donderdag 31 december 2015

Oudejaar op Sunset Boulevard



De vrolijke oudejaarsscène in Sunset Boulevard
     Toen ik drieëntwintig was, toch al behoorlijk oud, had ik nog nooit van de Joods-Oostenrijks-Amerikaanse filmmaker Billy Wilder (1906-2002) gehoord. Ik zag toen Fedora. Ik zag William Holden over een zonnige straat lopen met een klein deukhoedje op zijn hoofd en dacht: wat een aardige film! Wie zou die gemaakt hebben?
    Ik ben toen alle Wilderfilms gaan bekijken, alsof ik een verzameling aan het aanleggen was – een denkbeeldige verzameling dan, want er bestonden nog geen video’s of dvd’s die je in een doos, lade of kast kon opbergen. The Front Page heb ik  in mijn wanhoop zelfs op de Duitse tv bekeken. Walter Matthaus laatste woorden waren, als ik mij niet vergis: ‘Er hat meine Uhr geklaut.’
     Nu is het wat minder geworden, maar in die tijd was ik dus een onvoorwaardelijke bewonderaar van Wilder. Ik leefde zelfs enige tijd in onmin met een vriend omdat die niets van Wilder moest weten. Het bleek achteraf dat hij aan de acteur Gene Wilder dacht, waarna de ruzie weer werd bijgelegd.
    Een van de Wilderfilms –  misschien de mooiste – , Sunset Boulevard, bevat de treurigste Oudejaarsscène die ik ken. Die gaat zo. De berooide scenarioschrijver Joe Gillis – die droomt van een eigen zwembad – logeert in het immens grote huis van de steenrijke maar vergeten filmster Norma Desmond. Norma droomt ervan haar filmloopbaan weer op te nemen en Joe moet haar daarbij helpen. De diva wordt verliefd op de jonge maar erg mannelijke schrijver, die van zijn kant met een heel klein beetje medelijden en heel veel afschuw tegen de opdringerige oudere vrouw aankijkt. Joe wil eigenlijk weg, maar hij kan niet. Hij heeft geen middelen van bestaan. Norma’s luxueuze huis is zijn gouden kooi.
     Komt Oudejaarsavond. Alles is klaar voor het grote feest. Er is een orkest gehuurd. Joe en Norma zitten ongemakkelijk op de sofa en Joe hoopt dat de andere gasten nu maar zo snel mogelijk arriveren maar … er zijn geen andere gasten. Norma wil tijdens een romantische tête-à-tête haar liefde verklaren. Wanneer Joe begrijpt wat er gebeurt, loopt hij vol walging weg.
     Dan volgt de vrolijkste Oudejaarsscène die ik ken. Joe komt op het appartementje van een vriend aanlopen. Op enkele vierkante meter zijn zestig, zeventig mensen aan het dansen, aan het drinken, aan het roken, aan het lachen. Natuurlijk is er iemand die piano speelt. Joe ontmoet het ideale meisje: girl next door, fris, slim, geestig. Ze heeft wel een vriendje, maar dat is geen Echte Man zoals Joe, meer een Jongen, die het Joe niet al te kwalijk zal nemen als die zijn meisje inpikt. De kijker denkt: alles kan nog goed komen.
    Lieve lezer, moge voor jullie in 2016 alles nog goed komen.


zaterdag 26 december 2015

200 000 keer dodelijker dan terreur

De immer rationele Mr. Spock van Star Trek
     Wat lezen we nu weer op DeMorgen.be? ‘In België – en elders in de wereld – is de kans dat je door een auto van de weg wordt gemaaid zo’n 200 000 keer groter dan dat je sterft in een zelfmoordaanslag. Zou het kunnen dat we ons van vijand vergissen?’ Aan het woord is Tine Hens, columniste van MO. Tine kiest, net als Flaubert, haar woorden erg zorgvuldig: verkeersslachtoffers worden ‘weggemaaid’ en terreurslachtoffers ‘sterven’. Zo is dat.
     Ik vind het eerlijk gezegd een beetje raar dat de verhouding tussen de twee soorten slachtoffers ‘in België’ en ‘elders in de wereld’ dezelfde is. Maar ik twijfel er niet aan dat Tine haar statistische berekening correct heeft uitgevoerd op grond van soliede cijfers. Maar aangezien ik niets afweet van chi kwadraat, stochastische variabelen en de binomiale verdeling zal ik mijn cijfers simpel houden. In Frankrijk zijn dit jaar zo’n 3000 mensen in het verkeer omgekomen en, als ik juist geteld heb, 150 mensen bij terroristische aanslagen. Het aantal slachtoffers door het verkeer is dus 20 keer groter dan het aantal slachtoffers door terreur. Dat was in 2015, in Frankrijk, dat ook ‘elders in de wereld’ ligt. Voor alle duidelijkheid, ik twijfel niet aan die ‘200 000 keer groter’ van Tine – dat zal wel juist zijn. Maar mijn bescheidener ‘20 keer groter’ is ook juist. Ik heb het een paar keer nagerekend om zeker te zijn.    
     Onbegrijpelijk is dat Tine na die ‘200 000 keer groter’ afdaalt naar andere vergelijkingen die heel wat minder opzien baren. De kans dat een haai je verscheurt is 5 keer groter, dat een meteoriet op je hoofd valt 80 keer groter en dat je wordt neergebliksemd 147 keer groter, dan dat je ‘sterft’ bij een aanslag*. Ook maagkanker wordt vermeld, maar daar geeft Tine geen precieze cijfers van.
     Zou Tine echt zo’n Mrs. Spock zijn met puntige oren, die alle mogelijke rampen berekent die het mensdom in België en ‘elders in de wereld’ bedreigen, en ze daarna koel tegenover elkaar afweegt? Zelf heb ik meer een reptielenbrein dat alarm slaat bij de minste gedachte aan agressie – ik ben vooral bang van mannen met messen. Andere vormen van gevaar echter – verdrinken in een zwembad, een botsing met overstekend wild – neem ik heel wat stoïcijnser op. Maar laat ik voor één keer proberen mijn reptielenbrein te bedwingen en mij, zoals Tine, op het zuiver rationele vlak begeven.
     Tine stelt eigenlijk de al bij al redelijke vraag of we niet meer mensenlevens kunnen redden als we de inspanningen die we nu leveren om terreur te bestrijden zouden stopzetten en de daardoor vrijgekomen middelen zouden besteden aan veiliger verkeer. Ik ben daar nog niet zo zeker van.
     Ten eerste is er voor het verkeer al heel veel gebeurd. Je kunt allerlei maatregelen nemen om de verkeersveiligheid te verhogen: bredere straten, smallere straten, verlichting aan, verlichting uit, meer verkeersborden, minder verkeersborden, opvallende affiches langs de weg, geen opvallende affiches langs de weg, snelheidsbeperking, meer verkeersboetes, hogere verkeersboetes, snellere verkeersboetes, gevangenisstraffen, verkeerslessen op de scholen, veiliger auto’s, verplichte veiligheidsgordels, rijbewijs met punten, rijverbod voor jongeren, rijverbod voor bejaarden, rijverbod voor verstrooide chauffeurs ... en veel van die maatregelen zijn al genomen. Daardoor is, bijvoorbeeld in ons land het aantal verkeersdoden gedaald van 3.101 in 1972 tot 640 in 2016**. Het is best mogelijk om dat getal nog verder te laten dalen, maar het zal vanaf nu toch behoorlijk moeilijk worden en heel veel middelen vergen. Tine stelt voor om het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in ons land van 640 per jaar naar nul per jaar terug te brengen. Ze verwijst daarbij naar een boek van Thomas More (1478-1535) over een verzonnen land, Utopia, hoewel in dat land, als ik mij niet bedrieg, geen auto’s voorkwamen. Als we echt nul verkeersslachtoffers willen, blijven we beter met ons allen thuis. Dan zijn er geen middelen meer nodig voor de verkeersveiligheid. En dan zullen de terroristen ook geen grote aanslagen meer kunnen plegen. Dat is mooi meegenomen.
     Er is een tweede argument. Bij terreur lijkt mij het aantal werkelijke slachtoffers minder belangrijk dan het aantal mogelijke slachtoffers. Als een aanslag verijdeld wordt, weet je niet hoeveel slachtoffers hadden kunnen vallen. En ook dat is niet het belangrijkste. Belangrijker nog zijn al die aanslagen die de terroristen niet eens hebben kunnen plannen – door gebrek aan beweegruimte.  Het gaat om al die vliegtuigen die niet gekaapt werden en nergens op invlogen. Daarvoor waren nodig: pascontroles, bagagecontroles, metaaldetectoren, lijsten van verdachte personen maar ook camera’s, afluisterapparatuur, check points, bewakingsopdrachten, infiltratie, spionage, enzovoort.
     Bekijk het zo. Wat zou er gebeuren in een stad als Parijs als elke terrorist, ongehinderd door politieagenten of andere ordehandhavers, zich vrij zou kunnen bewegen op straat, met zijn bommengordel goed zichtbaar boven zijn jas?  Hoeveel aanslagen zouden er dan plaatsvinden? Hoeveel slachtoffers zouden er dan vallen? Vijfhonderd? Duizend? Tienduizend? Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als inspecties op de luchthavens werden afgeschaft om de controleurs en controleuses in te zetten bij de zebrapaden***? Zouden daardoor meer mensenlevens gered worden dan er verloren gaan? Ik zou in elk geval niet vaak het vliegtuig nog nemen.


* Ik wil niet aan intentieproces doen, maar het lijkt wel of die vergelijkingen met mensenverscheurende haaien en neervallende meteorieten alleen dienen om de terreurdreiging als sterk overdreven voor te stellen. Ook al omdat volgens het stuk de aanstichters van die dreiging ‘uit vuilnisbakken, kasten en van achter struiken’ moeten worden getild. Daarmee wordt de hele kwestie als een wel erg denkbeeldig gevaar voorgesteld.
** Het Nieuwsblad, 21 maart 2017.
*** Tine brengt – in alle ernst? – die bewaking van zebrapanden tot twee keer toe ter sprake.




 

donderdag 24 december 2015

Kerstnacht op Ekeby

Het plaatje is van Anton Pieck,
waar Karel van het Reve zo'n bezwaar tegen had
     In de boekenkast van mijn goede vader staan naast elkaar zes, zeven deeltjes in eendere grijs-bruine bandjes: iets van Strindberg, de Verhalen van Poesjkin, het eerste hoofdstuk van Canterbury Tales met uitgebreide aantekeningen … Het lijvigste van die deeltjes is Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Ik las het enkele keren toen ik dertien was. Een kennis des huizes vroeg me, toen ze me erin zag lezen: ‘’t Is zeker iets hoogs?’
     Het boek is geschreven op het einde, maar speelt in het begin van de negentiende eeuw. Het gaat over een rijke majoorsvrouw, de Majoorske. Ze woont op een kasteel in het Zweedse Ekeby en ze heeft rondom zich een hofhouding van kleurrijke figuren verzameld, de twaalf ‘cavaliers’: gepensioneerde officieren, verarmde edellieden, muzikanten, woeste jagers, koppige kaartspelers … ‘Geen eendagsvliegen,’ schrijft Lagerlöf in haar ritmische stijl, ‘geen modejonkers, maar mannen, moedige sterke mannen. Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar arme zorgeloze mannen. Geen slaperige thuiszitters, die ’t hoofd laten hangen, maar rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen, die nooit iets doen dat wijs of nuttig of oudewijfachtig is.’ En onder die cavaliers is Gösta Berling, de afgezette dominee, die altijd met vrouwen van doen heeft.
     Het eerste hoofdstuk van het boek heet ‘Kerstnacht’. Terwijl brave mensen in boshutten zich klaarmaken om naar de kerkdienst te vertrekken, houden de cavaliers een drinkgelag in de smidse van het kasteel. Ze zitten rond een grote koperen ketel waarin de blauwe vlam flikkert van de hete, zoete punch. Gösta Berling houdt een hoogdravende tafelrede, vol mythologische verwijzingen. Dan zetten de cavaliers de stoelen weg, doen een rondedans en gaan op de vloer liggen, rond de punchketel die van mond tot mond gaat, tot hij wordt omgeduwd en de kleverige drank op de dronken cavaliers terecht komt. Ook is er die nacht een onverwachte gast, zoals je kunt zien op het plaatje.
     Selma Lagerlöf is een goeddeels vergeten schrijfster. Ooit was ze gevierd. Haar werk werd verfilmd en vertaald in alle beschaafde talen – maar toch vooral in het Duits, want die Duitsers houden van boeken met dennenbossen. In 1909 kreeg ze de Nobelprijs voor Literatuur. De jonge Karl Popper vond haar boeken prachtig1 en Menno ter Braak noemde Gösta Berling ‘het boek waarmee we onze beste romantische uren beleefden’.
     Maar heb je eigenlijk iets aan zo’n boek als je niet in de negentiende maar in de eenentwintigste eeuw leeft, en je bent geen Duitser, en ook geen dertien jaar meer? Ik herlas het boek niet zo lang geleden, op vakantie in Sorrento. Bij dat herlezen valt mij altijd op dat die nieuwe lezing zich niet in het geheugen nestelt. Díe plaats in het geheugen wordt al ingenomen door de vorige lezing. Als ik mij nu Gösta Berling voor de geest haal, herinner ik mij het boek van zevenenveertig jaar geleden, en niet dat van kortgeleden. Maar verder maakte het boek op de bijna zestigjarige ongeveer dezelfde indruk als op dertienjarige. De hoofdstukken die mij nu het meeste bevielen, waren de hoofdstukken die mij toen ook het beste meegevallen waren: de kerstnacht in de smidse; Gösta en Anna achtervolgd door de wolven; de Boze – hij wiens naam men niet noemen mag –  die op zondagmiddag op bezoek komt bij de oude Ulrika; ‘mijn bleke vriend, de Dood,’  die aarzelt voor de deur van kapitein Ugla; de eerzuchtige filosoof Eberhard die uit liefde voor de gravin zijn alleszermalmende werk niet openbaar maakt, maar het verstopt in een kist onder de trap van de kerk in Svartsjö. En ook omgekeerd: de hoofdstukken die me toentertijd het minste bevielen, die waren ook dezelfde gebleven: over de uitvinder Kevenhüller, over de heks van Dövre, en nog een paar.
    Onlangs zag ik dat er van het boek een nieuwe Nederlandse vertaling uit is, van een zekere Greta Baars-Jelgersma. Daar kan ik niet akkoord mee gaan. Er is maar één vertaling en dat is die van Margaretha Meyboom uit 1919, in de oude spelling en met ‘jelui’ in plaats van ‘jullie’. Bij antiqbook.be zijn er nog enkele exemplaren van te krijgen, maar na dit blogpostje zul je snel moeten zijn.

1 Behalve Gösta Berling, mais passons.
 

zaterdag 19 december 2015

Wat denkt Caesar erover?

     Een vraag die Jan zich vaak stelt is deze: heeft het wel zin om als universiteitsstudent altijd naar de les te gaan? In de collegezaal ligt het tempo meestal fout. Als je iets meteen doorhebt, begint de professor omstandig alles nog eens te herhalen, en als je iets minder goed bevat moet alles plots rap-rap gaan. Misschien is het slimmer en redelijker om gewoon thuis te blijven en meteen de cursus onder handen te nemen: lezen, aanstrepen, structureren, repeteren – en dat op je eigen ritme en maat, en met alle hulpmiddelen bij de hand. Ja, misschien is dat slimmer.
     Maar ik ben altijd enigszins argwanend tegen die slimme oplossingen, die best-of-both-worlds-solutions, die Derde Weg waarover is nagedacht. De slechte student denkt niet na. Die blijft gewoon thuis om zijn roes uit te slapen. En de flinke student denkt ook niet na. Die is gewoon te bang om Iets Belangrijks te missen. Maar die slimme student, die denkt dus wel na, en dat is ook niet altijd goed. Denken is voor de paarden, zei onze sergeant, die hebben een groot hoofd.
    Het doet me in de verte een beetje denken aan een hoofdstuk uit De bello civili dat we lazen in de derde of de vierde klas. Caesar vertelt hoe zijn legers en die van Pompeius tegenover elkaar opgesteld stonden bij Pharsalus, met voldoende afstand tussen hen in om op elkaar af te stormen. Maar Pompeius wilde slim zijn. Hij gaf zijn leger het bevel om ter plaatse te blijven staan, zodat Caesars mannen de hele afstand alleen moesten belopen. Ze zouden dan zeker uitgeput zijn van vermoeidheid  als ze vijandelijke linie bereikten. Ook zouden ze minder goed hun speren kunnen richten als ze die gooiden terwijl ze aan het rennen waren. Bovendien zouden ze in gespreide slagorde aankomen, want de ene soldaat loopt nu eenmaal sneller dan de andere. Was dat niet slim bedacht van Pompeius?
     Caesar dacht van niet. Hij vond dat een generaal zich op het moment van het gevecht met andere zaken moest bezighouden. Hij moest erop bedacht zijn om de natuurlijk aangeboren aanleg tot opwinding  (animi incitatio naturaliter innata) en strijdlust (studio pugnae) van de soldaten aan te wakkeren. Daarbij mochten de beproefde handelwijzen van de voorvaderen niet overgeslagen worden: het schallen van de trompetten, het roepen van strijdkreten en het afstormen op de vijand.
    Nu is het misschien een beetje gek om het regelmatig bijwonen van lessen – liefst op de eerste rij –  te vergelijken met het afstormen op de vijand, onder trompetgeschal en het slaken van strijdkreten. Maar het is in elk geval Pompeius niet die de slag bij Pharsalus gewonnen heeft. Als Jan dat maar weet.

zaterdag 12 december 2015

Ik zou een slechte Arabier zijn

     In het vijftigste hoofdstuk van Decline and Fall geeft Gibbon (1737-1794) een erg levendige beschrijving van de Arabische woestijn. Overal waar je kijkt, niets dan zand en rotsen, een zon van lood, en winden die geen verfrissing brengen, maar juist nieuwe hitte aanvoeren. En dan de bewoners! Van hen somt hij, zoals het zijn gewoonte is, zowel hun slechte als hun goede eigenschappen op.
     De Arabier, schrijft Gibbon, voelt zich gemakkelijk verongelijkt. Komt hij tussen de zandbergen een vreemdeling tegen met mooie kleren, dan vindt hij dat een groot onrecht. Hij stormt woedend op hem af en roept: ‘Mijn vrouw loopt in vodden. Geef die  kleren aan mij of ik vermoord je’. Bij zijn goede eigenschappen vermeldt Gibbon zijn gastvrijheid en zijn verbazingwekkende vrijgevigheid. Als iemand erom vraagt, geeft hij hem alles: zijn paard, al het geld dat hij op zak heeft, al het goud dat hij in huis heeft, tot zijn laatste slaven toe …
     Of dat allemaal waar is, van dat verongelijkt zijn en die vrijgevigheid, dat weet ik niet. Ook is Gibbon allang dood, en kunnen de zonen en dochters van de woestijn ondertussen veranderd zijn. Maar áls het waar is, dan zou ik een slechte Arabier zijn. Ik kijk zonder afgunst naar de os, de ezel en de mooie vrouw van de buurman, zonder dat ik mij tekort gedaan voel. Als die buurman een grotere boekenkast heeft, denk ik: good for him! Als hij in een mooiere Jaguar rijdt, denk ik: wat een mooie Jaguar! Maar zelfs als iemand met aandrang erom vraagt, zal ik hem noch mijn paard, noch mijn geld, noch mijn goud, noch mijn slaven geven. Als hij geld, goud, paarden of slaven wil, zal hij daar zelf moeten zien aan te komen. Mijn is mijn en dijn is dijn.

woensdag 9 december 2015

Oostenrijk-Hongarije

     Als prins Filip … euh koning Filip …  morgen uitglijdt op een marmeren trap van zijn paleis en daar zijn nek bij breekt, is zijn oudste dochter, Elizabeth, in mijn ogen nog wat te jong om hem op te volgen. Dan komt de zus van Filip in beeld, Astrid, die getrouwd is met Lorenz, een rechtstreekse afstammeling van Maximiliaan van Oostenrijk. Zou dat niet leuk zijn, zo’n echte Habsburger in het koninklijk paleis?
     Die Habsburgers zijn ondertussen wel  heel wat van hun pluimen verloren. Vroeger stonden ze aan het hoofd van de zogenaamde dubbelmonarchie. Ze waren keizer en koning tegelijk, respectievelijk van Oostenrijk en van Hongarije. Die twee k’s –  van keizer en koning –  waren voor de Duitse auteur Robert Musil de aanleiding om hun rijk in ‘Man zonder eigenschappen’ (1343 blz.) ‘Kakanië’ te dopen.
     De laatste Habsburger die nog iets te betekenen had was Otto, oom van onze Lorenz. Toen hij vier was, in 1916, is hij heel even kroonprinsje geweest, maar twee jaar daarna, door de nederlaag in de eerste Wereldoorlog, was het gedaan met Kakanië. Otto heeft het dan later, van 1979 tot 1999,  tot lid van het Europees parlement gebracht. Omdat hij al oud was, zo wordt verteld, en omdat democratie vervelend is, viel hij op vergaderingen vaak in slaap. Eén keer werd zo’n vergadering opgeschort omdat er een belangrijke voetbalmatch was. Otto werd wakker gemaakt: ‘De match begint, Otto, Oostenrijk-Hongarije!’ – ‘Aha, en tegen wie spelen we,’ vroeg Otto.

 Oorspronkelijk geplaatst op 20 september 2015

zaterdag 5 december 2015

Ik werd bijna gediscrimineerd

     Bent u, lieve lezer, al gediscrimineerd geweest? Denkt u maar eens goed na voor u antwoordt, want zulke dingen vergeet men wel eens. Ikzelf ben bij enkele gelegenheden ternauwernood aan discriminatie ontsnapt  en ik was dat helemaal vergeten. Maar nu staat alles mij weer helder voor de geest dankzij een stukje in de krant.
     U moet weten dat we in ons land een nieuwe directeur hebben voor het Gelijkekansencentrum. Die directeur heet Els Keytsman. Els studeerde bedrijfsmanagement en toegepaste economische wetenschappen. Ze werkte op de kabinetten van verschillende ministers, was gemeenteraadslid in Aalst en bekleedde verscheidene beleidsfuncties bij Groen, Oxfam-Wereldwinkel en Vluchtelingenwerk Vlaanderen.
     U denkt nu: zo iemand die van de ene hoge functie naar de andere stapt – zo iemand kan wel praten over gelijke kansen en discriminatie, maar zo iemand heeft de problemen nooit zelf aan der lijve ondervonden. Dat heeft u verkeerd voor. In het Nieuwsblad van 5 december doet Els haar verhaal. Tweeëntwintig jaar geleden zocht ze een keer een appartement. Ze vond iets naar haar zin. Maar toen ze achteraf de huisbaas nog eens opbelde, zei die dat hij ‘aan meisjes alleen’ niet verhuurde. ‘Nu nog kook ik van woede als ik aan die discriminatie terugdenk,’ zegt Els. Els heeft een gevoelige radar voor discriminatie.
     Mijn verhaal is van nog langer geleden dan dat van Els. In opdracht van de erg linkse organisatie waar ik toen lid van was en die we onder elkaar ‘de Partij’ noemden, verhuisde ik naar Brugge. Ik ging dus op zoek naar een klein arbeidershuisje of een gerieflijk appartementje en hoewel ik nogal wereldvreemd was, zoveel wist ik toch: dat huisbazen niet graag verhuren aan een jongeman alleen. Ze denken dat die alleenstaande jongemannen hun pand niet naar behoren zullen onderhouden. Die huisbazen denken dat jongemannen alleen afstoffen, schrobben en dweilen als er een jongedame is die hen daartoe verplicht. Hoe kon ik onder die omstandigheden ooit een geschikte woonst vinden. Wat te doen? Que faire? 
     De Partij wist raad. Een vrouwelijke kameraad kreeg de taak om mij te vergezellen op mijn huizenjacht en zich voor te stellen als mijn aanstaande. Nu weet ik de naam weer van die kameraad: ze heette M. In elk geval, de list werkte en een huisbaas, die  mij anders zeker gediscrimineerd had, verhuurde mij een appartementje, dat ik overigens af en toe gedweild heb, hoewel het afstoffen en het schrobben er soms bij inschoot.
    Dat is niet alles. Rond dezelfde tijd solliciteerde ik, in opdracht van de erg linkse organisatie waar ik lid van was, voor een betrekking bij het staalbedrijf Sidmar. Dat bedrijf had arbeiders  nodig voor de ‘koudwals’, waar dikke staalplaten tussen enorme pletrollen dunner worden gemaakt. Ik moest allerlei proeven afleggen waarbij ik reeksen figuren moest aanvullen. Ook was er een blad waarop getekende mannetjes bepaalde taken uitvoerden en ik moest met een kruisje aanduiden wie van die mannetjes dat op de slimste manier aanpakte.
Om geschikte arbeiders te vinden was het een erg ondoelmatige test ... en ik werd dus geselecteerd.
     Als laatste stap in de sollicitatieprocedure moest ik op gesprek bij het afdelingshoofd van de koudwals. Dat was een kordate kerel, groot en dik en met een korte zwarte baard, vast een ingenieur, die mij van achter zijn bureau kritisch aankeek. ‘Je testjes zijn wel goed, maar de structuur van je beroepsloopbaan ziet er chaotisch uit,’ zei hij. ‘Twaalf stielen en dertien ongelukken.’ Ik zei niets. ‘Dat heb je  met die ongetrouwde jongemannen,’ zei de ingenieur, ‘geen discipline, geen zin voor verantwoordelijkheid.’ Ik antwoordde dat ik volgende zomer zou gaan trouwen. Dat veranderde de zaak voor de ingenieur. Als ik een ring zou dragen, dan begon er een nieuw tijdperk. Ik zou dat wel merken. – En ik was aangenomen. Weer was de bittere kelk van de discriminatie aan mij voorbijgegaan, maar het was op het nippertje.
         Uit dat alles zult u, beste lezer, wel begrijpen dat ik niet erg geschikt ben om directeur te worden van het Gelijkekansencentrum. Iemand die het onrecht met een leugentje om bestwil bestrijdt, is niet uit het goede hout gesneden. Voor die functie heb ik dan ook niet gesolliciteerd. Maar zo’n hooggevoelige directeur als Els Keytsman, die, zoals de prinses van Andersen, de erwt van het onrecht voelt onder twintig matrassen, en ze na tweeëntwintig jaar nog navoelt, zó zelfs dat haar bloed gaat koken, dat is misschien ook een beetje overdreven.

dinsdag 1 december 2015

Seksistisch examen

Voorpagina van Het Nieuwsblad van 30 november 2015

    Als ergens een of andere groep niet precies hetzelfde resultaat, voordeel of gewin behaalt als een andere groep, dan moet dat wel het resultaat van discriminatie zijn. Dat is vandaag een geloofspunt. Als een allochtone jongere minder goed presteert op school, wordt hij gediscrimineerd vanwege zijn afkomst. Als een vrouwelijke advocaat minder verdient dan een mannelijke collega, wordt zij achtergesteld vanwege haar ‘gender’. En als ik de laatste tijd minder goed hoor, word ik onderdrukt vanwege mijn leeftijd. Andere verklaringen zoals minder studie-ijver, kortere werkdagen en luidruchtige machines gehanteerd hebben zonder oorbeschermers, zijn alleen maar een vergoelijking van het onrecht.
     Discriminatie, dat weet onze politiek correcte medemens, kan in een klein hoekje schuilen. Daardoor kan het enige tijd duren voor ze wordt opgemerkt. Neem het ‘Toelatingsexamen arts en tandarts’. Het laatste dateert al van 25 augustus en het heeft dus een volle drie maanden geduurd voor iemand iets merkte. Maar nu heeft Vlaams Parlementslid Tine Soens (sp.a.) – eindelijk zal ik maar zeggen – uitgevonden dat bij het examen 34 procent van de jongens, en slechts 23 procent van de meisjes geslaagd zijn. De oorzaak van die  discriminatie moet worden onderzocht, vindt mevrouw Soens. Let wel: er moet niet worden onderzocht of er discriminatie was –  wie kan daar nu aan twijfelen? Laten we maar meteen de oorzaak ervan navorsen. Kijk, zo gaat dat met wetenschappelijk onderzoek: je mag je onderzoeksvraag niet te ruim stellen; je moet duidelijk je parameters bepalen; en je onderzoek moet maatschappelijk relevant zijn, want dan staan de kranten klaar om daar zo melodramatisch mogelijk over te berichten, met sprekende koppen over ‘seksistische examens’ die moeten worden ‘uitgekuist’.
     Nu is er een gegeven dat ik in de krantenstukken niet gevonden heb. Dat is het volgende. Aan het toelatingsexamen van 2015 hebben tweemaal zo veel meisjes als jongens deelgenomen. Die meisjes willen dus wel erg graag dokter worden. Dubbel zo graag als de jongens, zal ik maar zeggen. Misschien zelfs zo graag dat ook meisjes met wat minder aanleg voor wetenschappen, toch aan het examen willen deelnemen. Je weet maar nooit, denken die meisjes dan, en ze hebben gelijk. Mocht mijn veronderstelling juist zijn, dan is er bij de grotere groep meisjes, in het algemeen genomen, wat minder wetenschappelijk talent aanwezig dan bij de kleinere groep jongens.
     Men zou dat eigenlijk eens moeten onderzoeken. Het zou wat geld kosten, maar zo’n onderzoek is best mogelijk. Je nodigt alle achttienjarige jongens en meisjes van heel Vlaanderen uit om, tegen een beloning, deel te nemen aan een groots opgezet experiment. Als je de beloning interessant maakt, en een beetje extra interessant voor het vrouwelijke geslacht, mag je wellicht rekenen op zo’n zesduizend vrijwilligers - bijvoorbeeld: vierduizend meisjes en tweeduizend jongens. Je laat die plaatsnemen in een grote zaal. Je laat ze zestig vragen oplossen over wiskunde, fysica, biologie en chemie. Je zorgt voor automatisch verbeterde meerkeuzevragen om te beletten dat vooringenomen, vrouwvijandige correctoren de boel belazeren. Je voorziet giscorrectie om de roekeloze jongens die zomaar wat antwoorden aankruisen niet te bevoordelen tegenover de voorzichtige meisjes. En dan ga je aan de slag met de resultaten om het gemiddelde wetenschappelijke talent van de deelnemersgroepen uit te rekenen.
     Ja, zo’n onderzoek zou men eens moeten doen. Maar wacht! Dat onderzoek gebeurt al. Sinds 1997. Jaarlijks. En het heet ‘Toelatingsexamen arts en tandarts’.