zaterdag 28 november 2015

V. op tv

Thomas Pynchon, 16 jaar - andere foto's
bestaan nauwelijks
     Als u mijn stukjes leest, weet u waarom ik enkele jaren geleden besloot ooit het boek V. te lezen - de eerste roman van Thomas Pynchon. Ik heb toen beloofd om in een tweede stukje iets te zeggen over het boek zelf. Ik zou dat stukje V2 noemen.
     V. gaat over een zekere Benny Profane, een gewezen ‘marine’, zoals Pynchon zelf, en een stelletje hippies – het soort mensen dus waar mijn goeie vriendin C. zo’n hekel aan heeft. Het zijn hippies avant la lettre, want het verhaal speelt midden de jaren 50. Als je het meubilair, de auto’s, de haarsnit en de kleren een beetje aanpast, krijg je een goed beeld van Benny en zijn vrienden door de film The Big Lebowski nog eens opnieuw te bekijken (altijd een goed idee).
      Het wedervaren van Benny en de hippies wordt onderbroken door lange fragmenten die plaatsvinden op verschillende plekken en tijdstippen. Onder andere: Egypte (1898), Firenze (1899), Namibië (1904 en 1922), Parijs (1913), Malta (na WO I en tijdens WO II). In al die fragmenten duikt een vrouw op wiens naam met een V. begint: Victoria, Veronica, Vera, V.-in-love … Misschien ook is het dezelfde vrouw?
     Er is eveneens een kort dagboekfragment van een Ierse priester die zich in de jaren dertig terugtrekt in de riolen van Manhattan om missioneringswerk te verrichten onder de ratten, waarvan sommige onder marxistische invloed staan. De goede priester bekeert trouwens niet alleen de ratten tot het katholicisme, hij eet er ook dagelijks één van op, want een mens moet toch eten, vindt hij. Een van de vurigste volgelingen van de priester is de rat Veronica, alweer V, met wie hij – volgens sommige apocriefe bronnen althans – ‘onnatuurlijke betrekkingen’ onderhoudt.
     Pynchon is een grappige schrijver. In hoofdstuk zeven maken we kennis met drie anarchisten die van plan zijn om een schilderij van Botticelli uit het Uffizi te stelen. Het moet om De Geboorte van Venus gaan, want de afmetingen worden vermeld: 175 op 279 cm. Een van de anarchisten vindt dat veel te groot. ‘Capo di minghe,’ zei de Gaucho. ‘Ik ben geen klein mannetje. Ik ben zelfs een grote man. En breed. Ik ben gebouwd als een leeuw. Maar ik verzeker je – en zijn stem verhief zich in een machtig crescendo – dat er onder die verdomde Botticelli van jou voldoende plaats is voor mij en voor de dikste hoer van Firenze, met nog plaats over voor die olifant van een moeder van haar om als chaperonne op te treden.’ Dat moet inderdaad een groot schilderij zijn waar een gaucho, een dikke hoer en vooral ook een olifant samen onder kunnen schuilen voor de regen of voor de zon.
    Wat ik graag zou willen, is dat HBO van het boek eens een mooie tv-reeks maakte van, zeg, acht of tien afleveringen, geregisseerd of geproducet door de Coen Brothers. Sommige scènes zie ik voor mij. De zuidpoolreiziger die onder het ijs in een oranje schijn een ‘spin-aap’ ziet zoals die alleen in het mooie maar gevaarlijke toverland Veisshu voorkomen, het kabinet van plastisch chirurg Schoenmaker die zijn vrouwelijke patiënten misbruikt, de zeemansbar op Malta waar Pappy Hod zijn eigen dansrecord breekt dat al zoveel jaren standhield, met 25 jitterbugs na elkaar.
     Sommige stukken lijken speciaal geschreven om verfilmd te worden. Tijdens een weekendje Washington pikken Benny en Pig Bodine twee ‘government girls’ op.
‘I’m Flip,’ said the blonde, ‘and this is Flop’. Wat later rijden ze met hun vieren op twee fietsen door de verlaten straten van Washington op een koude zondagmorgen. De meisjes zitten op de stuurstang. Dat wordt een mooie scène – alleen een beetje oppassen met de keuze van de muziek. Het hoofdstuk ‘Egypte’ moet je draaien op acht verschillende locaties en bij elk scènebegin laat je de voeten, benen, rompen en ruggen van de personages zien, maar de gezichten onthul je pas naar het einde toe. Het hoofdstuk van de ratten blijft best beperkt tot een vertelstem en het omslaan van stoffige dagboekbladen. Als Hayao Miazaki gastregisseur is voor de episode, mag er ook animatie gebruikt worden, anders niet.
     Het meest kijk ik uit naar de verfilming van het negende hoofdstuk. Een groep kolonialen trekt zich tijdens een zwarte opstand terug in een versterkt landhuis. Het is het begin van een reeks orgieën en koortsdromen waarbij personages incarneren in andere personages en daarbij een soortgelijke opstand uit het verleden beleven of herbeleven. Vooraleer dat hoofdstuk onder handen te nemen raad ik de mensen van HBO aan nog eens goed de films van Visconti te bekijken. Decadentie hoor je te brengen met stijl.

dinsdag 24 november 2015

Song Binbin

Song Binbin boven rechts en onder midden
     Minister van Onderwijs Crevits heeft in haar één-septemberinterview met Het Nieuwsblad een paar behartenswaardige dingen gezegd. Lesgeven mag niet worden herleid tot ‘leerplannen, eindtermen en handboeken’. Een leraar is ‘geen robot’. Er moet iets gedaan worden aan de ‘papierberg in de scholen’. En haar wens is het dat onderwijsmensen op het einde van haar ministerschap zouden zeggen: ‘Crevits heeft echt een inspanning gedaan om ons meer vrijheid te geven.’
     Ik ben het daar allemaal grondig mee eens. Maar in reacties op het interview hoor je niets over die behartenswaardige dingen. In reacties gaat het altijd over die andere uitspraak van Crevits, die waar ze zegt dat leerlingen niet ‘slaafs’ moeten volgen wat leraren zeggen. Oudere mensen schrikken daarvan. Voor het Vaticaans Concilie of, zeg, voor mei 1968,  zou een minister van Onderwijs zoiets niet gezegd hebben. Het gezag was toen nog solidair. De leraar stond niet alléén voor de klas. Achter hem stond, figuurlijk dan, de prefect, de directeur, de minister, de regering en de koning – die laatste ook een beetje letterlijk want zijn portret hing boven het bord.
     Een van de eerste regeringsleiders om die solidariteit te doorbreken was Mao Zedong. Tijdens de Culturele Revolutie (1966) riep hij de Chinese scholieren op om in opstand te komen tegen leraren die te veel aandacht besteedden aan theoretische en schoolse kennis en te weinig aan praktische toepassing en sociaal en politiek engagement. Die opstand, vond Mao, mocht gerust wat bruut zijn. Een revolutie was ten slotte geen theekransje.
     De Chinese pubers hadden aan een half woord genoeg. Ze deden een rode armband om, noemden zich Rode Gardisten en ze riepen hun leraren ter verantwoording in massavergaderingen van ‘kritiek en zelfkritiek’. Een leraar of lerares die niet snel genoeg was in het toejuichen van de opstand of in het bekritiseren van conservatieve collega’s, kreeg zelf de volle laag. Zo Bian Zhongyun, directrice van een meisjeslyceum in Beijing. Haar gezicht werd met inkt ingewreven. Ze moest de toiletten gaan leegmaken. Ze moest op een emmer trommelen en roepen: ‘Ik ben een kapitaliste.’ Ze werd getrapt en geslagen met stokken. Ze werd bewusteloos op een kar gegooid. Ze overleed op weg naar een ziekenhuis.
     Een van de aanstooksters van de moord op Bian Zhongyun was Song Binbin. De enthousiaste scholiere werd enkele dagen later tijdens een manifestatie van één miljoen revolutionaire jongeren bij Mao geroepen. Ze kreeg de eer om de oude leider een armband van de Rode Gardisten op te spelden. Van dat treffende tafereel werd een poster gemaakt, die nog op mijn kamer heeft gehangen toen ik zelf scholier was, want ik was een groot bewonderaar van Mao.
     Met Song Binbin is alles goed gekomen. Na de culturele revolutie week ze uit naar de Verenigde Staten. Ze doctoreerde aan het MIT en ging werken voor een departement van Natuurbescherming. Er bestaat een foto van haar waar ze, teruggekeerd in China en met grijze haren, een berouwvolle buiging maakt voor het standbeeld van haar vermoorde directrice.


 Oorspronkelijk geplaatst op 13 september 2015

maandag 23 november 2015

Toelatingsexamens en herexamens

Khaddafi zaliger
     Nu Jan geslaagd is voor de toelatingsproef arts en tandarts – het herexamen van augustus – kan ik eindelijk mijn mening eens zeggen over die proef. Dat is leuk. Ik kan nu bijvoorbeeld zeggen dat de proef te moeilijk is (slechts 16,8 % geslaagd). Of dat hij niet moeilijk genoeg is (16,8 % geslaagd!). Ik kan zeggen dat ‘de cijfers voor zich spreken’ (geneeskundestudenten slagen in groten getale voor hun eerstejaarsexamen) en ik kan zeggen dat ‘de cijfers niet het hele verhaal vertellen’. Misschien is de toelatingsproef ook wel in het nadeel van minder gegoede studenten – dat zou een socioloog of een pedagoog aan een onzer universiteiten toch makkelijk moeten kunnen bewijzen. En het tegendeel ook natuurlijk.
     Mijn mening is … dat ik geen mening heb. Ook dat is leuk. Als ik op Facebook kom, vliegen de meningen mij om de oren: voor en tegen asielzoekers, voor en tegen Europa, voor en tegen godsdienst, voor en tegen Khaddafi zaliger. Soms valt daarbij een scheldwoord en dan schrijven de kranten dat er ‘ranzige commentaren’ op de sociale media verschenen zijn. Van mij zullen ze niet moeten schrijven dat ik over die onderwerpen een ‘ranzig’ stukje plaats. Ik ben een Zwitser – au-dessus de la mêlée.
     Iets anders. Dinsdag verscheen in het Nieuwsblad een lezersbrief van Bertin Sanders uit Menen. Het stuk was getiteld ‘Herexamens zijn een pest.’ Bertin Sanders uit Menen is dus tégen herexamens. Ik ga dit weekend naar Menen om mijn goede ouders een bezoek te brengen. Als ik die gore klootzak daar op straat tegenkom, zal het hem heugen!


 Oorspronkelijk geplaatst op 4 september 2015

zaterdag 21 november 2015

An en Liesbeth en de terroristen

U = universele verzameling; L = ledige verzameling;
V = vluchtelingen; M = meereizenden ; T = terroristen
Met dank aan Marc Vanfraechem
 
    Ik zou niet graag, in het kader van een opinieonderzoek, moeten antwoorden op de vraag of er, naar mijn mening, een verband bestaat tussen de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten aan de ene kant en de terreurdreiging in Europa aan de andere kant.
     ’t Is ook zo’n moeilijke vraag. Ik zag een paar keer op de sociale media de boodschap opduiken: ‘Do you not realise these terrorist acts are what the refugees are trying to run away from?’ Dat is een heldere redenering. De mensen die uit het Midden-Oosten naar hier komen, zijn op de vlucht voor het terrorisme. Ergo – dat is Latijn voor ‘dus’ – het zijn zelf geen terroristen. Met de joden die vluchtten uit nazi-Duitsland was het net zo: daar waren ook weinig nazi’s bij. De regel lijkt wel algemeen toepasbaar.
     Daartegenover staat dat een klein aantal uitzonderingen op de algemene regel meteen dramatische gevolgen kan hebben. Als op een vluchtelingenstroom van één miljoen – en dat is toch de orde van grootte waarover we spreken – als dus op een vluchtelingenstroom van één miljoen een tiende procent wel terreurzaaiers zijn, dan hebben we er onmiddellijk duizend bommengordeldragers en Kalasjnikovschutters bij. En de negenennegentig komma negen procent brave vluchtelingen die bij aankomst geen terrorist zijn, daarvan kunnen enkelen dat later nog altijd worden. Wie weet zijn zij na enige tijd in Europa niet meer tevreden met de manier waarop zij hier ‘worden opgevangen’. Misschien raken ze het noorden kwijt door al die mooie vrouwen op straat, met loshangende haren en korte rokjes. Misschien lezen ze in de kranten of horen ze op de televisie dat ze hier ‘onvoldoende kansen krijgen’. Zowel onvoldoende kansen krijgen als voortdurend moeten horen dat je onvoldoende kansen krijgt, zijn geen van de twee goed voor een evenwichtig gevoelsleven. En ten slotte: misschien gaan onze brave vluchtelingen in Molenbeek wonen, krijgen ze ongure of al te vrome vrienden en komen ze op het slechte pad.
     Ja, de vraag naar het verband tussen vluchtelingen en terrorisme is een moeilijke vraag.
     Goddank hebben we onze landelijke pers om zulke moeilijke vragen te ‘duiden’. In De Morgen van 16 november bijvoorbeeld schreven de twee hoofdredactrices An Goovaerts en Liesbeth Imbo samen een  lang hoofdartikel waar, tussen alle goede raad aan de bewindvoerders door, een heuse parel verborgen ligt. Mijn dank gaat uit naar Marc Vanfraechem die op Facebook de aandacht trok op het stukje dat ik hier even woordelijk aanhaal1. Zet uw bril nu maar eens op, want het is waarachtig de moeite waard.

“Het hele Midden-Oosten wordt dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld. Terroristen die met hen meereizen zijn geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen.”
      
     Is dat niet heerlijk? Het hele Midden-Oosten. Dat gaat dus om Bahrein, Egypte, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libanon, Oman, Palestina, Quatar, Saoedi-Arabië, Syrië, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten. En in die landen worden de inwoners dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Ik denk dat een krant als De Morgen daar niet dagelijks over bericht, en ik denk vooral dat de An en Liesbeth een beetje overdrijven om hun boodschap duidelijk te maken: het is daar in die verre, vreemde landen niet pluis. Als je de hyperbool erbij neemt, dan kun je hen eigenlijk niet eens ongelijk geven. En wie zich niet kan verzoenen met hyperbolen als stijlfiguur, leest beter geen hoofdartikels in De Morgen.
      Dan het volgende zinnetje. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld.’ Kijk, dat vind ik prijzenswaardig. Je hoort en leest zo vaak stiekeme veralgemeningen waarbij je vanzelf de honderd-procentvraag stelt. Hollanders zijn gierig! Honderd procent van de Hollanders? Gallië werd veroverd door Caesar! Heel Gallië? Moslims zijn onverdraagzaam! Alle moslims? Nu krijgen we voor één keer een veralgemening die er rond voor uitkomt. Honderd procent van de vluchtelingen? Jawel hoor, honderd procent! Daarmee is de vraag beslecht of zich onder de vluchtelingen ook niet een paar economische exemplaren bevinden. Neen dus. Helemaal niemand? Helemaal niemand! Toch hadden An en Liesbeth de zaken nog scherper kunnen stellen om ook onze laatste onzekerheden weg te nemen. Wat had je gedacht van: ‘Honderd procent van de vluchtelingen komt naar hier om redenen die honderd procent met oorlogsgeweld te maken hebben.’ De zin is een beetje zwaar, maar daarmee is nu zonneklaar dat alle economische, sociale of juridische overwegingen bij dat vluchten zijn uitgesloten.
    De daaropvolgende zin van An en Liesbeth luidt: ‘Terroristen die met hen meereizen, zijn geen vluchtelingen.’ Dat is een aanvaardbare theoretische stelling, uitgaande van een aanvaardbare definitie van ‘vluchteling’ (op de vlucht voor geweld) en ‘terrorist’ (op zoek naar geweld). Maar helaas, met definities win je geen oorlog. Als je de praktische vraag stelt: ‘Zijn er onder de vluchtelingen ook terroristen?’, dan word je met een cirkelredenering en een kluitje in het riet gestuurd. Er zijn geen terroristen onder de vluchtelingen, want de terroristen onder de vluchtelingen zijn geen vluchtelingen2.  Tja ... Een van de terreurzaaiers in Parijs is onder de vermoedelijk valse naam Ahmad Almuhammad vanuit Syrië, over Griekeland, Frankrijk binnengekomen. Ja, maar dat is geen echte vluchteling, zeggen An en Liesbeth. ’t Is waar hoor!
     Alles wat we tot hiertoe hebben opgesomd –  een overdrijving, een veralgemening, een cirkelredenering – niets daarvan verklaart het onmiskenbare plezier dat u, lezer, en ikzelf hebben beleefd toen we het aangehaalde stukje van An en Liesbeth lazen. Het is het laatste zinnetje dat het geheel afmaakt. De kers op de taart. ‘Terroristen zijn … geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen’. Het verrukkelijke dan óók moet hier onderscheiden worden van het minder interessante dán ook.  Veronderstel dat ik zeg: ‘Als ik met pensioen ga, haal ik mijn boekbindmateriaal weer boven. Ik zal dán ook wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen.’ Ik heb tussen dat boekbinden en die hoofdartikels geen enkel oorzakelijk verband gelegd. Maar wanneer ik zeg: ‘Als gepensioneerde zal ik wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen. Ik zal dan óók een plezierige oude dag beleven,’ dan leg ik zo’n oorzakelijk verband wel. An en Liesbeth leggen met hun dan óók een oorzakelijk verband tussen de stelling ‘dat terroristen geen vluchtelingen zijn’ en ‘dat vluchtelingen geen terroristen zijn’. Het is alsof je zegt: ‘Honden zijn geen katten; katten zijn dan ook geen honden.’ ‘Journalisten zijn geen ezels; ezels zijn dan ook geen journalisten.’. ‘Rechthoeken zijn geen vierkanten; vierkanten zijn dan ook geen rechthoeken.’ Sommige van die mededelingen zijn juist en andere zijn fout, maar dat heeft er allemaal niets mee te maken. Bij dat dan ook  moet ik  onwillekeurig glimlachen. Telkens weer.
      
1 Voor een meer wiskundige benadering van het stukje van An en Liesbeth, verwijs ik naar het Facebookbericht van de immer scherpe Marc Vanfraechem die met een keurig Venndiagram klaarheid heeft geschapen in de materie. De 'draad' die erop volgt laat zien dat de duizelingwekkende paradoxen van An en Liesbeth de specialisten nog lange tijd hoofdbrekens zullen bezorgen.
2 Het ware overigens beter geweest als de terroristen onder de vluchtelingen geen terroristen waren geweest.


vrijdag 20 november 2015

Amerikaanse Toestanden

Jean-Paul Van Bendegem
      Wiskunde- en filosofieprofessor Jean Paul Van Bendegem kan bij mij een potje breken. Op een radioprogramma hoorde ik een keer een interview met hem over Tsjip van Willem Elsschot. Dat was een lievelingsboek van hem. Van mij ook. Elk jaar laat ik in de klas een stukje van dat interview horen, want mijn leerlingen lezen Tsjip.
      Nu zag ik vorige week een stukje in de krant van JPVB over wat er op de Thalys gebeurd is – van die terreurpoging en die dappere reizigers die de terrorist overmeesterden. JPVB is zelf een regelmatig treinreiziger – hij kan niet autorijden – en hij berekende hoe groot de kans was dat hijzelf ook het slachtoffer werd van een terreuraanslag op een trein. Die kans was meer dan nul, maar kleiner dan de kans dat hij van de trap viel en zijn nek brak. Misschien moeten we dan ook niet gaan overdrijven, vond JPVB, met allerlei veiligheidsmaatregelen en controles, want dan krijg je iets als de luchthavens en daar zie je weinig vrolijke mensen rondlopen. Doorgedreven misdaadpreventie heeft zijn keerzijde.
      Dat is juist. Eén keer is mijn fiets gestolen die op ons terras stond. Het was een nieuwe fiets en ik heb erg onder die diefstal geleden. Nu laat ik mijn fiets niet meer op het terras staan, wat nochtans zo gemakkelijk was. Ik plaats hem nu achter de garage, uit het zicht, en keten hem vast. Ik moet me daarbij tussen twee andere fietsen wringen, mij vooroverbuigen, de spiraal van het fietsslot door zowel de spaken van het voorwiel als door de stangen van het fietsenrek wurmen, de cijferradertjes goed krijgen – dat alles vaak bij slecht licht.  Dat ik die handelingen elke avond moet volbrengen, en vooral ook elke morgen, als ik gehaast ben - ook dáár lijd ik onder. Tja, wat doe je eraan?
      Maar het ging over treinen en niet over fietsen. JPVB heeft nog andere bezwaren tegen strengere controles op de trein. Ze cultiveren het wantrouwen. En de volgende stap is dan persoonlijk wapenbezit om je te verdedigen tegen mogelijke terreurzaaiers. Dat is “de dag waarop Europa de VS wordt,” huivert JPBVB. Amerikaanse Toestanden! Oh Nee! 
      Maar zó uitsluitend Amerikaans is wapenbezit niet altijd geweest. Mijn grootvader was betrokken bij verschillende muziekverenigingen en moest zich ’s avonds vaak met de fiets verplaatsen om ergens ten lande een repetitie te leiden. Veel straatverlichting was er niet, en om zich te verdedigen tegen stropers, smokkelaars en ander onguur volk had hij een klein pistool gekocht. Dat kon toen redelijk gemakkelijk, ook al woonde hij in Wevelgem en niet in de Verenigde Staten. Maar toen de Duitsers ons land bezetten, was het uit met die pret. Alle wapens moesten sofort worden ingeleverd. De Duitsers knalden die smokkelaars zelf wel neer.

 
Oorspronkelijk geplaatst op 30 augustus 2015

donderdag 19 november 2015

Peter heeft gelijk

Het lekkere Breughel Bruin van Delhaize
      Sinds de messentrekkers vorige week in de Colruyt van Jette, kom ik wat vaker in Delhaize. Maar ook daar is niet alles pluis. Uit onderzoek is gebleken dat Delhaizeklanten uit de voedselrekken vaak de achterste pakjes nemen – die met de langste houdbaarheidsdatum. Betrapt! Ik doe dat met mijn vegetarische burgers, waarvan ik er vijf tegelijk koop. Dan moet ik niet elke dag opnieuw naar de winkel. Maar als iedereen dat zo doet, blijven de pakjes met een kortere houdbaarheidsdatum liggen, en soms moet Delhaize die dan weggooien, wat zonde is. Aan die misstand wil de supermarktketen nu iets doen en ze vraagt aan het personeel om alleen pakjes met gelijke houdbaarheidsdatum in de rekken te leggen. Een gelijke-kansenbeleid als het ware, waarbij de voorste pakjes dezelfde of misschien zelfs betere vooruitzichten hebben om meegenomen te worden als de achterste.
      Maar of daar alle problemen mee van de baan zijn? Peter Mijlemans van het Nieuwsblad (19-08-15) denkt van niet. Ten eerste betoogt Peter dat door die maatregel de problemen van voedselverspilling en honger in de wereld niet zijn opgelost, en daar heeft hij gelijk in. Ten tweede haalt hij aan dat Delhaize zulke maatregelen niet uit morele overwegingen neemt,  maar vooral ook ‘vanuit een marktperspectief’. De aandeelhouders willen eigenlijk vooral winst maken. (Het Delhaizeaandeel was die dag overigens gestegen naar 81.43). Ook daar heeft Peter gelijk in. Ten derde beweert hij dat Delhaize het probleem alleen doorschuift naar de klant die nu zelf het voedsel zal moeten weggooien dat hij die niet snel genoeg opsoupeert. En weer kunnen we niet anders dan zeggen: Peter heeft gelijk!
     Nu denk je misschien: die man heeft makkelijk praten, maar zelf heeft hij natuurlijk geen idee hoe het dan wel moet. Dan ken je Peter niet. ‘Snij in het te grote aanbod,’ roept Peter de supermarktketens toe, en hij heeft het voorbeeld van de verschillende zakken sla. In die sector is er inderdaad een ruim assortiment: kropsla, veldsla, krulsla, ijsbergsla, jonge sla, lentesla, groene eikenbladsla, rode eikenbladsla, fijnproeversla, rucola. Als we dat nu eens allemaal zouden vervangen door één kleine verpakking gemengde sla met gesneden rode bietjes en fijne kruiden. Die rode bietjes zijn ook goed tegen kanker. En dan brood! De Delhaizerekken liggen vaak vol met de meest exotische, de meest banale en de meest overbodige broodsoorten, terwijl het enige brood dat we echt willen, en dat vaak ontbreekt, het lekkere Breughel Bruin is. En misschien een paar bakken Wit Gallet voor mensen die niet beter weten.


Oorspronkelijk geplaatst op 21 augustus 2015

woensdag 18 november 2015

Uitgevers

Karl Drabbe. Tot 12-8-2015 uitgever bij Pelckmans
     Er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld – dat soort simplisme doet het altijd: er zijn twee soorten dit, er zijn twee soorten dat – dus, er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld: de held en de schijtluis. John Harding was zo’n held. In 1724 gaf hij een aantal pamfletten uit van de Ierse schrijver Jonathan Swift, tegen de Engelse regering en haar inflatiepolitiek.  Als Swift goed op stoot was, kon hij hekelen als de beste. Iedereen kreeg ervan langs in de pamfletten: de premier, de maîtresse van de koning, de voorzitter van het Ierse hooggerechtshof.
     Maar met al zijn branie was Swift ook een voorzichtig man: de wetten tegen lasteraars en raddraaiers waren behoorlijk streng. Swift ondertekende de pamfletten dus niet met zijn eigen naam maar als Mr. Drapier – De Heer Gordijnenmaker. De Engelse regering was razend. Iedereen wist dat Swift die teksten geschreven had, maar het Engelse rechtssysteem liet niet toe iemand te veroordelen zonder bewijzen. Er werd een prijs van £ 300 uitgeloofd voor wie bereid was de auteur aan te wijzen. De uitgever John Harding werd voor de rechtbank gebracht en aangemaand te verklaren wie achter de fameuze Gordijnenmaker schuilging. Harding weigerde dat te doen, werd opgesloten en stierf in de gevangenis. Niet de gevierde schrijver, maar de vergeten uitgever is de ware held in deze zaak, schrijft Swifts biograaf David Nokes.
     En nu het andere type: de schijtluis. In 1905 had de Ierse schrijver Joyce een aantal verhalen klaar over Dublin en zijn inwoners. Hij wou die graag uitgeven en nam een uitgever, Grant Richards, onder de arm. Richards las de verhalen en schrok zich een hoedje. In één van de verhalen kwam het woord ‘bloody’ voor – ‘bloody’ niet zoals in Shakespeares ‘the bloody dog is dead’ maar zoals Eliza Doolittles ‘not bloody likely’. Dat woord moest eruit. Joyce verdedigde zich door te zeggen dat het woord ‘bloody’ ook in drie andere van de verhalen voorkwam, maar tot zijn verbazing maakte dat de zaak alleen maar erger. Zo’n boek kon niet worden uitgegeven. 

     Daar kwam nog bij de naturalistische schrijftrant van Joyce. Die paste niet bij de tijdsgeest van sentimenteel Keltisch nationalisme. Die schrijftrant was, om het zo maar eens te zeggen, niet ‘politiek correct’. Tussen 1905 en 1914 werd het manuscript van ‘Dubliners’ door vijftien verschillende uitgevers geweigerd. Het werd uiteindelijk toch uitgegeven door … Grant Richards.
     Dat vind ik nu eens een happy-end. ‘Er zal alzo blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.’

Oorspronkelijk geplaatst op 17 augustus 2015

dinsdag 17 november 2015

Bernie Sanders

      Wat doe je als je in gezelschap een mop hoort waarvan de strekking je niet bevalt? Een korte grijnslach lijkt mij het beste. Als het een heel goeie mop is, kun je ook hartelijk meelachen, zelfs al wordt je favoriete partij of je diepste overtuiging dan over de hekel gehaald.  Maar dat is nu iets wat je zelden ziet bij de zogenaamde “politiek correcten”. Zodra thema’s worden aangeroerd als vrouwenrechten, migranten en gelijke-kansenbeleid (en ook een beetje milieu, verkeer en gezonde voeding) op een manier die hen niet aanstaat krijg je: verontwaardiging, boosheid, woede, kortom – protest.
      Ik heb lang gedacht dat ‘politiek correct’ ongeveer hetzelfde betekende als ‘politiek links’. Sinds ik op Facebook vertoef weet ik beter. Je kunt best links en socialist zijn, tegen multinationals en grootverdieners en tegen de hele vrije markt, en verder gelijkmoedig blijven bij de vraag of je een jonge vrouw aanspreekt met ‘juffrouw’ of ‘mevrouw’. Ook kun je waardering opbrengen voor vakbondsacties, meer werklozensteun en – godbetert – meer belastingen, en tegelijk van mening zijn dat migranten zich toch wat beter moeten aanpassen aan sommige Westerse waarden. En dat ze zich niet allemaal tegelijk en in één keer in ons land moeten komen vestigen.
      Politiek correct denken kom je voorts niet vaak tegen bij de kleinverdieners die vroeger, en nog altijd een beetje, het fundament vormden van de linkse partijen. Het is meer iets voor de opiniemakers – de klerken, waar Julien Benda zich in zijn beroemde ‘La trahison des clercs’ (1927) over opwond. Kijk naar de Verenigde Staten. Daar doet voor het eerst sinds lang een echte linkse socialist mee aan de Democratische voorverkiezingen: Bernie Sanders, een ex-schrijnwerker, die opkomt voor de werkman en tegen het grootkapitaal. En wat schreef de Amerikaanse pers? Dat Bernie de “nieuwe maatschappelijke thema’s” verwaarloosde. Terwijl hij vóór abortus, vóór het homohuwelijk en tégen kernenergie is. Maar de journalisten hebben Bernie door. Ze voelen dat dat niet de thema’s zijn waar zijn hart naar uitgaat. Om politiek correct te zijn moet je niet alleen voor bepaalde zaken zijn, en tegen andere, je moet er ook ‘helemaal voor gaan’, met opengesperde ogen en overslaande stem.
      En enkel lachen met de moppen van de eigen coterie natuurlijk. Al is dat laatste voor Bernie geen probleem. Lachen doet hij toch al niet zo vaak. Als het over de werkman gaat, kijkt hij boos. Dán spert hij de ogen wél.


Oorspronkelijk geplaatst op 14 augustus 2015
      Naschrift van 15 augustus. Pas mijn stukje gepost over political correctness, humor en Bernie Sanders en daar verschijnt op Knack.be een lang stuk van Rudi Rotthier over political correctness, humor en ... Bernie Sanders.


maandag 16 november 2015

Handkus

De zestienjarige Poesjkin draagt voor - voorovergeborgen
en ingespannen luisterend: Derzjavin
      In 1982 ging ik in Brussel wonen. Daar was toen een Engelse boekenwinkel WHSmith – misschien is die er nog – en in die winkel lagen toen grote stapels van Richard Elmanns Joycebiografie, die zojuist opnieuw was uitgebracht. Wat had ik graag het geld gehad om die te kopen, dacht ik, en tijd om ze te lezen … Nu, na zovele jaren,  heb ik het geld, en af en toe ook de tijd.
     Die lijvige biografie van professor Ellmann (842 p.) staat vol aardige anekdotes. Zoals deze, op bladzijde 114. Een jongeman benaderde Joyce en vroeg: ‘Mag ik de hand kussen die Ulysses geschreven heeft.’ ‘Nee,’ antwoordde Joyce, die hand heeft nog wel meer dingen gedaan.’ Heel leuk, en voor één keer doet de auteur niet uit de hoogte.
     Een soortgelijk verhaal als dat van Joyce vinden we in de eveneens lijvige Poesjkinbiografie van professor Binyon (731 p.). Op bladzijde 33 citeert de professor een grappig stuk van Poesjkin, die vertelt hoe hij als scholier de beroemde dichter Derzjavin ontmoette. De oude dichter bezocht Poesjkins school en de jonge dichter rende de trappen af om ‘de hand te kussen die “De waterval” geschreven had’. Maar toen Poesjkin de inkomhal bereikte, hoorde hij de oude dichter aan de portier vragen: ‘Waar is hier het toilet, beste kerel?’ Poesjkin heeft Derzjavins hand toen niet gekust. Die hand had nog wel meer dingen gedaan.

Oorspronkelijk geplaatst op 7 augustus 2015

zaterdag 14 november 2015

Parijs


     Als ik met pensioen ga, en niet altijd meer lessen aan het voorbereiden ben, wil ik af en toe eens naar Parijs, vooral in de zomer. ‘I love Paris in the summer,’ schreef Cole Porter, en die had wel vaker gelijk. Hij hield trouwens ook van Parijs in ‘winter’, ‘springtime’ en ‘fall’.
     Zelf ben ik ben nog maar twee keer in Parijs geweest, en dat was niet in de zomer. Van de eerste keer herinner ik mij heel weinig. ’t Was met een groep studenten in de romanistiek, en als ik mij niet vergis heb ik die reis georganiseerd, of mee georganiseerd. Ik weet in elk geval nog dat ik een paar keer uit mijn bed ben gebeld door studentinnen die zich kwamen inschrijven voor de leerzame uitstap. Die studentinnen stonden blijkbaar vroeger op dan ik. Maar van de reis zelf, herinner ik mij dus weinig: mimekunstenaars in de buurt van het Centre Pompidou, een tentoonstelling van Salvador Dalí, een voorstelling van La cantatrice chauve …
     Het tweede verblijf kan ik mij iets beter voor de geest halen. Mijn vrouw en ik logeerden in het piepkleine appartementje van een Spaanse vriendin waar we sliepen op een matras onder de keukentafel, want ernaast was geen plaats. Ook hadden we een afspraak in een brasserie met mijn broer, die toen in Parijs was met Amerikaanse vrienden, een vader en zijn dochter. Die vader had grote, gouden zegelringen aan meerdere vingers. Mijn Spaanse vriendin vond dat een treffend voorbeeld van het welbekende Amerikaanse gebrek aan beschaving.
     Ja, ik ben vast van plan om eens meer naar Parijs te trekken en die zakkenwassers van de ‘Islamitische Staat’ gaan mij niet tegenhouden – vooral omdat hun volgende aanslagen best wel in andere grote steden konden plaatsvinden, en dan hoef ik in Parijs voor niets bang te zijn.
      Het Westen, vrees ik, zal nog wel enige tijd af te rekenen krijgen met aanslagen uitgevoerd door ‘Allah Akbar’ brullende haatgroepen, ook al doen de politiediensten nog zo hun best om die te verhinderen. Maar of die  moordenaars op de lange duur succesvol zullen zijn, betwijfel ik. De succesvolle massamoordenaars van de twintigste eeuw – Stalin, Hitler, Mao, Pol Pot – allemaal slaagden ze erin een behoorlijk deel van de geleerden en half-geleerden, de zogenaamde intelligentsia, aan hun kant te krijgen. Dat zie ik de ‘Islamitische Staat’ nog niet klaarspelen. Hun achterlijke interpretatie van een op zich al niet erg geavanceerde godsdienst lijkt mij geen goede reclame om veel knappe koppen aan te trekken.
     Mijn Facebookvriend en vroegere leraar Nederlands Antoon Vandendriessche noemt in een reactie de IS-mensen ‘randdebielen’. Zo ver wil ik niet gaan. Ik wil gerust aannemen dat onder die moordenaars een bekwame organisator, een bedreven chauffeur, een radde spreker en zeker ook een onderlegde werktuigkundige rondloopt – want iemand moet die bommen in elkaar steken – maar het algemene verstandelijke niveau moet inderdaad aan de lage kant zijn. Zeker goed genoeg om zichzelf op te blazen, en helaas ook goed genoeg om honderden mensen te vermoorden. Maar dat ze zo de vrije maatschappijen in het Westen klein krijgen, ik geloof het niet.


P.S. De Engelse terrorisme-expert Haras Rafiq beweert dat ISIS juist wel goed opgeleide mensen aantrekt. Volgens hem bestaat de helft van de veroordeelde jihadisten in Groot-Brittannië uit mensen met een universitair diploma. Maar ik zal nog veel zulke cijfers moeten lezen voor ik mijn mening herzie.


 

vrijdag 13 november 2015

Kopen op krediet

John Joyce, vader van
     De vader van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) had een drankprobleem en al zijn geld ging naar de kroeg. Vaak kon hij de huishuur niet betalen en dan werd het gezin het huis uit gezet. John Joyce, want zo heette hij, gooide het dan op een akkoordje met de huisbaas. Het gezin zou vrijwillig het huis verlaten, waardoor de huisbaas geen gerechtskosten hoefde te betalen. In ruil daarvoor moest hij – de huisbaas –  John Joyce een betalingsbewijs geven voor de niet betaalde huur. Met dat betalingsbewijs kon hij dan zijn kredietwaardigheid bewijzen aan een nieuwe huisbaas. Zó slim was John Joyce.
     Levensmiddelen was ook zoiets. Wie vandaag in Delhaize, Colruyt, Aldi of Albert Heijn levensmiddelen koopt, betaalt daarvoor contant of met de bankkaart –  twee kilogram vastkokende aardappelen: € 2.89, een half pond Brugse boter: € 2.05, enzovoort (Delhaizeprijzen). Het gezin Joyce kocht die waren op krediet bij verschillende kruideniers. En als je eenmaal schulden had bij een kruidenier, en af en toe iets afbetaalde, dan bleef die kruidenier krediet verstrekken in de hoop ooit alle schulden te incasseren.
     John Joyce heeft een keer, op dringende vraag van zijn dochter Mabel, aan een van die kruideniers al zijn schulden afbetaald. Onmiddellijk sloot de kruidenier de rekening van de Joyces voorgoed af. Toen heeft John een dure eed gezworen. Nooit nog zou hij aan een kruidenier al zijn schulden afbetalen. Kruideniers waren bloedzuigers. 


 

Oorspronkelijk geplaatst op 2 augustus 2015

donderdag 12 november 2015

Tax shift

     Ik wou wel eens weten wat mijn financiële vooruitzichten waren met de nieuwe ‘tax shift’. Volgens Het Nieuwsblad van 25 juli weet de regering zelf niet wat haar maatregelen inhouden - of misschien raken ze er op de redactie niet uit, dat kan ook. Ik ben dan maar ten rade gegaan bij L’Echo de la Bourse van diezelfde dag. Ik ga dat niet elke maand doen, hoor!
     L’Echo heeft uitgerekend dat een gezin zoals het onze, met een gemiddeld of hoog inkomen, € 840 per jaar minder zal overhouden door btw-verhogingen – prijsstijgingen dus – en andere heffingen. Dat lijkt veel, maar bij nader inzien valt het mee. Het voorbeeldgezin van L’Echo drinkt nogal wat alcohol, rookt een half pakje per dag en legt 20 000 km per jaar af in een dieselwagen, juist die zaken die flink duurder worden. Aan dat roken en drinken doen wij met ons gezin niet mee en volgend jaar ga ik  me nog meer met de fiets verplaatsen. Ik denk dat ons gezin, alles samen, er jaarlijks rond de 400 euro bij zal inschieten – niet alles onmiddellijk maar vanaf 2018. Ce n’est pas la mer à boire. (Volgens de site french.about.com spreek je dat uit als: seu nay pah lah meh rah bwar.)
     Heel anders is de situatie voor de gezinnen met een laag inkomen – minder dan € 2800 bruto per kostwinner. Dat zijn er heel wat: meer dan 40 % van de loontrekkenden volgens L’Echo. Die moeten ook meer betalen voor elektriciteit, tabak, alcohol, diesel en frisdrank, maar tegelijk krijgen ze een belastingverlaging van 100 euro per maand, dus een soort netto loonsverhoging van € 100 – ook niet onmiddellijk, maar vanaf 2018. Voor een gezin met twee kleinverdieners is dat een inkomstenstijging van € 2400 per jaar.  In 2018 zal zo’n gezin dus € 1560 (2400- 840) meer overhouden op het einde van het jaar.
     Ik heb er zelf niets aan, en er zijn allerlei problemen met zo’n regeling, maar ik gun het die kleinverdieners wel.
     [Er zijn sinds de oorspronkelijke plaatsing van het stuk wel meer cijfers en berekeningsmodellen gepubliceerd. Laat ze maar komen, die cijfers, zolang ik dat niet allemaal moet lezen.]

Oorspronkelijk geplaatst op 29 juli 2015

woensdag 11 november 2015

Preuve par Sartre

De Beauvoir, Sartre en Che Guevara
     Ik heb op dezelfde kostschool gezeten als Hugo Claus, maar wel vele jaren later natuurlijk. Onze meester daar in het vierde leerjaar was erg geleerd. Hij las dikke biografieën van ‘grote mannen’ zoals Pieter Paul Rubens en Joris van Severen. Dat doe ik nu ook. In de godsdienstles sprak hij over Jean-Paul Sartre. Die had zowaar geprobeerd te bewijzen dat God niet bestaat. Dat bewijs, beweerde meester Bernard, daar was eigenlijk geen speld tussen te krijgen, behalve op de eerste bladzijde. Daar had Sartre een foutje gemaakt en daardoor was de hele verdere redenering ongeldig.
     Later kwam ik te weten dat die Sartre niet alleen niet in God geloofde, maar ook erg politiek geëngageerd was. Tijdens de tweede wereldoorlog had hij niet veel gezegd toen Duitse soldaten door de straten van Parijs liepen en dat was verstandig, want met die Duitsers viel niet te spotten. Maar na de tweede wereldoorlog heeft hij dat goedgemaakt door des te harder te roepen als er Amerikaanse soldaten door de Parijse straten liepen. ‘Wij zijn opnieuw bezet,’ zei ook zijn vriendin Simone de Beauvoir.

     Sartre werd een linkse rakker, een vriend van de communisten – hoe radicaler, hoe liever en hoe gewelddadiger, hoe beter. Hij bezocht stalinistisch Rusland en vond alles daar prachtig. Hij ging naar maoïstisch China en had niets dan lof. Toen in de jaren zeventig Duitsland opgeschrikt werd door terreuraanslagen van de Baader-Meinhoff groep, stond Sartre, aan de zijlijn weliswaar, klaar met een woordje van steun ... voor de terroristen. Nu weten we, dankzij meester Bernard, dat Sartres bewijs tégen Gods bestaan niet deugt. Maar de middeleeuwse bewijzen vóór Gods bestaan deugen ook niet. Dat heeft Immanuel Kant aangetoond in zijn ‘Kritiek van de zuivere rede’ (1787). Gelukkig is er nu een nieuw godsbewijs – ‘la preuve par Sartre’ heeft iemand het genoemd. Dat gaat als volgt: ‘Sartre beweerde dat God niet bestaat (minor). De feiten hebben Sartre altijd ongelijk gegeven (maior). Dus …

Oorspronkelijk geplaatst op 25 juli 2015

dinsdag 10 november 2015

Griekse referendum

Wiskundige notatie van de Wet van Benford
     Van het Griekse referendum heb ik [de nacht van 4 op 5 juli] niet wakker geleggen. Zoveel had ik ervan begrepen, dat bij ‘Oxi’ de Grieken hun schulden niet terugbetalen en bij ‘Nai’ evenmin. De Europese belastingbetaler – daar hoor ik dan bij –  zal, hoe het ook zij, te hulp moeten komen. En de Grieken zelf gaan moeilijke tijden tegemoet – ook daar verandert weinig aan.
     Het zat al fout van bij het begin. Toen Griekenland in 2001 tot de Eurozone toetrad, deed het dat op grond van een vervalste nationale boekhouding. Boekhoudingen kun je vervalsen door cijfers van de ene kolom naar een andere over te brengen – uitgaven noteren als aandelen bijvoorbeeld – maar er bestaat ook een veel eenvoudiger manier: cijfers verzinnen.

     Cijfers verzinnen doe je niet zomaar. Je kunt niet alleen allemaal ronde getallen noteren – 10 000, 100 000 –  dat oogt niet ernstig. Je verzint dus getallen als 9984, 732181, 848765, 68456 en 5132. Die getallen zien er wél goed uit, zeker als je er nog wat cijfers na de komma aan toevoegt, maar een wiskundige zal wantrouwig worden: ze voldoen niet aan de Wet van Benford.
     De Wet van Benford zegt dat cijfers over reële grootheden zoals de oppervlakte van rivieren, het aantal inwoners van dorpen en steden, de moleculaire massa van stoffen, enzovoort … het vaakst beginnen met 1 (30 %)  en het minst vaak met 9 (5 %);  de andere cijfers liggen daar tussenin. Een geloofwaardige lijst bevat dus veel getallen als 1686, 16578, 11564, 1411 en 1385. Waarom dat zo is weet niemand en het werkt alleen als er veel en grote getallen mee gemoeid zijn, maar verder staat de wet als een huis. Je voelt het zelfs een beetje aan. Als je met heel veel moeite 900 000 euro hebt vergaard, dan zul je met een kleine inspanning ook wel aan een miljoen komen en dan ben je van die 9 af. De kans echter dat je bezit ooit nog wordt weergegeven door een getal dat met 2 begint, is heel wat kleiner. En nóg kleiner is de kans dat je vermogen in zo sterke mate stijgt dat het weer met een 9 begint.
     In 2011 hebben vier Duitse onderzoekers de boekhoudingen van alle Europese landen getoetst aan de wet van Benford. De meeste landen waren oké. Roemenië en Letland verdienden een grondiger doorlichting, evenals … België. Maar de cijfers van Griekenland waren opzienbarend – mijlenver verwijderd van wat ze hadden moeten zijn volgens onze Wet. Daarmee was wiskundig aangetoond wat iedereen al wist: de Grieken hadden gesjoemeld.

Oorspronkelijk geplaatst op 6 juli 2015

maandag 9 november 2015

Atrofie

Links: atrofie - Rechts: gezonde spieren
      De deliberaties zijn achter de rug [schreef ik dus op 4 juli] en bijna alle leerlingen waar ik les aan geef zijn geslaagd – proficiat! 
     Leerlingen vragen soms hoe het bij zulke deliberaties toegaat. Als ze dat écht willen weten, verwijs ik naar de Algemene Pedagogische Reglementering nr. 3 – kortweg APR3 – die te vinden is op de site www.vvkso.be. De reglementering is 23 bladzijden lang en telt 13 404 woorden. Je leest er over discretionaire bevoegdheid, externe certificering, studiebekrachtiging en bloedverwantschap tot in de vierde graad. Zucht.
     Er zijn, om het maar eens duidelijk te zeggen, te veel reglementen vandaag de dag. In één en dezelfde krant lees ik over een Europese richtlijn voor het publiceren van selfies op Facebook –  mag niet als ze genomen zijn vóór kunstwerken of beroemde bouwwerken –, over de energieprestatiecertificaten van gebouwen – er moeten meer controles komen volgens … de controleurs –, over de bergen papierwerk om één zomerkamp te organiseren – jeugdbewegingen vragen zich af of ze er niet beter mee stoppen –  en over de hygiëneregels voor frituren – die behelzen onder andere de verplichte etikettering van artisanale producten.
     Het is ook overal hetzelfde liedje. In de Verenigde Staten, schrijft Charles Murray in zijn nieuwste boek, moeten leuningen op de werkplaats een hoogte hebben van 106,68 cm. Murray heeft nageteld dat de verzameling van Amerikaanse reglementen ondertussen meer dan 175 000 bladzijden beslaat, een stijging met 660 % sinds 1960. Dat is veel te veel, vindt hij, en hij stelt voor om met zijn allen de onzinnigste van die reglementen aan onze laars te lappen. Dat de staat maar eens probeert ons allemáál een proces aan te doen.
Het boek van Murray heet: By the People – Rebuilding Liberty Without Permission.
     Ik durf het bijna niet schrijven, maar ik vind het voorstel van Murray zo gek nog niet. Het is bekend dat spieren die niet gebruikt worden gaan afsterven. Dat heet, geloof ik, atrofie. Met onze geestelijke vermogens zou wel eens hetzelfde kunnen gebeuren. Als we ons gedrag in alles en nog wat laten beregelen, zonder ooit zelf ons gezond verstand, onze scherpzinnigheid en ons oordeelsvermogen te gebruiken, is dat gezond verstand, die scherpzinnigheid en dat oordeelsvermogen dan ook niet, net als onze spieren, met afsterven bedreigd?

Oorspronkelijk geplaatst op 4 juli 2015

zaterdag 7 november 2015

V.

Van mijn broer mocht ik voor mijn zestigste verjaardag ‘een boek kopen naar keuze’. Welk boek had ik graag gewild? Ik kwam al snel uit op V. van Thomas Pynchon, en dan meteen maar een eerste druk. Zo’n eerste druk met harde kaft en originele omslag kost gemakkelijk tussen de   500 en  de 1000 euro, maar als je goed zoekt, je tevreden stelt met een afgevoerd exemplaar uit een openbare bibliotheek en je geduldig kunt wachten op een overzeese levering per boot, dan kan die prijs aanzienlijk lager zijn.
      Dat boek, V., heeft mij lang achtervolgd. Eind de jaren 80, mijn Brusselse jaren, liep ik soms een tweedehandsboekenwinkeltje binnen dat werd uitgebaat door de man van mijn professor Spaans. We babbelden dan wat over boeken. Een keer schreef hij op een klein briefje een lijstje van boeken die ik zeker moest lezen. Ik ben dat lijstje onmiddellijk kwijtgeraakt, maar een titel als V. onthoud je gemakkelijk. Er stond ook een boek op dat lijstje van zekere Kennedy – nog zo’n naam die je makkelijk onthoudt. Zou dat The Confederacy of Dunces geweest zijn?
     Nu een sprong in de tijd: eind de jaren 90. Danny Chambaere, een jeugdvriend, heeft zopas een verhalenbundel gepubliceerd, De zee van Ochotsk. Een van de verhalen, “Beetje niets zo”, speelt zich af in een boekenzaakje in Saratoga, Californië. Jazzy muziek op de achtergrond. Knap verkoopstertje achter de toonbank. De verteller draagt een ‘splinternieuw bruinleren bomber jacket’. Hij neemt een nieuw verschenen boek van Thomas Pynchon van de rekken. Wat weet hij over Pynchon? Nobelprijskandidaat, knotsgek, elusief, bondig. ‘V. heette een van zijn romans.’ Tiens, opnieuw V.
      Nog zo’n tijdssprong – naar 2007? 2008? Ik ben een les aan het voorbereiden over ‘stadssagen’ - een heel nuttig leerstofonderdeel in het vierde middelbaar, want zo komen de leerlingen te weten dat ze niet alles moeten geloven wat men hen vertelt. Een bekende stadssage is die van de krokodillen in de riolen van New York. Die zijn daar terechtgekomen omdat New Yorkse gezinnen krokodille-eieren kochten om babykrokodilletjes te kweken in een hamsterkooitje. Leuk voor de kinderen. Die krokodilletjes groeien als kool en dan raken de ouders in paniek, gooien de beestjes in het toilet en spoelen door. En zo komen ze in de riolen terecht ‘waar ze zich voeden met krachtige Amerikaanse poep’, zoals Karel van het Reve schreef. Ik begin op internet een en ander op te zoeken over die krokodillen. En wat lees ik op Wikipedia: “An additional reference to the sewer alligator exists in Thomas Pynchon’s first novel,
V.’ En niet zomaar ‘a reference’. Het hoofdpersonage in het boek is zelfs enige tijd tewerkgesteld als ondergrondse krokodillenjager.
     ‘Driemaal is scheepsrecht,’ heb ik toen gedacht, ‘dat boek moet ik ooit eens lezen.’


      [Waar het boek over gaat, dat vertel ik wel eens in een volgend stukje. Ik weet de titel van het stukje al: V2.]

vrijdag 6 november 2015

'Laudato si' en de Airco

     Lang geleden – Jan was nog niet geboren – hebben mijn vrouw en ik Toscane bezocht. Mooi landschap, fraaie stadjes, lekker eten – je moet het ook eens doen. Ook het weer was goed, dat wil zeggen: warm. We hadden een klein autootje zonder airco gehuurd – airco in de wagen was toen nog iets voor Amerika – maar we waren jong. We zetten twee raampjes open en toen het een keer heel, héél warm was, begonnen we vrolijk met ons tweeën te scanderen: Hotel-Met-Airco! Hotel-Met-Airco!
     Nu lees ik dat Paus Franciscus in zijn nieuwe encycliek ‘Laudato Si’ het toenemend gebruik van airco afkeurt. Het is niet goed voor het milieu, zegt hij. Wat krijgen we nu? In Griekenland klagen de gepensioneerden steen en been dat ze door de daling van hun pensioen de airco niet meer durven aandoen, wegens te duur in verbruik. Ze gaan dan maar tegen hun zin aan het strand zitten, waar het frisser is. En dat is niet alles. In onze eigen gematigde klimaatzone overlijden er altijd wel enkele bejaarden bij een beetje serieuze hittegolf. Dat moet in de armere, warmere landen nog veel erger zijn.
     Zou paus Franciscus zich het lot van de arme bejaarden bij ons, in Griekenland en in de tropen niet aantrekken? Dat denk ik niet. Ik denk dat het iets anders is. Ik denk dat de paus hier bezield wordt door de religieuze behoefte aan zuiverheid en eenvoud, die zo raak beschreven wordt door William James in The Varieties of Religious Experience. De diepreligieuze mens wil weg van het ingewikkelde, het kunstmatige, het onnatuurlijke. Je moet maar eens een technisch schema van een airco-installatie bekijken om zelf iets van die religieuze afkeer te voelen. Of een mooi New-Yorks appartementsgebouw ontsierd door later toegevoegde airco-installaties …
     Op die heel, héél warme dag in Toscane hebben we ons hotel met airco niet gevonden. We hebben iets beters gevonden: een tot hotel omgebouwde vijftiende-eeuwse villa – muren van wel een meter dik, natuursteen, heerlijk koel. Zulke betrouwbare, eerlijke muren als oplossing voor het hitteprobleem zou Franciscus wel lusten, denk ik. Maar voor die natuursteen zijn steengroeven en open mijnbouw nodig en wat díe het milieu aandoen, daar wil ik liever niet aan denken.


Oorspronkelijk geplaatst op 22 juni 2015

donderdag 5 november 2015

Kersen

  Vier, vijf of zes keer per jaar koopt mijn vrouw kersen. Die eet ik dan op in een welbepaalde volgorde: eerst de mooie rode met een ronde vorm, dan de minder rode, dan de misvormde, dan die met barsten en ten slotte die met een rot plekje of die waaruit de vogels een stuk hebben gepikt. Bij ander voedsel doe ik dat omgekeerd en hou ik de lekkerste brokjes voor het laatst.  Hoe zou dat toch komen? Ben ik de enige die dat zo doet? En waarom precies kersen? Allemaal vragen!
     De Franse politicus, schrijver en denker Nicolas Chamfort (1741-1794) heeft over het kersenvraagstuk nagedacht. Volgens hem gaat het niet alleen om kersen, maar ook om oesters, gedichten en kwinkslagen: “La plupart des faiseurs de recueils de vers et de bons mots ressemblent à ceux qui mangent des cerises ou des huîtres, choisissant d’abord les meilleures et finissant par manger tout.”


Oorspronkelijk geplaatst op 17 juni 2015

woensdag 4 november 2015

Een gedreven leraar

Pol Pot (1925-1998)
  1975 was een slecht jaar voor de Verenigde Staten. Bijna gelijktijdig werden in Azië drie door hen gesteunde regeringen omvergeworpen door communistische guerrilla’s – in Vietnam, Laos en Cambodja.
     Vergeleken met Vietnam was Cambodja een achterlijk land. Sloom, bijgelovig, verlegen. Die van Vietnam kweken rijst, die van Laos kijken toe en die van Cambodja luisteren hoe het groeit, zei men. Als je een Cambodjaanse boer meststof gaf waarmee hij zijn productie kon verdubbelen, ging hij het jaar erop slechts de helft van het land beplanten. Dan bijgelovig. Toen de guerrillastrijders oprukten naar Phnom Penh, liet president Lon Nol magisch zand uitstrooien als een beschermende cirkel rond de hoofdstad. En verlegen. Cambodjanen maakten geen ruzie, spraken niet tegen, lieten alles over hun kant gaan … tot ze ontploften, en dan was je beter niet in de buurt. En dat land kwam in 1975 in de greep van de Rode Khmers en hun leider, Pol Pot.
     Die Pol Pot heeft een moeilijk leven gehad – wie niet? Slechte student in zijn thuisland en later in Parijs, de liefde van zijn leven afgesnoept door een hanige diplomaat, getrouwd met een frigide, onvruchtbare en later ook schizofrene vrouw … het gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Toch bleef hij altijd glimlachen. Als jonge leraar Frans werd hij door zijn leerlingen op handen gedragen. Lesgeven was zijn speciale gave. Ook later, toen hij met harde hand ‘Democratisch Kampuchea’ leidde, was er niets wat hij liever deed dan wekenlange politieke seminaries geven aan partijkaders. En zelfs nadat hij van de macht verdreven was, bleef hij in afgelegen bergstreken lessenreeksen op touw zetten voor zijn volgelingen. Niemand was ongevoelig voor zijn combinatie van bescheidenheid, charme, geduld en overtuigingskracht – de deugden van de leraar.
     Voor hij aan de macht kwam, heeft Pol vele jaren in de jungle verbleven, waar hij ook malaria kreeg. Naast zijn seminaries, wat hij dus het liefste deed, moest hij zich ook bezighouden met diplomatie, want de Rode Khmers hadden steun nodig van de communistische broeders in Vietnam.  Dan moest hij te voet door de wildernis en over de bergen. Zo’n reis kon wel vijf maand duren en daarna moest hij ook nog eens zoete broodjes bakken bij de Vietnamezen, die hij niet kon uitstaan.
     Zijn seminaries en zijn voetreizen werden uiteindelijk beloond. In april 1975 trokken zijn troepen Phnom Penh binnen. De twee miljoen inwoners van de stad werden geëvacueerd. Het geld werd afgeschaft. Privélandbouw, privéwoningen en privémaaltijden werden afgeschaft. Tienduizenden mensen werden terechtgesteld als saboteurs. In de vier jaar van zijn bewind kwamen minstens 1,7 miljoen mensen om van honger en ontbering. Op een bevolking van acht miljoen.


Oorspronkelijk geplaatst op 12 juni 2015

dinsdag 3 november 2015

Volmaakt berouw

     Als alles goed gaat, start op 1 september van dit jaar in de buurt van Overijse een nieuwe katholieke school – de Sint-Ignatiusschool. Het wordt een instituut voor gelovigen die wat strenger in de leer zijn, en het bestuur belooft dat godsdienstles zal worden gegeven uit de Mechelse Catechismus van 1954.
     Die catechismus heb ik nog gekend. Een heerlijk werkje! Het was een soort zakboekje dat je bij je hield gedurende de hele lagere school, met een lange reeks vragen en antwoorden, thematisch gerangschikt, genummerd en voorzien van een cijfercode die aangaf in welk leerjaar je welke onderdelen moest kennen. Ook waren de vragen duidelijk en de antwoorden kort. ‘Wat is het teken van de christenmens?’ -  ‘Het teken van de christenmens is het kruisteken.’
     Ik wil mij verder nergens mee moeien, maar ik zou de godsdienstleraren van de nieuwe school aanraden bijzondere zorg te besteden aan de vragen 416 tot en met 419. Dat zijn de vragen over ‘berouw’. Nietzsche was er tegen, La Rochefoucauld vond het huichelarij – zoals hij alles huichelarij vond – en Edith Piaf had er geen last van, maar voor katholieken is berouw een hoeksteen waar je niet zomaar met een boogje omheen loopt.
     Wat mij in mijn jonge jaren wakker hield, was het verschil tussen ‘onvolmaakt’ en ‘volmaakt’ berouw. Dat eerste kende ik, want ik had vaak genoeg spijt van iets wat ik had gedaan. Ik was beschaamd bij de gedachte dat iemand het te weten zou komen, of bang dat er straf zou volgen, maar zoiets, leerden we, was slechts onvolmaakt berouw, en zoals het antwoord op vraag 418 luidde: ‘Onvolmaakt berouw is voldoende maar volmaakt berouw is beter.’ Hoe zo’n volmaakt berouw - zónder schaamte of angst voor straf - eruit moest zien, kon ik niet bevatten.
     En nog altijd niet. Ik zie het zo. Je hebt een kwalijke daad gesteld. Daarmee heb je eigenlijk al bewezen dat je die daad in precies gelijke omstandigheden weer zou stellen, bijvoorbeeld als je in het verleden terugkeerde – zonder je kennis uit het heden mee te nemen, want dan waren de omstandigheden niet meer precies gelijk. Zelfs met zo’n tijdreis kun je je daad dus niet ongedaan maken. Of stel, je bent door opvoeding, ervaring en het zien van goede voorbeelden, een ander mens geworden en je zou die kwalijke daad nu níet meer stellen. Waarom zou je dan berouw hebben over iets wat die vreemdeling, die vroegere versie van jezelf, gedaan heeft. Het is een verdomd venijnig dilemma: ofwel ben je veranderd en is berouw niet meer nodig, ofwel ben je niet veranderd en dan is berouw  niet mogelijk, althans niet in zijn volmaakte vorm.
     Er is een prachtig verhaal van Borges – alle verhalen van Borges zijn prachtig – over een soldaat die op het slagveld als een lafaard op de vlucht slaat. Hij is daar erg beschaamd over en trekt zich terug uit de mensenmaatschappij. Na vele jaren van eenzaamheid, schaamte, schuldgevoel, wroeging en spijt, sterft hij. En dan gebeurt iets raars. Na zijn dood gaan zijn medestrijders zich hem herinneren als een held in het gevecht. Het verleden ís veranderd. Het berouw was volmaakt geweest.


Oorspronkelijk geplaatst op 10 juni

maandag 2 november 2015

Krantenkoppen

    Er staan vandaag twee artikels in de krant. Het ene staat op pagina zes en gaat over een grootschalige studie waarbij meer dan 350 000 leerlingen betrokken zijn. De kop luidt: ‘Hoeveel je ook blokt, vooral geslacht bepaalt of je slaagt.’ De helft van de meisjes, zegt het artikel, halen een diploma hoger onderwijs, tegen nog geen derde van de jongens. Dat zijn natuurlijk sterke cijfers op zich, maar nog sterker is die toegevoegde bijzin ‘hoeveel je ook blokt’. Als dat zo is, kunnen de meisjes het zonder gevaar wat rustiger aan doen – en de jongens ook, want het helpt toch niet.
     De vraag die ik mij daarbij stel is deze: hebben de onderzoekers het blokgedrag van die 350 000 leerlingen werkelijk nageplozen of heeft de journalist dat bijzinnetje er zomaar bijgeplaatst omdat het zo aardig klonk? De studie heeft volgens de krant gegevens in kaart gebracht zoals geslacht, nationaliteit, diploma van de ouders en ‘zelfs’ de gezinssamenstelling, maar het blokgedrag of de studie-ijver van de leerlingen, mannelijk of vrouwelijk, is daar niet bij.
     Ik heb geen 350 000 leerlingen onderzocht, maar misschien slagen die meisje vaker omdát ze meer blokken. Veel mensen die in het onderwijs staan zullen dat vermoeden bevestigen. En veel ouders die een zoon én een dochter hebben ook. – Ik heb overigens alleen een zoon, en ik mag niet klagen.
     Het andere artikel staat op pagina twee en heet ‘Kenniskloof’. Het is van hoofdredacteur Liesbeth van Impe en het bouwt voort op de eerder vermelde studie. ‘Wie ouders heeft met een diploma hoger onderwijs heeft vier keer meer kans om zelf een hoger diploma te halen.’ Nu, dat slimme kinderen van slimme universitairen het aan de universiteit ook goed doen, zullen veel lezers niet zo opmerkenswaard vinden. Dus voegt Liesbeth er nog iets aan toe dat wél opmerkenswaard is. Die ongelijke uitkomst treedt op, schrijft ze, ‘ongeacht de eigen talenten’ van de kinderen. Van twee groepen met gelijke talenten is er een groep die VIER KEER MEER kansen krijgt dan de andere. Dat is inderdaad opzienbarend nieuws.
     Maar dan heb ik weer dezelfde vraag: heeft men die ‘eigen talenten’ wel onderzocht? Zijn er van die 350 000 leerlingen op grote schaal IQ-testen of andere bekwaamheidsproeven afgenomen?  Ik geloof het niet. Ik denk dat die gelijke talenten een veronderstelling zijn van Liesbeth – een veronderstelling die ze dan samenvoegt met gegevens die wél onderzocht zijn. Dat is niet netjes. Facts are sacred and comments are free but please, please, keep them separated.


Oorspronkelijk geplaatst op 5 juni