woensdag 30 september 2015

Stella en Vanessa

   De Ierse schrijver Jonathan Swift, auteur van Gullivers Reizen, heeft twee vrouwennamen in omloop gebracht: Stella en Vanessa. Met Stella (Esther Johnson) was hij in het geheim getrouwd en Vanessa (Hester Vanhomrigh) was zijn geheime minnares. Met géén van de twee vrouwen heeft hij overigens samengeleefd of – denkt men – seksueel contact gehad. Je kunt je afvragen waarom hij er een vrouw en een minnares op nahield als hij toch geen seksuele omgang wou – zeker Vanessa wou dat wel –  maar goed.
   In het geheim getrouwd? Hoe weet men dat dan? Uit de ‘beroemde biografie’ van Sheridan, schrijft David Nokes. Stella had dat zelf verteld aan Sheridans vader. Sheridan? – Sheridans vader? Nu had ik ooit wel eens gehoord van een zekere Richard Sheridan –  Ier, toneelauteur, pruikentijd. Is dát de biograaf? Of de vader van de biograaf? Of zijn zoon? Dat moeten we eens opzoeken.
    Volgens Wikipedia heb je Thomas Sheridan (1687-1738), zijn zoon, ook Thomas Sheridan (1719-1788) en díens zoon, Richard Sheridan (1751-1816). Alle drie schreven ze toneelstukken en alle drie droegen ze een pruik. Dat maakt het moeilijk. Wikipedia vermeldt dat de oudste Sheridan de ‘vriend, medewerker en biograaf van Swift’ was. Eén ding is verdacht: de titel van de biografie wordt niet vermeld en het jaartal evenmin. Is hier geen vergissing in het spel tussen de twee Thomassen?
   Het lijkt mij beter om bij Wikipedia ook eens na te trekken wat de twééde Thomas Sheridan allemaal heeft uitgespookt. Ik stuit op een lange rij boeken met erg lange titels, onder andere één over de correcte uitspraak en spelling van het Engels, maar geen biografie van Swift. Nog ben ik er niet gerust in. Na wat doorklikken wordt mijn vermoeden bevestigd op www.jamesboswell.  Het is wel degelijk Thomas Sheridan junior  die de The Life of Dr. Swift’ (1784) geschreven heeft. Op Google Books vind je er een fotografische herdruk van. Wikipedia was fout. Thomas senior was wel de vriend, maar niet de biograaf van Swift.
    Boven Stella, onder Vanessa 

Oorspronkelijk geplaatst op 6 maart 2015.

dinsdag 29 september 2015

Sympathie voor het basisinkomen

   Vorige zaterdag zag ik een vriend weer uit een ver verleden. Hij keek me scherp aan en zei: ‘Gij zijt een oude man geworden.’ Met die vriend had ik vroeger op de barricaden van de studentenbeweging gestaan – tegen het Plan Bosmans. Die Bosmans wou de studiebeurzen herschikken van de gemiddeld-lage inkomens naar de lage inkomens. Daar hadden we als linkse studenten eigenlijk geen argumenten tegen, maar we moesten die hele hervorming niet – ‘on general principle’ zoals men dat in het Engels zegt. Als je lang genoeg nadenkt en vergadert vind je altijd wel iets wat op een argument lijkt: een cijfer, een stemverheffing, een emotie, een slimme drogredenering, een fraaie metafoor. Mijn vriend bijvoorbeeld vergeleek de studiefinanciering met een ‘oude wagen voortwiebelend op twee krakende assen’.
   Daar moest ik aan denken toen ik de dag erop de Panorama-uitzending zag over het ‘basisinkomen’. Mensen als Duchatelet en anderen kwamen uitleggen dat je heel het ingewikkelde systeem van uitkeringen beter kon vervangen door eenzelfde uitkering voor iedereen – bijvoorbeeld 1100 euro per maand. Daarna beslis je zelf hoeveel je nog wil bijverdienen. De berekeningen leken soliede. Je had 187 miljard nodig. Bijna twee derde kon je bijeenkrijgen door oude uitkeringen te schrappen en door het ambtenarenapparaat te ontmantelen dat nodig is om die uitkeringen te berekenen, te controleren en uit te betalen. Bepaalde fiscale en sociale fraude verdween vanzelf omdat ze overbodig werd. Dan moest nog iets meer dan een derde komen van nieuwe belastingen … ja ik weet het.
   Ik heb sympathie gehad voor dat basisinkomen vanaf het ogenblik dat ik het idee voor het eerst vernam en was dus erg blij met de uitzending. Niet alle verdedigers van het voorstel waren even sympathiek – de ene te arrogant, een andere te naïef, een derde te zalvend –  maar de meeste kwamen toch wel met iets als een argument voor de dag. Dat was niet het geval bij de opponente van dienst, dr. Francine Mestrum, die nochtans gefilmd werd voor een enorme boekenkast. Misschien hebben de reportagemakers al haar goede argumenten weggeknipt, maar misschien ook had ze er geen, zoals wij indertijd met Bosmans. Misschien was ze gewoon tegen ‘on general principle’. 

Oorspronkelijk geplaatst op 4 maart 2015.

maandag 28 september 2015

Theologie

   Misschien denk je dat theologie een zaak is van abstracte bespiegelingen, hoog boven het drukke gedoe van alledag. Dat dat niet zo is, mag blijken uit het volgende voorbeeld. Enkele maanden geleden hoorden of lazen we over de Iraakse jezidi’s die door strijders van ISIS werden vermoord of als slaaf verkocht. Dat is nogal vaag, vind ik. Wat is het nu? Vermoord? Of als slaaf verkocht?
   Met die jezidi’s is het een rare zaak. Hun godsdienst is een mengeling van oud-Perzisch heidendom en elementen uit de islam. Wat was er het eerst? Dat is een vraag van aanzienlijk praktisch belang. Als de jezidi’s heidenen zijn, die later werden beïnvloed door de Islam, dan kunnen rechtlijnige moslims – en ISIS is zeer rechtlijnig – met heilige teksten aantonen dat ze als slaaf moeten worden verkocht. Maar als de jezidi’s eigenlijk islamieten zijn, die door heidense invloeden van de ware leer zijn afgeweken, dan moeten ze als afvalligen worden vermoord.
   Volgens het ISIS-magazine Dabiq van oktober 2014 wordt de kwestie onderzocht door een studiegroep van theologen.  Ik vind dat ze bij Wikipedia best heel omzichtig tewerk gaan als ze over de oorsprong van het Jezidisme schrijven.

Oorspronkelijk geplaatst op 27 februari 2015.


zaterdag 26 september 2015

Het geslacht van de duivel

  Van alle griezelige wezens die niet bestaan ben ik het meeste bang van duivels. Vampiers bestaan niet en weerwolven zeker niet, maar met de duivel weet je maar nooit. Hij laat je geloven dat hij niet bestaat, maar dat zou een list kunnen zijn, zo werd mij op de lagere school geleerd. Gelukkig stelden mijn ouders me gerust. In een christelijk land als het onze wist de duivel zich geen raad met al die kerken en kappellen en kruisbeelden met gewijde palmtakjes. Nergens vond hij een park of een pleintje waar hij rustig kon neerzitten op een bankje, of op een steen langs de weg. Hij was daarom uitgeweken naar de missielanden en een pater-missionaris moest eerst een degelijke cursus exorcisme volgen vooraleer hij zich in zo’n land vestigde. Wij hadden niets te vrezen. Nu echter, met de ontkerkelijking, wordt het ook bij ons weer gevaarlijk. Zo heeft minister van Binnenlands Bestuur Liesbeth Homans twee weken geleden de ontwijding van de St-Amandskerk in Roeselare goedgekeurd. Gelukkig kom ik daar niet vaak, want zoiets is niet goed voor mijn veiligheidsgevoel.
    De duivel, dat weet iedereen, kan allerlei gedaanten aannemen, en dat maakt hem extra gevaarlijk. Op het witte doek verscheen hij onlangs nog als Al Pacino en als Meryl Streep – wat meteen de vraag doet rijzen: is de duivel mannelijk of vrouwelijk? Op die vraag bestaat, in tegenstelling tot op een soortgelijke vraag over de engelen – een heel precies antwoord: er zijn zowel mannelijke als vrouwelijke duivels. De eerste variëteit is de ‘incubus’, die eruitziet als een faun – met bokkenpoten en hoorns – en de tweede variëteit is de ‘succubus’ – hetzelfde, maar met vrouwelijke geslachtskenmerken. Het zijn allebei seks-duivels. De succubus heeft gemeenschap met een man, wiens daarbij vrijgekomen zaad wordt opgevangen en doorgegeven aan een incubus, die daar dan op zijn beurt een bevriende heks mee bevrucht.
    Tegen die theorie van de indirecte bevruchting zijn allerlei theologische en fysiologische bezwaren geformuleerd. Ze worden zorgvuldig weerlegd in Deel I, vraag III van de Malleus Maleficarum oftewel De heksenhamer (1486), de onvolprezen handleiding voor de heksenjager van vroeger en nu. Mijn Engelse uitgave bevat een voorwoord van vertaler Montague Summers uit 1948, waarin hij wijst op de brandende actualiteit van het boek.
    Die Summers was anders een rare kerel. Leraar klassieke talen. Gaf zich uit voor en kleedde zich als katholiek priester. Lid van de ‘British Society for he Study of Sex Psychology’. Heeft zich voor de rechtbank moeten verantwoorden voor pedofilie, maar werd vrijgesproken. Publiceerde over vampiers, weerwolven en voodoo. Van dat laatste ben ik trouwens ook bang, maar dat is een ander verhaal. Dat bestaat echt.

 

Oorspronkelijk geplaatst op 27 september 2015

vrijdag 25 september 2015

Rijkdom verdelen

   Onze leraar Nederlands in het vierde middelbaar – Antoon Vandendriessche heette hij – kwam vers van de universiteit, droeg een donkerblauwe blazer en was nogal goedlachs en los in de omgang. Maar verhandelingen verbeteren deed hij met vooroorlogse gestrengheid. Ik schreef ooit dat ‘de jongeren terecht geobsedeerd zijn door maatschappelijk onrecht’. Een obsessie kan nooit terecht zijn! stond er in rode letters in de kantlijn. Of ik ontwikkelde de redenering dat, als de rijkdom van de rijken onder de armen zou worden verdeeld, dat die armen dan minder arm zouden zijn. Triviaal! was de commentaar. Ik kende dat woord niet en moest er de betekenis van vragen.
   Niet veel later leerde ik uit marxistische geschriften hoe je de herverdelingsgedachte minder triviaal kon formuleren. In het goed verwarmde treinstation van mijn geboortestad las ik op regenachtige zondagen boekjes zoals Loon, prijs, winst van Karl Marx, Socialisme van utopie tot wetenschap van Friedrich Engels, en de in 1971 heruitgegeven oorlogsnummers van de Roode Vaan.
   In de Roode Vaan van november 1942 vond ik volgende redenering. De naamloze vennootschappen in België maakten jaarlijks 5 miljard winst. Als dat bedrag verdeeld zou worden onder de anderhalf miljoen loontrekkenden, zou elk van die loontrekkenden ‘slechts’ een verhoging genieten van 300 fr. in de maand. Dat vond de steller van het artikel ‘zeker niet te versmaden’, maar nu ook weer niet zo bijzonder. Gelukkig kwam daar iets bij. Het communisme zou niet alleen zorgen voor een betere verdeling van de taart, het zou vooral ook zorgen voor een veel grótere taart. Je kon een voorbeeld nemen aan de Sovjet-Unie. Daar had je een productie die elke vijf jaar verdúbbelde. Met zo’n groeiritme zou het niet lang duren voor men de Verenigde Staten zou inhalen.  Chroestsjov dacht later ook zoiets.
   Maar zo’n vaart is het niet gelopen. De communistische economieën raakten juist hoe langer hoe meer achterop. Later vond ik bij Karel van het Reve en Ludwig von Mises waarom dat zo was.

Oorspronkelijk geplaatst op 25 februari 2015.

woensdag 23 september 2015

Ezel

   Elk jaar vraag ik wel ergens in een klas of iemand  het probleem kent van ‘de ezel van Buridan’. Meestal gaan er dan niet veel vingers in de lucht, maar enige tijd geleden was er dan toch een jongen, Frederik geloof ik, die het probleem kende.
   Jean Buridan (1300-1358) was een Franse filosoof die les gaf aan de Sorbonne. Hij was er, zoals veel filosofen, van overtuigd dat mensen wel, en dieren geen ziel hadden. Mensen hadden van God een vrije wil gekregen, dieren niet. Hoe leg je zoiets uit aan een stelletje domoren in een collegezaal, moet Buridan gedacht hebben. Het woord ‘domoor’ bracht hem op een idee dat hij uitwerkte in het volgende gedachte-experiment. Je plaatst een ezel voor een hooischelf. De ezel, die geen vrije wil heeft, wordt onweerstaanbaar aangetrokken door de hooischelf. Hij moet die opeten. De mens daarentegen kan geheel vrijwillig beslissen een lekkere biefstuk niet op te eten, omdat het bijvoorbeeld vrijdag is en Onze-Lieve-Heer of iemand anders het eten van biefstuk op die dag dringend afgeraden heeft. Hij kan ook beslissen die biefstuk wél op te eten.
   Tot hier hadden jij en ik het ook allemaal wel kunnen bedenken. Maar het volgende had ik in geen duizend jaar kunnen verzinnen. Stel je nu voor, zei Buridan, dat je een ezel plaatst tussen twéé hooischelven – twee hooischelven die precies even ver van de ezel verwijderd zijn. De twee hooischelven oefenen precies dezelfde aantrekkingskracht uit, en die twee krachten heffen elkaar op. De ezel kan niet kiezen, want hij heeft geen vrije wil. Hij sterft van de honger.
   Misschien wil je graag weten of iemand die hele geschiedenis ooit heeft uitgeprobeerd met een échte ezel? Ik geloof eigenlijk van wel. Koen Meulenaere schreef er in elk geval ooit een Bladspiegel over. Mocht je op zolder of in de kelder oude nummers van Knack hebben liggen, het stuk verscheen op 25 november 2009.
 
Oorspronkelijk geplaatst op 20 februari 2015.

dinsdag 22 september 2015

Turing, machine van

   Aan de Katholieke Universiteit van Leuven bestond in de jaren negentig een werkgroep die zich met geautomatiseerde vertaling bezighield. Misschien bestaat die werkgroep nu nog. Een van de leden was een taalkundige, professor Marc Debrock, die nogal graag in werkgroepen zat.
   Op vergaderingen stelde hij rare vragen. Hoe kon een computer het verschil zien tussen de stellende en de vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord? De informatici keken hem aan met lege blik. Hoe ziet die computer het verschil tussen ‘slapper’ en dapper’, drong de professor aan. Dat begrepen de informatici. Vanaf dat moment noemden ze hem achter zijn rug ‘Slapper-en-dapper’.
   De computerlui gebruikten van hun kant begrippen waar de professor moeite mee had. Zo hadden ze het wel eens over een gedachte-experiment dat bekend staat als ‘de machine van Turing’. Waar men die machine kon kopen, wilde de professor weten. Was daar budget voor?
   – Over Alan Turing, de ‘uitvinder van de computer’,  loopt nu een film in onze Vlaamse cinema’s: The Imitation Game. Ik ben die film gisteren gaan kijken.

 
Oorspronkelijk geplaatst op 14 februari 2015.

maandag 21 september 2015

Pedagogisch experiment

   Harvard-professor Roland Fryer heeft een moeilijke jeugd gehad. Zijn vader kwam in de gevangenis terecht toen hij nog een kind was en zijn moeder ontmoette hij voor het eerst op zijn twintigste. Wel had hij een strenge grootmoeder die erop toezag dat hij op school goed zijn best deed. Fryer werd economist, maar schoolprestaties bleven hem bezighouden en hij specialiseerde zich in onderwijsinnovatie. Je kon dat maar beter niet aan pedagogen overlaten, moet hij gedacht hebben.
   Hij wou bijvoorbeeld weten hoe het kwam dat de scholen van de Amerikaanse opvoeder Geoffrey Canada wel goede resultaten bereikten in achterstandsbuurten en andere scholen niet. Canada bleek een vriendelijke man, maar zijn pedagogische recept deed Fryer denken aan de keukenrecepten van zijn grootmoeder: je neemt een beetje van dit – niet te veel – en roert er een beetje van iets anders door – niet te snel roeren, maar ook niet te traag – en laat dan even op het vuur staan – maar zeker niet te lang, maar wel lang genoeg. Kortom: mijn moeder. Er zat voor Fryer niets anders op dan twee jaar in een Canada-school te gaan logeren en alles nauwkeurig te registreren, te meten, op te nemen en te analyseren. Het geheim zat in de kleine dingen: een efficiënte manier om cursusbladen uit de delen, kortere plaspauzes, nette lokalen, individuele bijlessen. O ja, het werkte beter voor wiskunde dan voor talen.
   Leuk was ook de eerste etappe van Fryers onderzoek. Hij probeerde toen na te gaan hoe schoolkinderen reageren op ‘incentives’, en wel: op onmiddellijke ‘incentives’. Je kunt kinderen nog zo vaak zeggen dat ze later een goedverdienende baan zullen hebben als ze nu flink leren, het blijft boter aan de galg als er vijftien jaar ligt tussen dat  nu en dat later. Fryers ging dus kinderen betalen om boeken te lezen, goede toetsen te maken, enzovoort. Het werkte … tot op zekere hoogte. Maar Fryer kreeg af te rekenen met een golf van protest. Verontruste ouders en leraren kwamen voor zijn deur rondjes lopen met bordjes. Ik zie ze voor mij. Unfair! Save Our Children! Fryer=Mengele!  Wie niet protesteerden, waren de kinderen. Die kwamen maar wat graag naar de plechtige schoolfeesten waar de cheques werden uitgereikt. De toespraken namen ze erbij.
   Toch was er na één zo’n toespraak een jongen die naar Fryer toestapte met een bedenking. ‘Professor,’ zei hij, ‘ik vind niet dat we geld moeten krijgen om naar school te komen. Wij zouden geld moeten geven om naar school te mogen komen.’ Wat later dook die jongen opnieuw op bij de uitdeling van de cheques. Fryer nam de cheque die voor die jongen bestemd was en stak die in eigen zak. ‘Wat doe je nu?’ vroeg de jongen. Fryer antwoordde dat hij toch zelf gezegd had dat leerlingen geld aan de school moesten geven in plaats van er te krijgen. ‘Dat heb ik niet gezegd,’ antwoordde de jongen ferm.

Oorspronkelijk geplaatst op 18 februari 2015

zondag 20 september 2015

Dubbele helix

De ontdekkers van de DNA-structuur Watson, Crick en Wilkinson (gedeelde Nobelprijs 1954) waren maar van drie dingen bang.
Ten eerste waren ze afhankelijk van de röntgenfoto’s van Rosalind Franklin. Dat was een hele moeilijke dame om mee samen te werken. De heren vergaten bij hun vernuftige speculaties al eens een of ander onderdeel van de scheikundige theorie. Dan werd Rosalind zo boos dat de heren vreesden klappen te zullen krijgen. Wilkinson besteedde meer tijd aan het bedenken van middelen om Rosalind te laten overplaatsen naar een ander laboratorium dan aan het vinden van de correcte atoomverbindingen.
Ten tweede was er Linus Pauling. Die was ook op zoek naar de DNA-structuur en Pauling wist op zijn eentje meer van scheikunde af dan de drie toekomstige Nobelprijswinnaars samen. Als ze in hun onderzoek op een probleem stootten, moesten ze de oplossing halen uit een van de boeken van Pauling.
De derde vrees was de grootste. Wat als de gevonden DNA-structuur … saai was? Een onsystematisch zootje zonder geur, kleur of zaligheid? Een reeks uitwaaierende verbindingen zonder kraak of smaak? Een lelijke molecule?
Ze waren nodeloos bang geweest. Toen de dubbele helix gevonden was, bleek die dermate ingenieus in elkaar te zitten dat zo verscheiden zaken als het groeien van een kinderhandje en de verspreiding van gordelroos tot eenzelfde principe te herleiden was, even simpel als het openen van een ritssluiting. Rosalind Franklin vergaf op slag alle stommiteiten die de tennisspelende, rokkenjagende, de kantjes eraf lopende heren hadden uitgekraamd. Linus Pauling was verrukt. En de molecule was zo mooi dat ze op schaal werd nagebouwd als sierstuk voor intellectuele appartementen.
Boven: Watson, Crick – Onder: Wilkinson, Franklin 
Oorspronkelijk geplaatst op 11 februari 2015.

zaterdag 19 september 2015

Golfbreker

    Wie de Engelse film The French Lieutenant’s Woman gezien heeft, zal het openingsbeeld niet licht vergeten. Miss Woodruff bestijgt, bij hevige regen en flinke wind, de lange golfbreker van Lyme Regis. Gevaarlijk!
Dezelfde golfbreker bood in 1685 bescherming toen drie schepen van de hertog van Monmouth het havenstadje binnenvoeren. Monmouth –  dat soort dingen leerde men vroeger in de geschiedenisles – was de bastaardzoon van Karel II en hij wou de troon veroveren op zijn oom Jacobus II. Hij had aanhang onder de protestantse bevolking, die hem volgde met rieken en zeisen. Het mocht niet baten. Na een maand werd hij verslagen door een echt leger in de buurt van Bothwell Bridge.
   Dezelfde golfbreker speelt ook een rol in Jane Austens roman Persuasion. Een pittige jongedame, Louisa Musgrove, wil, tegen verstandig advies in, gaan wandelen op de gladde stenen. Ze valt – en die val stuurt het verhaal een hele andere richting uit.
   Dat was een lange inleiding, maar nu ben ik waar ik wezen moet. De dichter Alfred Lord Tennyson bezocht Lyme Regis en de fameuze golfbreker in augustus 1867. Men wilde Tennyson met alle geweld de plaats laten zien waar Monmouth aan wal gekomen was. Het antwoord van de dichter is terecht beroemd. ‘Don’t talk to me of Monmouth. Show me the spot where Louisa Musgrove fell.’

Oorspronkelijk geplaatst op 6 februari 2015.

vrijdag 18 september 2015

Hayek en Keynes

   Als je zoals ik niets van staatshuishoudkunde afweet, beleef je harde tijden. De kranten staan vol artikels waar je weinig van begrijpt, en zelfs op Facebook hebben vrienden artikels gedeeld over zaken als schuldafbetaling,  investeringsbeleid en fiscale politiek. Moeilijk, moeilijk. Als de economie terugloopt, wat moet je dan doen? Het antwoord op die vraag zou te vinden zijn bij twee knappe koppen van vorige eeuw: John Maynard Keynes en Friedrich Hayek.
   Hun antwoorden zijn nogal tegenstrijdig – wat had je gedacht? Meer geld bijdrukken en uitgeven, zegt Keynes, en ervoor zorgen dat de lonen stijgen, zodat er meer gekocht kan worden. – Wel integendeel, zegt Hayek. Minder geld uitgeven, lonen matigen en dat bespaarde geld investeren. Dat is dus precies het tegenovergestelde. En met belastingen is het net zo. Die moeten omhoog, zegt Keynes, zodat de staat meer kan investeren. – Juist andersom, zegt Hayek. Ze moeten omlaag, zodat de bedrijven meer kunnen investeren.
   We zouden, als betrokken burgers, die boeken eigenlijk eens moeten lezen voor we gaan stemmen voor SP.a of NVA. Maar de ‘General Theory’ van Keynes schijnt veel algebra te bevatten, en de ‘Pure Theory’ van Hayek zou nog erger zijn: 450 bladzijden dorre redenering waarbij elke zin voortbouwt op vorige. Ik begin er niet aan. Wel kijk ik de laatste jaren af en toe naar het vermakelijke rapnummer Hayek vs Keynes. Er is ook een Round Two. Of die zangstukken een juist beeld geven van de economische denkbeelden in kwestie, weet ik niet. Wel zijn er voldoende authentieke foto’s die bewijzen dat  Hayek meer haar op zijn hoofd had dan de videoclips laten geloven. En Keynes minder.

Oorspronkelijk geplaatst op 4 februari 2015

dinsdag 15 september 2015

Lange neus

   Als ik na een vermoeiende werkdag thuiskom – ik sta in het onderwijs – mag ik graag een dutje doen op de ligbank. Vroeger luisterde ik daarbij naar de Goldbergvariaties – Cioran noemde die ‘de la musique d’après ma mort’. Ik viel in slaap tijdens de rustige aria en en werd tien minuutjes later gewekt door een van de snelle toccata’s … maar goed ook, want als een dutje te lang duurt, voel je je loom en lichtjes misselijk. Nu gaat dat allemaal niet meer, want we hebben geen cd-speler meer in de living. Ik heb het anders opgelost. Ik zet de tv aan en kijk naar de op digicorder opgenomen eerste aflevering van Apocalypse – een serie met beeldmateriaal van voor en tijdens de eerste wereldoorlog. Gelukkig val ik meestal in slaap voor de loopgravenellende begint.
   Er zijn prachtige beelden bij van militaire parades, koffiehuizen en drukke straten met voetgangers, paardentrams en auto’s, alles door elkaar. De mannen dragen strohoeden en de vrouwen lange jurken. Op sommige beelden zie je de Europese vorsten. Die hadden toen nog veel macht - hun humeur en hun grillen konden grote gevolgen hebben voor hun onderdanen.
   Als ik de filmpjes bekijk, heb ik altijd veel sympathie voor de Oostenrijkers: Franz-Jozef, die kranige oude baas, neef Franz-Ferdinand die ontdooit als hij een paar glaasjes op heeft, en Karl met zijn mooie vrouw Zita. Wilhelm II van Duitsland daarentegen moet ik niet. Een clown, een klein kind - je ziet het zo. Hij is trots als een pauw wanneer hij gefilmd wordt. “Wilhelm wil dat het elke dag zijn verjaardag is,” zei Bismarck. Als diplomaten of politici hem in de verte zagen komen, vertelt men, zochten ze snel een plaats om zich te verstoppen. Weinig dingen waren erger dan een uur te moeten luisteren naar het gezeur van Wilhelm over zijn kinderjaren en zijn strenge Engelse moeder.
   Omdat Wilhelm voor een echte kerel wilde doorgaan, droeg hij altijd een officiersuniform. Zijn groet was het militair saluut - uiteraard. Daarbij hield hij zijn hand zó dat het net leek of hij lange neus maakte. Nu deden alle moffen dat in die tijd, maar het blijft een gek gezicht.
   Op de prentjes: Wilhelm van het Tweede Rijk en kolonel Alvarez van Kuifje.

 Oorspronkelijk geplaatst op 31 januari 2015

maandag 14 september 2015

Fanatici

   Op Canvas speelt morgenavond de film ‘Agora’ van Amenàbar. Geen Grote Klassieker, maar wel aardig. Je komt van alles te weten over de eerste christenen. Die van de eerste eeuw zullen wel aardige mensen geweest zijn, maar die van de vierde eeuw … In Alexandrië bijvoorbeeld vormden ze knokploegen, de parabolani, die de straten zuiverden van Joden en polytheïsten. Ze staken heidense boeken in brand en ze hakten filosofe en astronome Hypatia aan stukken, dat laatste helaas letterlijk. Ze werden daarbij opgehitst door de onverdraagzame bisschop Cyrillus, erkend heilige bij de katholieke, orthodoxe en koptische kerk.
   Een aantal Amerikaanse katholieken waren woedend toen de film uitkwam. Hun argumenten geleken op die van andere geloofsverdedigers. De christelijke knokploegen handelden uit zelfverdediging. Cyrillus had Hypatia niet eigenhandig gedood. De Joden waren ook geen lieverdjes. Gibbon was een leugenaar. Hypatia was niet mooi en jong zoals in de film, maar misschien wel zestig jaar oud. Ze had ook geen belangrijke ontdekkingen gedaan. De christenen hebben die boeken niet verbrand in 415 maar in 391 en Julius Caesar had die bibliotheek ook al eens per ongeluk in brand gestoken. En laten we de verdiensten van Cyrillus niet vergeten. Zonder hem dachten we nu nog altijd dat Jezus Christus bestond uit twee personen – God en mens – in plaats van uit twee naturen – God en mens.
   Het mooiste argument vond ik dat van de ‘tijdsgeest’. Dat christelijk straatgeweld moest je in zijn juiste context plaatsen. Het waren harde en gewelddadige tijden … Zeker, zeker, maar die parabolani met hun hooligangeweld droegen zelf toch ook hun steentje bij tot de tijdsgeest waarvan sprake, is ’t waar of niet?
Ik heb aan mijn zeer katholieke vader gevraagd wat hij ervan dacht. Sint-Cyrillus was een fanaticus, zei hij. En Sint-Augustinus was niet veel beter. Kijk, zo moet dat.

 Oorspronkelijk geplaatst op 15 januari 2015

zondag 13 september 2015

Dubbele rooie

   Een collega raadde mij onlangs een boekje aan: ‘Groei maakt gelukkig’ van Peter de Kezyer, ‘hoofdeconoom’ van PNB Paribas Fortis. Het lag in stapeltjes bij ‘De Slegte’.
   De hoofdeconoom is een geestdriftig pleitbezorger van technologie, economische groei en kapitalisme. Volgens hem zal meer vrije markt juist die zaken realiseren die de vakbonden vurig wensen: hogere lonen, kortere werktijden en ik meen zelfs vroeger pensioen. Alleen moeten we nu even wat bezuinigen omdat we allemaal, de staat voorop, te veel schulden hebben gemaakt.
   Allerlei eenvoudige dingen wist ik niet. De armoedegrens, leerde ik, wordt gedefinieerd als 60 % van het middelste inkomen. In België ben je arm als je voor je gezin met twee kinderen minder dan 22 673 euro verdient. In Luxemburg is dat 33 600. Je bent dus beter arm in Luxemburg. En als de allerlaagste inkomens stijgen, dan kun je als arme wel gezonder voedsel, mooiere kleren en betere medicijnen kopen, statistisch blijf je even arm als ondertussen ook het mediane inkomen gestegen is. Het zou overigens beter zijn, denk ik nu, om de armoedegrens te toetsen aan het gemiddelde inkomen. Een rijkentaks zou dan meteen het gemiddelde inkomen doen dalen en het aantal mensen dat meer dan 60 % ervan verdient, doen stijgen. Ja, statistiek …
    Het spreekt vanzelf dat De Keyzer geen hoge pet opheeft van de communistische planeconomie, waar niet de kapitalist of de klant het laatste woord heeft – die eerste bestaat dan trouwens niet meer – maar één of andere ambtenaar. Die ambtenaar beslist dan over de kleur van de meubels en de kledij, zegt De Keyzer. En niet alleen van de meubels en de kledij, voeg ik eraan toe. In 1980 was ik voor een studentencongres in Polen. De Poolse jongelui waren stuk voor stuk grote bewonderaars van de Beatles –  Yesterday, Michelle, The Yelow Submarine, kenden ze allemaal. Maar niemand kende Hey Jude, All You Need Is Love of het hypnotiserende Come Together. Die eerste liedjes stonden allemaal op de ‘dubbele rooie’ en die andere op de ‘dubbele blauwe’. Eén of andere ambtenaar of comité van ambtenaren had beslist enkele honderdduizenden van de ‘rooie’ en geen enkele van de ‘blauwe’ aan te kopen.
 
Oorspronkelijk geplaatst op 14 januari 2015

zaterdag 12 september 2015

Burke, Bart en de schalkse columnist


    In de kringen waar ik kom is het beter om geen sympathie te laten blijken voor Bart de Wever.  Bart wil minder steungeld voor de werklozen en meer winsten voor de bedrijven. Toch zijn er een paar dingen die mij voor Bart innemen. Een paar jaar geleden raakte hij heel wat pondjes kwijt. Ik ook. Hij is een groot bewonderaar van “The Simpsons”. Ik ook. Bart haalt zijn politieke filosofie uit Edmund Burkes “Reflections on the Revolution in France” (1790). Ik … tja …
    Die “Reflections”, dat is een briljant boek, chaotisch, romantisch, toekomstvoorspellend. Burke formuleerde de eerste moderne argumenten voor normen, waarden en tradities. En dat je toch zo moet oppassen voor radicale mensen met ‘een visie’. De Amerikaanse journalist en vrijheidsstrijder Thomas Paine, van zijn kant, was een groot voorstander van de Franse revolutie. Hij las het boek van Burke, begreep er de helft van – genoeg om te weten dat het tégen die revolutie was – en schreef een scherp antwoord. Burke vond dat hij door Paine beledigd was en spande een proces in. Dat had Burke niet moeten doen, vind ik.
    En dan Bart. Enige tijd geleden schreef hij een wat haastig stuk in een krant over, ik meen, het postmodernisme. Dat schoot in het verkeerde keelgat van filosoof Lieven de Cauter – ik heb die jongen nog gekend in Leuven.  Lieven antwoordde in wat hij een “schalkse columnstijl” noemde. Het postmodernisme, daar had hij een boek over geschreven. “Da’s wel van ons, hé. Ge wilt dat ook afpakken? You don’t wanna go there! Ik probeer al 20 jaar in de gazet te schrijven en gij ga dat efkes gebruiken voor uw politiek project. Dat ga geen waar zijn. Ik maak in no time brandhout van al je argumenten. I eat you for breakfast.” Tot zover de schalkse columnist. Bart deed twee dingen. Hij stuurde een mailtje naar Lieven met de vraag: “Hoe oud bent u eigenlijk?” Hij stuurde ook een mail naar de rector van de KULeven waarin hij zich verwonderde over het taalgebruik van een van zijn professoren. Dat laatste had Bart niet moeten doen, vind ik.

Oorspronkelijk geplaatst op 12 december 2014
 
   

 

vrijdag 11 september 2015

Tante Jane

Hierboven ... ikzelf als - laten
we zeggen: Mr. Bennet
   Professor Delattré van de afdeling Germanistiek wou dat ik voor zijn vak vooral 19de-eeuwse romans las. Daar kwam je later niet meer aan toe, zei hij. Ik begon vol goede moed. George Elliott, Thomas Hardy, Henry James … Het leek op wat ik al kende van de romanistiek: Stendhal, Flaubert, Zola – diep, degelijk en een beetje deprimerend. Jane Austen stond ook op de lijst. ‘It is a truth universally acknowledged,’ zo begon Pride and Prejudice, ‘that a single man in possession of a good fortune, must be in want of a good wife.’ Mijn mond viel open.   
   Later ontdekte ik overal medebewonderaars van tante Jane. Haar tijdgenoot en concurrent Walter Scott, Tenysson en Colleridge, Nabokov en Guus Luyters, de secretaressen en vrouwelijke advocaten van Loeff-Claeys-Verbeke. Ook onder historici bleek ze populair. McCauley plaatste haar op gelijke hoogte met Shakespeare. Pieter Geyl roemde haar ‘wijze en menselijke visie op het leven.’ Ik begrijp wat hij bedoelt. Jane moraliseert, maar ze blijft sympathiek. Ze heeft de normen en de waarden van de burgermaatschappij zonder de zelfgenoegzaamheid van een paar decennia later. ‘Geef mij maar het gezelschap van brave mensen,’ schrijft ze, ‘dan ben ikzelf lekker de slechtste.’ De slechtste, ja, maar nooit de domste. ‘J.A. doesn’t suffer fools gladly,’ schrijft Geyl. Voor charmante schurken als Willougby en Wickham heeft ze enig begrip, maar pompeuze dommeriken en dwaze ganzen krijgen de volle laag, vooral als ze ook nog eens de ouders zijn van de heldin. Maar dom of slecht, Janes personages zijn nooit saai, zelfs niet als ze saai zijn. Ook dragen ze mooi kleren.
   Een andere Austen-bewonderaar was Roger Ebert (†2013). Vroeger las ik altijd zijn recensies op IMDB voor ik naar een nieuwe film ging. Nu lees ik ze voor ik naar een oude film kijk. Ebert onderging in 2006 zijn zoveelste operatie voor schildklierkanker. Bij elke operatie werd een nog groter stuk van zijn kaakbeen weggesneden. Hij kon al jaren niet meer spreken. Enkele maanden na de operatie van 2006 schrijf hij: ‘When I was very sick last year there was a time when I lost all interest in reading. When I began to feel a little better, perhaps strong enough to pick up a book, it was Austen’s Persuasion. What else?’ – Persuasion is ook mijn lievelingsboek.

Oorspronkelijk geplaatst op 23 januari 2015

donderdag 10 september 2015

Shakespeareportretten

   Hoe William Shakespeare er misschien uitzag weten we van drie afbeeldingen. De Amerikaans-Engelse schrijver Bill Bryson (2007, The World as Stage) heeft op alle drie iets aan te merken.
   Het bekendste Shakespeare-portret is de gravure van de Nederlander Martin Droeshout: het ene oog is groter dan het andere, de mond is mislukt, het haar is aan de ene kant wel tien centimeter langer en het hoofd zweeft als een ballon boven de schouders. Dat was me allemaal nog niet zo opgevallen, maar nu ik opnieuw kijk, klopt het wel.

n, maar nu ik het opnieuw bekijk, klo   Dan het standbeeld bij het graf in Stratford-upon-Avon. Niet meer dan een beschilderde paspopkop, vindt Bryson. En de Bard ziet eruit als een idioot met de uitstraling van een varkensblaas. Ja, dat vind ik nu ook.
   Tenslotte, het Chandos-portret met de oorring. Geen man aan wie je zonder nadenken je vrouw of je opgroeiende dochter aan zou toevertrouwen, zegt Bryson. Even nakijken - verdomd als het niet waar is: een pooier!
 
Oorspronkelijk geplaatst op 21 januari 2015

woensdag 9 september 2015

Familiefeest

De bekende Arabische zakenman Mohammed (570-632) kreeg rond zijn veertigste religieuze visioenen en besloot een nieuwe godsdienst te beginnen. Hij maakte het nieuws bekend op een groot familiefeest – een gênante stilte was het gevolg.
Maar in een gezelschap van meer dan veertig mensen moet toch één potentiële fanaticus aanwezig zijn, zul je zeggen. Dat was zo. De veertienjarige neef van Mohammed, Ali, sprong recht en riep: ‘O profeet, ik zal je volgen. Gelijk wie tegen je opstaat, ik zal hem zijn tanden uitslaan, zijn ogen uitrukken, zijn benen breken en zijn buik openrijten.’ Een toon was gezet.
Bovenstaande Mohammed-cartoon komt uit een boek van de Perzische filosoof Al-Biruni. De man overleed in 1048. Aanslagen overbodig.
 
Oorspronkelijk geplaatst op 9 januari 2015

maandag 7 september 2015

Van arm naar rijk


    Op mijn leeftijd ga je het normaal vinden dat je meerdere keren per nacht wakker wordt, vijf keer, zes keer, zeven keer. Daar heb ik iets op gevonden. Ik neem mijn Kindle, lees een bladzijde, leg mijn Kindle weer weg en probeer me voor de geest te halen wat ik juist gelezen heb. Het is als aftellen met een chloroformmasker: midden in een gedachte slaap ik in. Maar de laatste nachten heb ik een probleem. Ik ben in Thomas Sowell’s ‘A Conflict of Visions’ aan het lezen. Het boekje gaat over de ideeën van achtiende-eeuwers zoals Condorcet en Adam Smith, niet zo moeilijk geschreven maar erg abstract. Als ik het wegleg kan ik me niets voor de geest halen …
    Die auteur, Sowell, volg ik al een tijdje. Hij is geboren in North Carolina, in een huis zonder stromend water of elektriciteit, wat hij toen niet erg vond, en verhuisde later naar New York, weer in een huis zonder stromend water of elektriciteit, wat hij ondertussen wel erg vond. De grootste ontdekking in zijn jeugd was dat je gratis boeken kon lenen bij een openbare bibliotheek.
    Ik had hem niet graag als leerling in mijn klas gehad: altijd fratsen, altijd een grote mond, moeilijk doen, vechten, ook met de leraars. Hij ging zelfs ruzie maken als hij vond dat hij teveel punten gekregen had. Later ging hij bij de Marines. Nog later studeerde hij met af –  met een beurs – aan   Harvard, werd professor en ging goedverkopende boeken schrijven over economie.   
   Als economist heeft hij zijn stokpaardjes. Dat ‘de armen’ en ‘de rijken’ geen besloten clubs zijn bijvoorbeeld. De 20 % laagste inkomens, zegt Sowell, dat zijn vooral jonge mensen, aan het begin van hun beroepsloopbaan. Slechts een heel klein deel – 5 %  – blijft in die groep hangen. Een derde van die 20 % komt later zelfs bij de grootste verdieners terecht. En als ze dan flink gespaard hebben, gaan ze met andere bejaarden op cruise. Ik ben nog nooit op cruise geweest, maar ik ben wel van eenvoudige arbeider opgeklommen tot de rang van eenvoudige leraar. Ik behoorde indertijd tot de 20 % slechtste verdieners – er ging aan mij geen groot vakman verloren – en behoor nu, volgens een berekening die je op internet gemakkelijk kan uitvoeren, tot de 20 % beste verdieners.
   Oorspronkelijk geplaatst op 17 december 2014

zondag 6 september 2015

Politieke scheldwoorden


De eerste der vuile trotskisten
   Een collega van mij heeft een verleden bij de Revolutionaire Arbeidersliga. Zelf hoorde ik bij een groep die tot 1979 ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ heette. ‘Toch niet álle macht?’, vroeg onze retoricaleraar verschrikt, maar dit terzijde. De Revolutionaire Arbeidersliga – kortweg RAL – vond dat veel wijsheid te halen viel bij Marx en Lenin en dat vonden wij van onze kant ook. Daarna liep het mis. Die RAL-mensen haalden het in hun hoofd dat Trotski de legitieme erfgenaam van Lenin was. Hoe kwamen ze erbij? Het was juist Stalin die de beste vriend was van de arbeiders, de boeren en de zeelui. Het debat werd niet altijd in academische termen gevoerd; de scheldwoorden waren niet van de lucht.
    Ik heb aan mijn collega voorgesteld om die oude scheldwoorden nieuw leven in te blazen. Ik zou haar met ‘vuile trotskiste’ aanspreken en dan kon zij terugsissen dat ik een ‘smerige stalinist’ was. Het heeft niet gewerkt. De scheldwoorden zaten ons niet lekker. Op de sociale media is dat even anders. Daar vliegen ze je om de oren: de ‘corrupte’ PS’ers, de ‘arrogante’ liberalen, de ‘jaloerse’ sossen, de ‘twistzieke’ NVA’ers, de ‘bekrompen’ vakbonders, de ‘zelfgenoegzame’ groenen, de ‘hypocriete’ tjeven.
    Zou de wereld niet veel mooier zijn zonder al die scheldwoorden? Ik denk het wel. Het zou natuurlijk helpen als die PS’ers wat minder corrupt, die liberalen wat minder arrogant, die sossen wat minder jaloers, die NVA’ers wat minder twistziek, die vakbonders wat minder bekrompen, die groenen wat minder zelfgenoegzaam en die tjeven wat minder hypocriet waren. Maar zoals men zegt na een voetbalmatch waarbij de eigen club verloren heeft: het is wat het is … Ik weet in elk geval wat mijn werkpuntjes zijn.

Oorspronkelijk geplaatst op 23 december 2014

zaterdag 5 september 2015

Ik ga bij het buffet staan

    De actrice Laurette Taylor (1884-1946) raakte stevig aan de drank na de dood van haar man. ‘De alcoholiste onder de alcoholisten’ werd ze genoemd. In 1944 kreeg ze eindelijk weer een rol, in de ‘Glas Menagerie', het stuk waarmee Tennessee Williams zou doorbreken. Tijdens de repetities las ze haar tekst af zonder enig gevoel. Als ze voor haar rol moest opstaan en bij het buffet gaan staan, zei ze: ‘Nu sta ik op en ga bij het buffet staan’ – en ze bleef zitten op haar stoel. Williams werd helemaal gek.
    Toen ging het stuk in première op Broadway. Taylor had in de namiddag nog een en ander gedronken, ze gaf over in de coulissen, wankelde op de scène, en vanaf de eerste woorden die ze sprak was het duidelijk dat ze de rol van haar leven zou spelen. De kranten spraken van een toneelervaring zoals die maar één keer in een generatie voorkomt. Taylor werd vergeleken met Sarah Bernhardt en met Eleonora Duse.
Oorspronkelijk geplaatst op 28 december 2014

 

vrijdag 4 september 2015

Wie was de uitvinder van Kerstmis?

    Kerstmis werd uitgevonden in 1843 door Charles Dickens. Ja … ook vóór ‘A Christmas Carol’ werd wel eens een kerstboom versierd, werd een pakje geopend, werd een stemmig liedje gezongen. Dickens maakte er een rage van. Met plumpudding en kalkoen en zoete sterke drank - een orgie van goede wil en goede voornemens. ‘Happy Christmas’ werd ‘Merry Christmas’ en vanaf 1846 werden de eerste kerstkaartjes verstuurd.     Dickens’ boekje werd uitgebracht in een roodlinnen band, met gouden opdruk en verguld op snee.  Het kostte vijf shilling, misschien iets te duur voor het gezin Cratchit dat niet eens de dokter kon betalen voor Tiny Tim.
    Als we rond deze tijd van het jaar de behoefte niet kunnen onderdrukken om sentimenteel te doen, laten we dan tenminste onszelf betrekken in onze kerstwensen. In de woorden van kleine Tim: ‘God bless us all, everyone.’


Oorspronkelijk geplaatst op 26 december 2014

 

donderdag 3 september 2015

The things I do for England


    Het leven van Hendrik VIII, de veelwijver, werd in 1933 verfilmd met Charles Laughton in de hoofdrol – Laughton neemt in die film voortdurend de houding aan die Hendrik aanneemt op het beroemde schilderij van Holbein. Na de dood van zijn derde vrouw wordt de koning door zijn omgeving aangemaand om snel een vierde te nemen. De koning is niet enthousiast. Een vierde huwelijk zou gelijkstaan met ‘de overwinning van de hoop op de ervaring’. De edelen lachen luid met die uitspraak, de hofdames ook, uiteindelijk lacht het hele paleis mee, tot de koks en de meiden in de keuken toe. Het is ook een aardige uitspraak … van Samuel Johnson (1709-1784). De scenaristen hebben ‘triumph’ vervangen door ‘victory’. Dan is het geen plagiaat, vinden mijn leerlingen.
   Maar het werkt in twee richtingen. Toen Prins Charles in 2013 een oesterfestival in Kent bezocht, moest hij zelf ook voor de camera’s een rauwe oester eten. ‘The things I do for England’, grapte de prins. Velen herkenden dat als een stukje plagiaat uit de Bond-film ‘You Only Live Twice’ van 1967. James helpt een mooie spionne uit de kleren en zucht daarbij ‘The things I do for England’. Maar Laughton deed het hem voor in 1933. De koning staat op het punt de slaapkamer binnen te gaan van zijn vierde vrouw, de lelijke Anna van Cleef. ‘The things I do for England’, gromt hij. Door de nakende geslachtsdaad zijn de boutades van Hendrik en van James grappiger dan die van Charles. Een beetje seks hoort erbij.
    Rechts onder: de lelijke Anna van Cleef werd in voornoemde film gespeeld door … Laughtons vrouw, Elsa Lanchester. Lanchester speelde ook de hoofdrol in ‘De bruid van Frankenstein’.


Oorspronkelijk geplaatst op 20 december 2014

 

woensdag 2 september 2015

Dickens verklaard voor de jeugd


   Onlangs probeerde ik aan Jan iets uit te leggen. Waarom las hij niet eens een keer een boek van Charles Dickens? Spannende verhalen, mysteries, sentiment, humor, alles, alles.  En dan de typetjes: de arme wees, de booswicht, de hardvochtige schoolmeester, de strenge tante, de kletsgrage oude dame, de hebzuchtige bankier, de praatjesmaker, de zachtmoedige reus, de wijze raadgever …
    Plots wist ik het: Harry Potter! Dat huishouden van de Wemels, dat is toch helemaal de gezelligheid van Dickens. Dickens was de kampioen van de gezelligheid. Zelfs de brave fabrieksarbeider in ‘Hard Times’ leidt een knus bestaan in een gezellig huisje tot zijn aan alcohol verslaafde vrouw weer opduikt.
    In mijn ‘Norton Anthology of English Literature’ komt Dickens niet voor. Op de Wikipediapagina ‘Harry Potter – Influences and Analogues’ komen Aeschylos en Homeros ter sprake; Dickens amper. Ik denk dat ik weet waarom. Die Dickens zit zo ingebakken in de Engelse cultuur dat ze hem niet eens opmerken.


 
Oorspronkelijk geplaatst op 14 december 2014

dinsdag 1 september 2015

Voor zijn werk


   Elia Kazans vrouw Molly Thacher – haar naam werd later vaak verkeerd gespeld als Thatcher – was geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Chique familie. Dochter van de rector van Yale. Jarenlang lid van de Communistische Partij. Via Kazan heeft ze haar stempel gedrukt op het Amerikaanse theater van de jaren 40 en 50 van vorige eeuw. Zij besliste welke stukken hij regisseerde, en hoe.
   Waar ze echter geen vat op had, was het ongeregelde liefdesleven van Kazan. Die man was onverbeterlijk. Psychoanalytisch ingestelde vrienden van hem dachten dat zijn promiscuïteit voortkwam uit een minderwaardigheidscomplex. Hijzelf wist beter. Het was voor zijn werk. Een regisseur moest voor alles een mensenkenner zijn. En hoe kon je nu een mensenkenner zijn als je niet met Marilyn Monroe geslapen had?


Oorspronkelijk geplaatst op 7 december 2014