwijl ze aan het rennen waren. Bovendien zouden ze in gespreide slagorde aankomen, want de ene soldaat loopt nu eenmaal sneller dan de andere. Was dat niet slim bedacht van Pompeius?
     Caesar dacht van niet. Hij vond dat een generaal zich op het moment van het gevecht met andere zaken moest bezighouden. Hij moest erop bedacht zijn om de natuurlijk aangeboren aanleg tot opwinding  (animi incitatio naturaliter innata) en strijdlust (studio pugnae) van de soldaten aan te wakkeren. Daarbij mochten de beproefde handelwijzen van de voorvaderen niet overgeslagen worden: het schallen van de trompetten, het roepen van strijdkreten en het afstormen op de vijand.
    Nu is het misschien een beetje gek om het regelmatig bijwonen van lessen – liefst op de eerste rij –  te vergelijken met het afstormen op de vijand, onder trompetgeschal en het slaken van strijdkreten. Maar het is in elk geval Pompeius niet die de slag bij Pharsalus gewonnen heeft. Als Jan dat maar weet.

zaterdag 12 december 2015

Ik zou een slechte Arabier zijn

     In het vijftigste hoofdstuk van Decline and Fall geeft Gibbon (1737-1794) een erg levendige beschrijving van de Arabische woestijn. Overal waar je kijkt, niets dan zand en rotsen, een zon van lood, en winden die geen verfrissing brengen, maar juist nieuwe hitte aanvoeren. En dan de bewoners! Van hen somt hij, zoals het zijn gewoonte is, zowel hun slechte als hun goede eigenschappen op.
     De Arabier, schrijft Gibbon, voelt zich gemakkelijk verongelijkt. Komt hij tussen de zandbergen een vreemdeling tegen met mooie kleren, dan vindt hij dat een groot onrecht. Hij stormt woedend op hem af en roept: ‘Mijn vrouw loopt in vodden. Geef die  kleren aan mij of ik vermoord je’. Bij zijn goede eigenschappen vermeldt Gibbon zijn gastvrijheid en zijn verbazingwekkende vrijgevigheid. Als iemand erom vraagt, geeft hij hem alles: zijn paard, al het geld dat hij op zak heeft, al het goud dat hij in huis heeft, tot zijn laatste slaven toe …
     Of dat allemaal waar is, van dat verongelijkt zijn en die vrijgevigheid, dat weet ik niet. Ook is Gibbon allang dood, en kunnen de zonen en dochters van de woestijn ondertussen veranderd zijn. Maar áls het waar is, dan zou ik een slechte Arabier zijn. Ik kijk zonder afgunst naar de os, de ezel en de mooie vrouw van de buurman, zonder dat ik mij tekort gedaan voel. Als die buurman een grotere boekenkast heeft, denk ik: good for him! Als hij in een mooiere Jaguar rijdt, denk ik: wat een mooie Jaguar! Maar zelfs als iemand met aandrang erom vraagt, zal ik hem noch mijn paard, noch mijn geld, noch mijn goud, noch mijn slaven geven. Als hij geld, goud, paarden of slaven wil, zal hij daar zelf moeten zien aan te komen. Mijn is mijn en dijn is dijn.

woensdag 9 december 2015

Oostenrijk-Hongarije

     Als prins Filip … euh koning Filip …  morgen uitglijdt op een marmeren trap van zijn paleis en daar zijn nek bij breekt, is zijn oudste dochter, Elizabeth, in mijn ogen nog wat te jong om hem op te volgen. Dan komt de zus van Filip in beeld, Astrid, die getrouwd is met Lorenz, een rechtstreekse afstammeling van Maximiliaan van Oostenrijk. Zou dat niet leuk zijn, zo’n echte Habsburger in het koninklijk paleis?
     Die Habsburgers zijn ondertussen wel  heel wat van hun pluimen verloren. Vroeger stonden ze aan het hoofd van de zogenaamde dubbelmonarchie. Ze waren keizer en koning tegelijk, respectievelijk van Oostenrijk en van Hongarije. Die twee k’s –  van keizer en koning –  waren voor de Duitse auteur Robert Musil de aanleiding om hun rijk in ‘Man zonder eigenschappen’ (1343 blz.) ‘Kakanië’ te dopen.
     De laatste Habsburger die nog iets te betekenen had was Otto, oom van onze Lorenz. Toen hij vier was, in 1916, is hij heel even kroonprinsje geweest, maar twee jaar daarna, door de nederlaag in de eerste Wereldoorlog, was het gedaan met Kakanië. Otto heeft het dan later, van 1979 tot 1999,  tot lid van het Europees parlement gebracht. Omdat hij al oud was, zo wordt verteld, en omdat democratie vervelend is, viel hij op vergaderingen vaak in slaap. Eén keer werd zo’n vergadering opgeschort omdat er een belangrijke voetbalmatch was. Otto werd wakker gemaakt: ‘De match begint, Otto, Oostenrijk-Hongarije!’ – ‘Aha, en tegen wie spelen we,’ vroeg Otto.

 Oorspronkelijk geplaatst op 20 september 2015

zaterdag 5 december 2015

Ik werd bijna gediscrimineerd

     Bent u, lieve lezer, al gediscrimineerd geweest? Denkt u maar eens goed na voor u antwoordt, want zulke dingen vergeet men wel eens. Ikzelf ben bij enkele gelegenheden ternauwernood aan discriminatie ontsnapt  en ik was dat helemaal vergeten. Maar nu staat alles mij weer helder voor de geest dankzij een stukje in de krant.
     U moet weten dat we in ons land een nieuwe directeur hebben voor het Gelijkekansencentrum. Die directeur heet Els Keytsman. Els studeerde bedrijfsmanagement en toegepaste economische wetenschappen. Ze werkte op de kabinetten van verschillende ministers, was gemeenteraadslid in Aalst en bekleedde verscheidene beleidsfuncties bij Groen, Oxfam-Wereldwinkel en Vluchtelingenwerk Vlaanderen.
     U denkt nu: zo iemand die van de ene hoge functie naar de andere stapt – zo iemand kan wel praten over gelijke kansen en discriminatie, maar zo iemand heeft de problemen nooit zelf aan der lijve ondervonden. Dat heeft u verkeerd voor. In het Nieuwsblad van 5 december doet Els haar verhaal. Tweeëntwintig jaar geleden zocht ze een keer een appartement. Ze vond iets naar haar zin. Maar toen ze achteraf de huisbaas nog eens opbelde, zei die dat hij ‘aan meisjes alleen’ niet verhuurde. ‘Nu nog kook ik van woede als ik aan die discriminatie terugdenk,’ zegt Els. Els heeft een gevoelige radar voor discriminatie.
     Mijn verhaal is van nog langer geleden dan dat van Els. In opdracht van de erg linkse organisatie waar ik toen lid van was en die we onder elkaar ‘de Partij’ noemden, verhuisde ik naar Brugge. Ik ging dus op zoek naar een klein arbeidershuisje of een gerieflijk appartementje en hoewel ik nogal wereldvreemd was, zoveel wist ik toch: dat huisbazen niet graag verhuren aan een jongeman alleen. Ze denken dat die alleenstaande jongemannen hun pand niet naar behoren zullen onderhouden. Die huisbazen denken dat jongemannen alleen afstoffen, schrobben en dweilen als er een jongedame is die hen daartoe verplicht. Hoe kon ik onder die omstandigheden ooit een geschikte woonst vinden. Wat te doen? Que faire? 
     De Partij wist raad. Een vrouwelijke kameraad kreeg de taak om mij te vergezellen op mijn huizenjacht en zich voor te stellen als mijn aanstaande. Nu weet ik de naam weer van die kameraad: ze heette M. In elk geval, de list werkte en een huisbaas, die  mij anders zeker gediscrimineerd had, verhuurde mij een appartementje, dat ik overigens af en toe gedweild heb, hoewel het afstoffen en het schrobben er soms bij inschoot.
    Dat is niet alles. Rond dezelfde tijd solliciteerde ik, in opdracht van de erg linkse organisatie waar ik lid van was, voor een betrekking bij het staalbedrijf Sidmar. Dat bedrijf had arbeiders  nodig voor de ‘koudwals’, waar dikke staalplaten tussen enorme pletrollen dunner worden gemaakt. Ik moest allerlei proeven afleggen waarbij ik reeksen figuren moest aanvullen. Ook was er een blad waarop getekende mannetjes bepaalde taken uitvoerden en ik moest met een kruisje aanduiden wie van die mannetjes dat op de slimste manier aanpakte.
Om geschikte arbeiders te vinden was het een erg ondoelmatige test ... en ik werd dus geselecteerd.
     Als laatste stap in de sollicitatieprocedure moest ik op gesprek bij het afdelingshoofd van de koudwals. Dat was een kordate kerel, groot en dik en met een korte zwarte baard, vast een ingenieur, die mij van achter zijn bureau kritisch aankeek. ‘Je testjes zijn wel goed, maar de structuur van je beroepsloopbaan ziet er chaotisch uit,’ zei hij. ‘Twaalf stielen en dertien ongelukken.’ Ik zei niets. ‘Dat heb je  met die ongetrouwde jongemannen,’ zei de ingenieur, ‘geen discipline, geen zin voor verantwoordelijkheid.’ Ik antwoordde dat ik volgende zomer zou gaan trouwen. Dat veranderde de zaak voor de ingenieur. Als ik een ring zou dragen, dan begon er een nieuw tijdperk. Ik zou dat wel merken. – En ik was aangenomen. Weer was de bittere kelk van de discriminatie aan mij voorbijgegaan, maar het was op het nippertje.
         Uit dat alles zult u, beste lezer, wel begrijpen dat ik niet erg geschikt ben om directeur te worden van het Gelijkekansencentrum. Iemand die het onrecht met een leugentje om bestwil bestrijdt, is niet uit het goede hout gesneden. Voor die functie heb ik dan ook niet gesolliciteerd. Maar zo’n hooggevoelige directeur als Els Keytsman, die, zoals de prinses van Andersen, de erwt van het onrecht voelt onder twintig matrassen, en ze na tweeëntwintig jaar nog navoelt, zó zelfs dat haar bloed gaat koken, dat is misschien ook een beetje overdreven.

dinsdag 1 december 2015

Seksistisch examen

Voorpagina van Het Nieuwsblad van 30 november 2015

    Als ergens een of andere groep niet precies hetzelfde resultaat, voordeel of gewin behaalt als een andere groep, dan moet dat wel het resultaat van discriminatie zijn. Dat is vandaag een geloofspunt. Als een allochtone jongere minder goed presteert op school, wordt hij gediscrimineerd vanwege zijn afkomst. Als een vrouwelijke advocaat minder verdient dan een mannelijke collega, wordt zij achtergesteld vanwege haar ‘gender’. En als ik de laatste tijd minder goed hoor, word ik onderdrukt vanwege mijn leeftijd. Andere verklaringen zoals minder studie-ijver, kortere werkdagen en luidruchtige machines gehanteerd hebben zonder oorbeschermers, zijn alleen maar een vergoelijking van het onrecht.
     Discriminatie, dat weet onze politiek correcte medemens, kan in een klein hoekje schuilen. Daardoor kan het enige tijd duren voor ze wordt opgemerkt. Neem het ‘Toelatingsexamen arts en tandarts’. Het laatste dateert al van 25 augustus en het heeft dus een volle drie maanden geduurd voor iemand iets merkte. Maar nu heeft Vlaams Parlementslid Tine Soens (sp.a.) – eindelijk zal ik maar zeggen – uitgevonden dat bij het examen 34 procent van de jongens, en slechts 23 procent van de meisjes geslaagd zijn. De oorzaak van die  discriminatie moet worden onderzocht, vindt mevrouw Soens. Let wel: er moet niet worden onderzocht of er discriminatie was –  wie kan daar nu aan twijfelen? Laten we maar meteen de oorzaak ervan navorsen. Kijk, zo gaat dat met wetenschappelijk onderzoek: je mag je onderzoeksvraag niet te ruim stellen; je moet duidelijk je parameters bepalen; en je onderzoek moet maatschappelijk relevant zijn, want dan staan de kranten klaar om daar zo melodramatisch mogelijk over te berichten, met sprekende koppen over ‘seksistische examens’ die moeten worden ‘uitgekuist’.
     Nu is er een gegeven dat ik in de krantenstukken niet gevonden heb. Dat is het volgende. Aan het toelatingsexamen van 2015 hebben tweemaal zo veel meisjes als jongens deelgenomen. Die meisjes willen dus wel erg graag dokter worden. Dubbel zo graag als de jongens, zal ik maar zeggen. Misschien zelfs zo graag dat ook meisjes met wat minder aanleg voor wetenschappen, toch aan het examen willen deelnemen. Je weet maar nooit, denken die meisjes dan, en ze hebben gelijk. Mocht mijn veronderstelling juist zijn, dan is er bij de grotere groep meisjes, in het algemeen genomen, wat minder wetenschappelijk talent aanwezig dan bij de kleinere groep jongens.
     Men zou dat eigenlijk eens moeten onderzoeken. Het zou wat geld kosten, maar zo’n onderzoek is best mogelijk. Je nodigt alle achttienjarige jongens en meisjes van heel Vlaanderen uit om, tegen een beloning, deel te nemen aan een groots opgezet experiment. Als je de beloning interessant maakt, en een beetje extra interessant voor het vrouwelijke geslacht, mag je wellicht rekenen op zo’n zesduizend vrijwilligers - bijvoorbeeld: vierduizend meisjes en tweeduizend jongens. Je laat die plaatsnemen in een grote zaal. Je laat ze zestig vragen oplossen over wiskunde, fysica, biologie en chemie. Je zorgt voor automatisch verbeterde meerkeuzevragen om te beletten dat vooringenomen, vrouwvijandige correctoren de boel belazeren. Je voorziet giscorrectie om de roekeloze jongens die zomaar wat antwoorden aankruisen niet te bevoordelen tegenover de voorzichtige meisjes. En dan ga je aan de slag met de resultaten om het gemiddelde wetenschappelijke talent van de deelnemersgroepen uit te rekenen.
     Ja, zo’n onderzoek zou men eens moeten doen. Maar wacht! Dat onderzoek gebeurt al. Sinds 1997. Jaarlijks. En het heet ‘Toelatingsexamen arts en tandarts’.

zaterdag 28 november 2015

V. op tv

Thomas Pynchon, 16 jaar - andere foto's
bestaan nauwelijks
     Als u mijn stukjes leest, weet u waarom ik enkele jaren geleden besloot ooit het boek V. te lezen - de eerste roman van Thomas Pynchon. Ik heb toen beloofd om in een tweede stukje iets te zeggen over het boek zelf. Ik zou dat stukje V2 noemen.
     V. gaat over een zekere Benny Profane, een gewezen ‘marine’, zoals Pynchon zelf, en een stelletje hippies – het soort mensen dus waar mijn goeie vriendin C. zo’n hekel aan heeft. Het zijn hippies avant la lettre, want het verhaal speelt midden de jaren 50. Als je het meubilair, de auto’s, de haarsnit en de kleren een beetje aanpast, krijg je een goed beeld van Benny en zijn vrienden door de film The Big Lebowski nog eens opnieuw te bekijken (altijd een goed idee).
      Het wedervaren van Benny en de hippies wordt onderbroken door lange fragmenten die plaatsvinden op verschillende plekken en tijdstippen. Onder andere: Egypte (1898), Firenze (1899), Namibië (1904 en 1922), Parijs (1913), Malta (na WO I en tijdens WO II). In al die fragmenten duikt een vrouw op wiens naam met een V. begint: Victoria, Veronica, Vera, V.-in-love … Misschien ook is het dezelfde vrouw?
     Er is eveneens een kort dagboekfragment van een Ierse priester die zich in de jaren dertig terugtrekt in de riolen van Manhattan om missioneringswerk te verrichten onder de ratten, waarvan sommige onder marxistische invloed staan. De goede priester bekeert trouwens niet alleen de ratten tot het katholicisme, hij eet er ook dagelijks één van op, want een mens moet toch eten, vindt hij. Een van de vurigste volgelingen van de priester is de rat Veronica, alweer V, met wie hij – volgens sommige apocriefe bronnen althans – ‘onnatuurlijke betrekkingen’ onderhoudt.
     Pynchon is een grappige schrijver. In hoofdstuk zeven maken we kennis met drie anarchisten die van plan zijn om een schilderij van Botticelli uit het Uffizi te stelen. Het moet om De Geboorte van Venus gaan, want de afmetingen worden vermeld: 175 op 279 cm. Een van de anarchisten vindt dat veel te groot. ‘Capo di minghe,’ zei de Gaucho. ‘Ik ben geen klein mannetje. Ik ben zelfs een grote man. En breed. Ik ben gebouwd als een leeuw. Maar ik verzeker je – en zijn stem verhief zich in een machtig crescendo – dat er onder die verdomde Botticelli van jou voldoende plaats is voor mij en voor de dikste hoer van Firenze, met nog plaats over voor die olifant van een moeder van haar om als chaperonne op te treden.’ Dat moet inderdaad een groot schilderij zijn waar een gaucho, een dikke hoer en vooral ook een olifant samen onder kunnen schuilen voor de regen of voor de zon.
    Wat ik graag zou willen, is dat HBO van het boek eens een mooie tv-reeks maakte van, zeg, acht of tien afleveringen, geregisseerd of geproducet door de Coen Brothers. Sommige scènes zie ik voor mij. De zuidpoolreiziger die onder het ijs in een oranje schijn een ‘spin-aap’ ziet zoals die alleen in het mooie maar gevaarlijke toverland Veisshu voorkomen, het kabinet van plastisch chirurg Schoenmaker die zijn vrouwelijke patiënten misbruikt, de zeemansbar op Malta waar Pappy Hod zijn eigen dansrecord breekt dat al zoveel jaren standhield, met 25 jitterbugs na elkaar.
     Sommige stukken lijken speciaal geschreven om verfilmd te worden. Tijdens een weekendje Washington pikken Benny en Pig Bodine twee ‘government girls’ op.
‘I’m Flip,’ said the blonde, ‘and this is Flop’. Wat later rijden ze met hun vieren op twee fietsen door de verlaten straten van Washington op een koude zondagmorgen. De meisjes zitten op de stuurstang. Dat wordt een mooie scène – alleen een beetje oppassen met de keuze van de muziek. Het hoofdstuk ‘Egypte’ moet je draaien op acht verschillende locaties en bij elk scènebegin laat je de voeten, benen, rompen en ruggen van de personages zien, maar de gezichten onthul je pas naar het einde toe. Het hoofdstuk van de ratten blijft best beperkt tot een vertelstem en het omslaan van stoffige dagboekbladen. Als Hayao Miazaki gastregisseur is voor de episode, mag er ook animatie gebruikt worden, anders niet.
     Het meest kijk ik uit naar de verfilming van het negende hoofdstuk. Een groep kolonialen trekt zich tijdens een zwarte opstand terug in een versterkt landhuis. Het is het begin van een reeks orgieën en koortsdromen waarbij personages incarneren in andere personages en daarbij een soortgelijke opstand uit het verleden beleven of herbeleven. Vooraleer dat hoofdstuk onder handen te nemen raad ik de mensen van HBO aan nog eens goed de films van Visconti te bekijken. Decadentie hoor je te brengen met stijl.

dinsdag 24 november 2015

Song Binbin

Song Binbin boven rechts en onder midden
     Minister van Onderwijs Crevits heeft in haar één-septemberinterview met Het Nieuwsblad een paar behartenswaardige dingen gezegd. Lesgeven mag niet worden herleid tot ‘leerplannen, eindtermen en handboeken’. Een leraar is ‘geen robot’. Er moet iets gedaan worden aan de ‘papierberg in de scholen’. En haar wens is het dat onderwijsmensen op het einde van haar ministerschap zouden zeggen: ‘Crevits heeft echt een inspanning gedaan om ons meer vrijheid te geven.’
     Ik ben het daar allemaal grondig mee eens. Maar in reacties op het interview hoor je niets over die behartenswaardige dingen. In reacties gaat het altijd over die andere uitspraak van Crevits, die waar ze zegt dat leerlingen niet ‘slaafs’ moeten volgen wat leraren zeggen. Oudere mensen schrikken daarvan. Voor het Vaticaans Concilie of, zeg, voor mei 1968,  zou een minister van Onderwijs zoiets niet gezegd hebben. Het gezag was toen nog solidair. De leraar stond niet alléén voor de klas. Achter hem stond, figuurlijk dan, de prefect, de directeur, de minister, de regering en de koning – die laatste ook een beetje letterlijk want zijn portret hing boven het bord.
     Een van de eerste regeringsleiders om die solidariteit te doorbreken was Mao Zedong. Tijdens de Culturele Revolutie (1966) riep hij de Chinese scholieren op om in opstand te komen tegen leraren die te veel aandacht besteedden aan theoretische en schoolse kennis en te weinig aan praktische toepassing en sociaal en politiek engagement. Die opstand, vond Mao, mocht gerust wat bruut zijn. Een revolutie was ten slotte geen theekransje.
     De Chinese pubers hadden aan een half woord genoeg. Ze deden een rode armband om, noemden zich Rode Gardisten en ze riepen hun leraren ter verantwoording in massavergaderingen van ‘kritiek en zelfkritiek’. Een leraar of lerares die niet snel genoeg was in het toejuichen van de opstand of in het bekritiseren van conservatieve collega’s, kreeg zelf de volle laag. Zo Bian Zhongyun, directrice van een meisjeslyceum in Beijing. Haar gezicht werd met inkt ingewreven. Ze moest de toiletten gaan leegmaken. Ze moest op een emmer trommelen en roepen: ‘Ik ben een kapitaliste.’ Ze werd getrapt en geslagen met stokken. Ze werd bewusteloos op een kar gegooid. Ze overleed op weg naar een ziekenhuis.
     Een van de aanstooksters van de moord op Bian Zhongyun was Song Binbin. De enthousiaste scholiere werd enkele dagen later tijdens een manifestatie van één miljoen revolutionaire jongeren bij Mao geroepen. Ze kreeg de eer om de oude leider een armband van de Rode Gardisten op te spelden. Van dat treffende tafereel werd een poster gemaakt, die nog op mijn kamer heeft gehangen toen ik zelf scholier was, want ik was een groot bewonderaar van Mao.
     Met Song Binbin is alles goed gekomen. Na de culturele revolutie week ze uit naar de Verenigde Staten. Ze doctoreerde aan het MIT en ging werken voor een departement van Natuurbescherming. Er bestaat een foto van haar waar ze, teruggekeerd in China en met grijze haren, een berouwvolle buiging maakt voor het standbeeld van haar vermoorde directrice.


 Oorspronkelijk geplaatst op 13 september 2015

maandag 23 november 2015

Toelatingsexamens en herexamens

Khaddafi zaliger
     Nu Jan geslaagd is voor de toelatingsproef arts en tandarts – het herexamen van augustus – kan ik eindelijk mijn mening eens zeggen over die proef. Dat is leuk. Ik kan nu bijvoorbeeld zeggen dat de proef te moeilijk is (slechts 16,8 % geslaagd). Of dat hij niet moeilijk genoeg is (16,8 % geslaagd!). Ik kan zeggen dat ‘de cijfers voor zich spreken’ (geneeskundestudenten slagen in groten getale voor hun eerstejaarsexamen) en ik kan zeggen dat ‘de cijfers niet het hele verhaal vertellen’. Misschien is de toelatingsproef ook wel in het nadeel van minder gegoede studenten – dat zou een socioloog of een pedagoog aan een onzer universiteiten toch makkelijk moeten kunnen bewijzen. En het tegendeel ook natuurlijk.
     Mijn mening is … dat ik geen mening heb. Ook dat is leuk. Als ik op Facebook kom, vliegen de meningen mij om de oren: voor en tegen asielzoekers, voor en tegen Europa, voor en tegen godsdienst, voor en tegen Khaddafi zaliger. Soms valt daarbij een scheldwoord en dan schrijven de kranten dat er ‘ranzige commentaren’ op de sociale media verschenen zijn. Van mij zullen ze niet moeten schrijven dat ik over die onderwerpen een ‘ranzig’ stukje plaats. Ik ben een Zwitser – au-dessus de la mêlée.
     Iets anders. Dinsdag verscheen in het Nieuwsblad een lezersbrief van Bertin Sanders uit Menen. Het stuk was getiteld ‘Herexamens zijn een pest.’ Bertin Sanders uit Menen is dus tégen herexamens. Ik ga dit weekend naar Menen om mijn goede ouders een bezoek te brengen. Als ik die gore klootzak daar op straat tegenkom, zal het hem heugen!


 Oorspronkelijk geplaatst op 4 september 2015

zaterdag 21 november 2015

An en Liesbeth en de terroristen

U = universele verzameling; L = ledige verzameling;
V = vluchtelingen; M = meereizenden ; T = terroristen
Met dank aan Marc Vanfraechem
 
    Ik zou niet graag, in het kader van een opinieonderzoek, moeten antwoorden op de vraag of er, naar mijn mening, een verband bestaat tussen de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten aan de ene kant en de terreurdreiging in Europa aan de andere kant.
     ’t Is ook zo’n moeilijke vraag. Ik zag een paar keer op de sociale media de boodschap opduiken: ‘Do you not realise these terrorist acts are what the refugees are trying to run away from?’ Dat is een heldere redenering. De mensen die uit het Midden-Oosten naar hier komen, zijn op de vlucht voor het terrorisme. Ergo – dat is Latijn voor ‘dus’ – het zijn zelf geen terroristen. Met de joden die vluchtten uit nazi-Duitsland was het net zo: daar waren ook weinig nazi’s bij. De regel lijkt wel algemeen toepasbaar.
     Daartegenover staat dat een klein aantal uitzonderingen op de algemene regel meteen dramatische gevolgen kan hebben. Als op een vluchtelingenstroom van één miljoen – en dat is toch de orde van grootte waarover we spreken – als dus op een vluchtelingenstroom van één miljoen een tiende procent wel terreurzaaiers zijn, dan hebben we er onmiddellijk duizend bommengordeldragers en Kalasjnikovschutters bij. En de negenennegentig komma negen procent brave vluchtelingen die bij aankomst geen terrorist zijn, daarvan kunnen enkelen dat later nog altijd worden. Wie weet zijn zij na enige tijd in Europa niet meer tevreden met de manier waarop zij hier ‘worden opgevangen’. Misschien raken ze het noorden kwijt door al die mooie vrouwen op straat, met loshangende haren en korte rokjes. Misschien lezen ze in de kranten of horen ze op de televisie dat ze hier ‘onvoldoende kansen krijgen’. Zowel onvoldoende kansen krijgen als voortdurend moeten horen dat je onvoldoende kansen krijgt, zijn geen van de twee goed voor een evenwichtig gevoelsleven. En ten slotte: misschien gaan onze brave vluchtelingen in Molenbeek wonen, krijgen ze ongure of al te vrome vrienden en komen ze op het slechte pad.
     Ja, de vraag naar het verband tussen vluchtelingen en terrorisme is een moeilijke vraag.
     Goddank hebben we onze landelijke pers om zulke moeilijke vragen te ‘duiden’. In De Morgen van 16 november bijvoorbeeld schreven de twee hoofdredactrices An Goovaerts en Liesbeth Imbo samen een  lang hoofdartikel waar, tussen alle goede raad aan de bewindvoerders door, een heuse parel verborgen ligt. Mijn dank gaat uit naar Marc Vanfraechem die op Facebook de aandacht trok op het stukje dat ik hier even woordelijk aanhaal1. Zet uw bril nu maar eens op, want het is waarachtig de moeite waard.

“Het hele Midden-Oosten wordt dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld. Terroristen die met hen meereizen zijn geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen.”
      
     Is dat niet heerlijk? Het hele Midden-Oosten. Dat gaat dus om Bahrein, Egypte, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libanon, Oman, Palestina, Quatar, Saoedi-Arabië, Syrië, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten. En in die landen worden de inwoners dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Ik denk dat een krant als De Morgen daar niet dagelijks over bericht, en ik denk vooral dat de An en Liesbeth een beetje overdrijven om hun boodschap duidelijk te maken: het is daar in die verre, vreemde landen niet pluis. Als je de hyperbool erbij neemt, dan kun je hen eigenlijk niet eens ongelijk geven. En wie zich niet kan verzoenen met hyperbolen als stijlfiguur, leest beter geen hoofdartikels in De Morgen.
      Dan het volgende zinnetje. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld.’ Kijk, dat vind ik prijzenswaardig. Je hoort en leest zo vaak stiekeme veralgemeningen waarbij je vanzelf de honderd-procentvraag stelt. Hollanders zijn gierig! Honderd procent van de Hollanders? Gallië werd veroverd door Caesar! Heel Gallië? Moslims zijn onverdraagzaam! Alle moslims? Nu krijgen we voor één keer een veralgemening die er rond voor uitkomt. Honderd procent van de vluchtelingen? Jawel hoor, honderd procent! Daarmee is de vraag beslecht of zich onder de vluchtelingen ook niet een paar economische exemplaren bevinden. Neen dus. Helemaal niemand? Helemaal niemand! Toch hadden An en Liesbeth de zaken nog scherper kunnen stellen om ook onze laatste onzekerheden weg te nemen. Wat had je gedacht van: ‘Honderd procent van de vluchtelingen komt naar hier om redenen die honderd procent met oorlogsgeweld te maken hebben.’ De zin is een beetje zwaar, maar daarmee is nu zonneklaar dat alle economische, sociale of juridische overwegingen bij dat vluchten zijn uitgesloten.
    De daaropvolgende zin van An en Liesbeth luidt: ‘Terroristen die met hen meereizen, zijn geen vluchtelingen.’ Dat is een aanvaardbare theoretische stelling, uitgaande van een aanvaardbare definitie van ‘vluchteling’ (op de vlucht voor geweld) en ‘terrorist’ (op zoek naar geweld). Maar helaas, met definities win je geen oorlog. Als je de praktische vraag stelt: ‘Zijn er onder de vluchtelingen ook terroristen?’, dan word je met een cirkelredenering en een kluitje in het riet gestuurd. Er zijn geen terroristen onder de vluchtelingen, want de terroristen onder de vluchtelingen zijn geen vluchtelingen2.  Tja ... Een van de terreurzaaiers in Parijs is onder de vermoedelijk valse naam Ahmad Almuhammad vanuit Syrië, over Griekeland, Frankrijk binnengekomen. Ja, maar dat is geen echte vluchteling, zeggen An en Liesbeth. ’t Is waar hoor!
     Alles wat we tot hiertoe hebben opgesomd –  een overdrijving, een veralgemening, een cirkelredenering – niets daarvan verklaart het onmiskenbare plezier dat u, lezer, en ikzelf hebben beleefd toen we het aangehaalde stukje van An en Liesbeth lazen. Het is het laatste zinnetje dat het geheel afmaakt. De kers op de taart. ‘Terroristen zijn … geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen’. Het verrukkelijke dan óók moet hier onderscheiden worden van het minder interessante dán ook.  Veronderstel dat ik zeg: ‘Als ik met pensioen ga, haal ik mijn boekbindmateriaal weer boven. Ik zal dán ook wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen.’ Ik heb tussen dat boekbinden en die hoofdartikels geen enkel oorzakelijk verband gelegd. Maar wanneer ik zeg: ‘Als gepensioneerde zal ik wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen. Ik zal dan óók een plezierige oude dag beleven,’ dan leg ik zo’n oorzakelijk verband wel. An en Liesbeth leggen met hun dan óók een oorzakelijk verband tussen de stelling ‘dat terroristen geen vluchtelingen zijn’ en ‘dat vluchtelingen geen terroristen zijn’. Het is alsof je zegt: ‘Honden zijn geen katten; katten zijn dan ook geen honden.’ ‘Journalisten zijn geen ezels; ezels zijn dan ook geen journalisten.’. ‘Rechthoeken zijn geen vierkanten; vierkanten zijn dan ook geen rechthoeken.’ Sommige van die mededelingen zijn juist en andere zijn fout, maar dat heeft er allemaal niets mee te maken. Bij dat dan ook  moet ik  onwillekeurig glimlachen. Telkens weer.
      
1 Voor een meer wiskundige benadering van het stukje van An en Liesbeth, verwijs ik naar het Facebookbericht van de immer scherpe Marc Vanfraechem die met een keurig Venndiagram klaarheid heeft geschapen in de materie. De 'draad' die erop volgt laat zien dat de duizelingwekkende paradoxen van An en Liesbeth de specialisten nog lange tijd hoofdbrekens zullen bezorgen.
2 Het ware overigens beter geweest als de terroristen onder de vluchtelingen geen terroristen waren geweest.


vrijdag 20 november 2015

Amerikaanse Toestanden

Jean-Paul Van Bendegem
      Wiskunde- en filosofieprofessor Jean Paul Van Bendegem kan bij mij een potje breken. Op een radioprogramma hoorde ik een keer een interview met hem over Tsjip van Willem Elsschot. Dat was een lievelingsboek van hem. Van mij ook. Elk jaar laat ik in de klas een stukje van dat interview horen, want mijn leerlingen lezen Tsjip.
      Nu zag ik vorige week een stukje in de krant van JPVB over wat er op de Thalys gebeurd is – van die terreurpoging en die dappere reizigers die de terrorist overmeesterden. JPVB is zelf een regelmatig treinreiziger – hij kan niet autorijden – en hij berekende hoe groot de kans was dat hijzelf ook het slachtoffer werd van een terreuraanslag op een trein. Die kans was meer dan nul, maar kleiner dan de kans dat hij van de trap viel en zijn nek brak. Misschien moeten we dan ook niet gaan overdrijven, vond JPVB, met allerlei veiligheidsmaatregelen en controles, want dan krijg je iets als de luchthavens en daar zie je weinig vrolijke mensen rondlopen. Doorgedreven misdaadpreventie heeft zijn keerzijde.
      Dat is juist. Eén keer is mijn fiets gestolen die op ons terras stond. Het was een nieuwe fiets en ik heb erg onder die diefstal geleden. Nu laat ik mijn fiets niet meer op het terras staan, wat nochtans zo gemakkelijk was. Ik plaats hem nu achter de garage, uit het zicht, en keten hem vast. Ik moet me daarbij tussen twee andere fietsen wringen, mij vooroverbuigen, de spiraal van het fietsslot door zowel de spaken van het voorwiel als door de stangen van het fietsenrek wurmen, de cijferradertjes goed krijgen – dat alles vaak bij slecht licht.  Dat ik die handelingen elke avond moet volbrengen, en vooral ook elke morgen, als ik gehaast ben - ook dáár lijd ik onder. Tja, wat doe je eraan?
      Maar het ging over treinen en niet over fietsen. JPVB heeft nog andere bezwaren tegen strengere controles op de trein. Ze cultiveren het wantrouwen. En de volgende stap is dan persoonlijk wapenbezit om je te verdedigen tegen mogelijke terreurzaaiers. Dat is “de dag waarop Europa de VS wordt,” huivert JPBVB. Amerikaanse Toestanden! Oh Nee! 
      Maar zó uitsluitend Amerikaans is wapenbezit niet altijd geweest. Mijn grootvader was betrokken bij verschillende muziekverenigingen en moest zich ’s avonds vaak met de fiets verplaatsen om ergens ten lande een repetitie te leiden. Veel straatverlichting was er niet, en om zich te verdedigen tegen stropers, smokkelaars en ander onguur volk had hij een klein pistool gekocht. Dat kon toen redelijk gemakkelijk, ook al woonde hij in Wevelgem en niet in de Verenigde Staten. Maar toen de Duitsers ons land bezetten, was het uit met die pret. Alle wapens moesten sofort worden ingeleverd. De Duitsers knalden die smokkelaars zelf wel neer.

 
Oorspronkelijk geplaatst op 30 augustus 2015

donderdag 19 november 2015

Peter heeft gelijk

Het lekkere Breughel Bruin van Delhaize
      Sinds de messentrekkers vorige week in de Colruyt van Jette, kom ik wat vaker in Delhaize. Maar ook daar is niet alles pluis. Uit onderzoek is gebleken dat Delhaizeklanten uit de voedselrekken vaak de achterste pakjes nemen – die met de langste houdbaarheidsdatum. Betrapt! Ik doe dat met mijn vegetarische burgers, waarvan ik er vijf tegelijk koop. Dan moet ik niet elke dag opnieuw naar de winkel. Maar als iedereen dat zo doet, blijven de pakjes met een kortere houdbaarheidsdatum liggen, en soms moet Delhaize die dan weggooien, wat zonde is. Aan die misstand wil de supermarktketen nu iets doen en ze vraagt aan het personeel om alleen pakjes met gelijke houdbaarheidsdatum in de rekken te leggen. Een gelijke-kansenbeleid als het ware, waarbij de voorste pakjes dezelfde of misschien zelfs betere vooruitzichten hebben om meegenomen te worden als de achterste.
      Maar of daar alle problemen mee van de baan zijn? Peter Mijlemans van het Nieuwsblad (19-08-15) denkt van niet. Ten eerste betoogt Peter dat door die maatregel de problemen van voedselverspilling en honger in de wereld niet zijn opgelost, en daar heeft hij gelijk in. Ten tweede haalt hij aan dat Delhaize zulke maatregelen niet uit morele overwegingen neemt,  maar vooral ook ‘vanuit een marktperspectief’. De aandeelhouders willen eigenlijk vooral winst maken. (Het Delhaizeaandeel was die dag overigens gestegen naar 81.43). Ook daar heeft Peter gelijk in. Ten derde beweert hij dat Delhaize het probleem alleen doorschuift naar de klant die nu zelf het voedsel zal moeten weggooien dat hij die niet snel genoeg opsoupeert. En weer kunnen we niet anders dan zeggen: Peter heeft gelijk!
     Nu denk je misschien: die man heeft makkelijk praten, maar zelf heeft hij natuurlijk geen idee hoe het dan wel moet. Dan ken je Peter niet. ‘Snij in het te grote aanbod,’ roept Peter de supermarktketens toe, en hij heeft het voorbeeld van de verschillende zakken sla. In die sector is er inderdaad een ruim assortiment: kropsla, veldsla, krulsla, ijsbergsla, jonge sla, lentesla, groene eikenbladsla, rode eikenbladsla, fijnproeversla, rucola. Als we dat nu eens allemaal zouden vervangen door één kleine verpakking gemengde sla met gesneden rode bietjes en fijne kruiden. Die rode bietjes zijn ook goed tegen kanker. En dan brood! De Delhaizerekken liggen vaak vol met de meest exotische, de meest banale en de meest overbodige broodsoorten, terwijl het enige brood dat we echt willen, en dat vaak ontbreekt, het lekkere Breughel Bruin is. En misschien een paar bakken Wit Gallet voor mensen die niet beter weten.


Oorspronkelijk geplaatst op 21 augustus 2015

woensdag 18 november 2015

Uitgevers

Karl Drabbe. Tot 12-8-2015 uitgever bij Pelckmans
     Er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld – dat soort simplisme doet het altijd: er zijn twee soorten dit, er zijn twee soorten dat – dus, er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld: de held en de schijtluis. John Harding was zo’n held. In 1724 gaf hij een aantal pamfletten uit van de Ierse schrijver Jonathan Swift, tegen de Engelse regering en haar inflatiepolitiek.  Als Swift goed op stoot was, kon hij hekelen als de beste. Iedereen kreeg ervan langs in de pamfletten: de premier, de maîtresse van de koning, de voorzitter van het Ierse hooggerechtshof.
     Maar met al zijn branie was Swift ook een voorzichtig man: de wetten tegen lasteraars en raddraaiers waren behoorlijk streng. Swift ondertekende de pamfletten dus niet met zijn eigen naam maar als Mr. Drapier – De Heer Gordijnenmaker. De Engelse regering was razend. Iedereen wist dat Swift die teksten geschreven had, maar het Engelse rechtssysteem liet niet toe iemand te veroordelen zonder bewijzen. Er werd een prijs van £ 300 uitgeloofd voor wie bereid was de auteur aan te wijzen. De uitgever John Harding werd voor de rechtbank gebracht en aangemaand te verklaren wie achter de fameuze Gordijnenmaker schuilging. Harding weigerde dat te doen, werd opgesloten en stierf in de gevangenis. Niet de gevierde schrijver, maar de vergeten uitgever is de ware held in deze zaak, schrijft Swifts biograaf David Nokes.
     En nu het andere type: de schijtluis. In 1905 had de Ierse schrijver Joyce een aantal verhalen klaar over Dublin en zijn inwoners. Hij wou die graag uitgeven en nam een uitgever, Grant Richards, onder de arm. Richards las de verhalen en schrok zich een hoedje. In één van de verhalen kwam het woord ‘bloody’ voor – ‘bloody’ niet zoals in Shakespeares ‘the bloody dog is dead’ maar zoals Eliza Doolittles ‘not bloody likely’. Dat woord moest eruit. Joyce verdedigde zich door te zeggen dat het woord ‘bloody’ ook in drie andere van de verhalen voorkwam, maar tot zijn verbazing maakte dat de zaak alleen maar erger. Zo’n boek kon niet worden uitgegeven. 

     Daar kwam nog bij de naturalistische schrijftrant van Joyce. Die paste niet bij de tijdsgeest van sentimenteel Keltisch nationalisme. Die schrijftrant was, om het zo maar eens te zeggen, niet ‘politiek correct’. Tussen 1905 en 1914 werd het manuscript van ‘Dubliners’ door vijftien verschillende uitgevers geweigerd. Het werd uiteindelijk toch uitgegeven door … Grant Richards.
     Dat vind ik nu eens een happy-end. ‘Er zal alzo blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.’

Oorspronkelijk geplaatst op 17 augustus 2015

dinsdag 17 november 2015

Bernie Sanders

      Wat doe je als je in gezelschap een mop hoort waarvan de strekking je niet bevalt? Een korte grijnslach lijkt mij het beste. Als het een heel goeie mop is, kun je ook hartelijk meelachen, zelfs al wordt je favoriete partij of je diepste overtuiging dan over de hekel gehaald.  Maar dat is nu iets wat je zelden ziet bij de zogenaamde “politiek correcten”. Zodra thema’s worden aangeroerd als vrouwenrechten, migranten en gelijke-kansenbeleid (en ook een beetje milieu, verkeer en gezonde voeding) op een manier die hen niet aanstaat krijg je: verontwaardiging, boosheid, woede, kortom – protest.
      Ik heb lang gedacht dat ‘politiek correct’ ongeveer hetzelfde betekende als ‘politiek links’. Sinds ik op Facebook vertoef weet ik beter. Je kunt best links en socialist zijn, tegen multinationals en grootverdieners en tegen de hele vrije markt, en verder gelijkmoedig blijven bij de vraag of je een jonge vrouw aanspreekt met ‘juffrouw’ of ‘mevrouw’. Ook kun je waardering opbrengen voor vakbondsacties, meer werklozensteun en – godbetert – meer belastingen, en tegelijk van mening zijn dat migranten zich toch wat beter moeten aanpassen aan sommige Westerse waarden. En dat ze zich niet allemaal tegelijk en in één keer in ons land moeten komen vestigen.
      Politiek correct denken kom je voorts niet vaak tegen bij de kleinverdieners die vroeger, en nog altijd een beetje, het fundament vormden van de linkse partijen. Het is meer iets voor de opiniemakers – de klerken, waar Julien Benda zich in zijn beroemde ‘La trahison des clercs’ (1927) over opwond. Kijk naar de Verenigde Staten. Daar doet voor het eerst sinds lang een echte linkse socialist mee aan de Democratische voorverkiezingen: Bernie Sanders, een ex-schrijnwerker, die opkomt voor de werkman en tegen het grootkapitaal. En wat schreef de Amerikaanse pers? Dat Bernie de “nieuwe maatschappelijke thema’s” verwaarloosde. Terwijl hij vóór abortus, vóór het homohuwelijk en tégen kernenergie is. Maar de journalisten hebben Bernie door. Ze voelen dat dat niet de thema’s zijn waar zijn hart naar uitgaat. Om politiek correct te zijn moet je niet alleen voor bepaalde zaken zijn, en tegen andere, je moet er ook ‘helemaal voor gaan’, met opengesperde ogen en overslaande stem.
      En enkel lachen met de moppen van de eigen coterie natuurlijk. Al is dat laatste voor Bernie geen probleem. Lachen doet hij toch al niet zo vaak. Als het over de werkman gaat, kijkt hij boos. Dán spert hij de ogen wél.


Oorspronkelijk geplaatst op 14 augustus 2015
      Naschrift van 15 augustus. Pas mijn stukje gepost over political correctness, humor en Bernie Sanders en daar verschijnt op Knack.be een lang stuk van Rudi Rotthier over political correctness, humor en ... Bernie Sanders.


maandag 16 november 2015

Handkus

De zestienjarige Poesjkin draagt voor - voorovergeborgen
en ingespannen luisterend: Derzjavin
      In 1982 ging ik in Brussel wonen. Daar was toen een Engelse boekenwinkel WHSmith – misschien is die er nog – en in die winkel lagen toen grote stapels van Richard Elmanns Joycebiografie, die zojuist opnieuw was uitgebracht. Wat had ik graag het geld gehad om die te kopen, dacht ik, en tijd om ze te lezen … Nu, na zovele jaren,  heb ik het geld, en af en toe ook de tijd.
     Die lijvige biografie van professor Ellmann (842 p.) staat vol aardige anekdotes. Zoals deze, op bladzijde 114. Een jongeman benaderde Joyce en vroeg: ‘Mag ik de hand kussen die Ulysses geschreven heeft.’ ‘Nee,’ antwoordde Joyce, die hand heeft nog wel meer dingen gedaan.’ Heel leuk, en voor één keer doet de auteur niet uit de hoogte.
     Een soortgelijk verhaal als dat van Joyce vinden we in de eveneens lijvige Poesjkinbiografie van professor Binyon (731 p.). Op bladzijde 33 citeert de professor een grappig stuk van Poesjkin, die vertelt hoe hij als scholier de beroemde dichter Derzjavin ontmoette. De oude dichter bezocht Poesjkins school en de jonge dichter rende de trappen af om ‘de hand te kussen die “De waterval” geschreven had’. Maar toen Poesjkin de inkomhal bereikte, hoorde hij de oude dichter aan de portier vragen: ‘Waar is hier het toilet, beste kerel?’ Poesjkin heeft Derzjavins hand toen niet gekust. Die hand had nog wel meer dingen gedaan.

Oorspronkelijk geplaatst op 7 augustus 2015

zaterdag 14 november 2015

Parijs


     Als ik met pensioen ga, en niet altijd meer lessen aan het voorbereiden ben, wil ik af en toe eens naar Parijs, vooral in de zomer. ‘I love Paris in the summer,’ schreef Cole Porter, en die had wel vaker gelijk. Hij hield trouwens ook van Parijs in ‘winter’, ‘springtime’ en ‘fall’.
     Zelf ben ik ben nog maar twee keer in Parijs geweest, en dat was niet in de zomer. Van de eerste keer herinner ik mij heel weinig. ’t Was met een groep studenten in de romanistiek, en als ik mij niet vergis heb ik die reis georganiseerd, of mee georganiseerd. Ik weet in elk geval nog dat ik een paar keer uit mijn bed ben gebeld door studentinnen die zich kwamen inschrijven voor de leerzame uitstap. Die studentinnen stonden blijkbaar vroeger op dan ik. Maar van de reis zelf, herinner ik mij dus weinig: mimekunstenaars in de buurt van het Centre Pompidou, een tentoonstelling van Salvador Dalí, een voorstelling van La cantatrice chauve …
     Het tweede verblijf kan ik mij iets beter voor de geest halen. Mijn vrouw en ik logeerden in het piepkleine appartementje van een Spaanse vriendin waar we sliepen op een matras onder de keukentafel, want ernaast was geen plaats. Ook hadden we een afspraak in een brasserie met mijn broer, die toen in Parijs was met Amerikaanse vrienden, een vader en zijn dochter. Die vader had grote, gouden zegelringen aan meerdere vingers. Mijn Spaanse vriendin vond dat een treffend voorbeeld van het welbekende Amerikaanse gebrek aan beschaving.
     Ja, ik ben vast van plan om eens meer naar Parijs te trekken en die zakkenwassers van de ‘Islamitische Staat’ gaan mij niet tegenhouden – vooral omdat hun volgende aanslagen best wel in andere grote steden konden plaatsvinden, en dan hoef ik in Parijs voor niets bang te zijn.
      Het Westen, vrees ik, zal nog wel enige tijd af te rekenen krijgen met aanslagen uitgevoerd door ‘Allah Akbar’ brullende haatgroepen, ook al doen de politiediensten nog zo hun best om die te verhinderen. Maar of die  moordenaars op de lange duur succesvol zullen zijn, betwijfel ik. De succesvolle massamoordenaars van de twintigste eeuw – Stalin, Hitler, Mao, Pol Pot – allemaal slaagden ze erin een behoorlijk deel van de geleerden en half-geleerden, de zogenaamde intelligentsia, aan hun kant te krijgen. Dat zie ik de ‘Islamitische Staat’ nog niet klaarspelen. Hun achterlijke interpretatie van een op zich al niet erg geavanceerde godsdienst lijkt mij geen goede reclame om veel knappe koppen aan te trekken.
     Mijn Facebookvriend en vroegere leraar Nederlands Antoon Vandendriessche noemt in een reactie de IS-mensen ‘randdebielen’. Zo ver wil ik niet gaan. Ik wil gerust aannemen dat onder die moordenaars een bekwame organisator, een bedreven chauffeur, een radde spreker en zeker ook een onderlegde werktuigkundige rondloopt – want iemand moet die bommen in elkaar steken – maar het algemene verstandelijke niveau moet inderdaad aan de lage kant zijn. Zeker goed genoeg om zichzelf op te blazen, en helaas ook goed genoeg om honderden mensen te vermoorden. Maar dat ze zo de vrije maatschappijen in het Westen klein krijgen, ik geloof het niet.


P.S. De Engelse terrorisme-expert Haras Rafiq beweert dat ISIS juist wel goed opgeleide mensen aantrekt. Volgens hem bestaat de helft van de veroordeelde jihadisten in Groot-Brittannië uit mensen met een universitair diploma. Maar ik zal nog veel zulke cijfers moeten lezen voor ik mijn mening herzie.