vrijdag 25 maart 2016

Bach op Goede Vrijdag

     Jan zijn smaak in muziek is niet de mijne. Wat ik in de auto allemaal heb moeten beluisteren! Maar een barbaar is Jan nu ook weer niet. Vóór een belangrijk examen luistert hij op zijn iPhone naar de Brandenburgse concerten ‘om rustig te worden’. De cellosuites van Bach herkent hij, ook als ze toevallig op een ander instrument worden gespeeld. En laatst is hij met de zoekopdracht ‘Best of Bach’ op een fragment van de Mattheüspassie gestoten dat hij ergens wel mooi vond – ‘Erbarme dich’. En ik ben het met hem eens: dat ‘Erbarme dich’ is waarlijk een mooi brokje muziek.
     Toch moet er een tijd geweest zijn dat de Mattheüspassie mij niet aansprak. Toen ik negen of tien jaar was zag ik die Pasolinifilm Il Vangelo secondo Matteo. Ik was erg onder de indruk. Het verhaal kon ik goed volgen omdat ik het al kende van de Gewijde Geschiedenis, maar ’t was voor de rest een erg rare film, niet alleen vanwege het zwart-wit, want dat was in 1964 nog gewoon, maar gewoon ráár. Niet zo lang geleden zag ik die film terug, en wat bleek? Op de achtergrond hoor je bij bepaalde scènes koorzangen uit de Mattheüspassie. Dat was mij vijftig jaar geleden niet opgevallen.
     Eigenlijk zijn álle gezongen stukken van Bach mij lang onbekend gebleven. De Brandenburgse concerten heb ik bij wijze van spreken altijd gekend, maar van de Mattheuspassie herinner ik mij nog goed die eerste keer dat ik er op een bewuste manier een stukje uit hoorde. Het was op een begrafenis. De kist werd binnengedragen. Ik kende de vier kistdragers. Ik kende de rouwende echtgenoot. En toen klonk het ‘Kommt ihr Töchter helft mir klagen’. ’t Was muziek als een deining van golven, waar je ondanks de titel en de tekst niet echt een klacht in herkende. De toon was meer tragisch dan droevig. Rond die tijd las ik bij Schopenhauer dat muziek het oneindige, rusteloze, onbevredigde verlangen van de ‘wereld als wil’ kon uitdrukken. Dat is ongeveer wat ik voelde. Ik zou het in elk geval niet vóór een examen beluisteren.
     De laatste twintig jaar luister ik vooral in de auto naar Bach. Daarbij zul je mij niet vaak op meeneuriën betrappen. Wel bal ik een vuist bij het concerto voor twee violen (BWV 1043) en ga met die vuist kleine driftige bewegingen maken op de maat van de muziek. Er zijn maar drie heel, heel korte stukjes waar ik echt ook bij meezing: de uitroep ‘Coffee, Coffee’ (in BWV 211), de mooie belofte aan de Goede Moordenaar ‘Heute, heute wirdst du mit mir ... mit mir ... mit mir im Paradis ... im Paradis ... im Para-adis sein’ (in BWV 106) en een Rezitativ-zinnetje uit de Mattheüspassie: ‘Das ist mein Blut des neuen Testaments’. Dat laatste heb ik zojuist weer meegezongen uit volle borst. ’t Is vandaag immers Goede Vrijdag, waar of niet?

woensdag 23 maart 2016

Bommenvrees

Prof. Coolsaet
Foto Filip Naudts
Wikiportret.nl 
     Ik ben nooit erg bang geweest voor bommen. Dat heb ik misschien van mijn goede vader. Tijdens de laatste jaren van de oorlog verbleef hij als gedeporteerde in een Zuid-Duits industriegebied waar Engelse en Amerikaanse vliegtuigen vaak hun bommen kwamen gooien. Mijn vader bleef dan lekker in zijn warme bed liggen, terwijl de huisgenoten vluchtten naar een naburig bos. Zelf blijf ik ook graag in mijn warme bed liggen, vooral ’s morgens in de winter. Montaigne schreef er al over: ‘De la ressemblance des enfants aux pères’.
     Nu, voor mannen met messen zou mijn vader waarschijnlijk wel het bed verlaten en het bos opgezocht hebben, en ik ook. Messen zijn angstaanjagend. ‘Some say knives have edges,’ zegt Corporal Nym guitig in Henry V. Maar bommen hebben iets onstoffelijks: veel lawaai en gedreun, maar fysiek raken doen ze je niet. Er blijft een afstand bestaan tussen het geweld en jezelf, zoals wanneer het dondert en bliksemt. En als die afstand er níet is, ben je zó snel dood, dat je er op het moment van de ontploffing eigenlijk al niet meer bent.
     Door de aanslagen in Zaventem en Brussel, ben ik die illusie nu kwijt. Het begon op het vtm-nieuws. Een ooggetuige werd gevraagd wat hem het meeste was bijgebleven. ‘De geur van brandwonden,’ antwoordde hij. Daar schrok ik van. Zelfs een kleine brandwonde, zo eentje die ook van dichtbij geen geur verspreidt, doet al verschrikkelijk pijn! Vandaag las ik dan over de bommen zelf. Die waren gevuld met spijkers, bouten en … glasscherven. Bommen hebben wat mij betreft voorgoed hun onstoffelijke eigenschap verloren. Het zijn angstaanjagende schroeiende en snijdende voorwerpen geworden.
     Ik wil mij door die bommenvrees niet laten verlammen. Van professor Coolsaet heb ik geleerd dat overstekend wild óók fatale ongelukken veroorzaakt (hier)*, en van Tine Hens (hier) dat verkeer wereldwijd veel dodelijker is dan terreur. In mijn geval moet ik trouwens vooral op mijn hoede zijn voor de fameuze dodelijke val in de badkuip omdat ik haast dagelijks een te heet bad neem en daarbij wat duizelig word - en zo glijd je bij het opstaan gemakkelijk uit. Als ik mij dus zo weinig zorgen maak over overstekend wild, en mij zo roekeloos in het verkeer begeef, en in bad, waarom zou ik dan doodsangsten uitstaan voor toekomstige bomaanslagen? Ik zal dus maar denken aan professor Coolsaet en Tine Hens en de metro blijven nemen zonder al te bang te zijn, en het vliegtuig ook, zij het dat laatste met de gebruikelijke lichte nervositeit - bommen of geen bommen.
     Van één ding ben ik ondertussen wél bang. De bommen in Brussel werden tot ontploffing gebracht door islamitische dwepers die hoopten daardoor in de moslimhemel te komen. Zulke moordlustige, tevens zelfmoordlustige, dwepers vormen binnen de moslimgemeenschap een kleine minderheid, en dat zal wel altijd zo blijven. Maar het probleem van de moslimdweperij is niet alleen dat van de moordlust. Van de moslims in België zijn er heel wat die vinden dat de wetten van de islam, de sharia dus, boven de wetten van de staat moeten komen**. Het meest verontrustende onderzoek spreekt van 70 %. (hier) De mogelijkheid dat die 70 % ooit zijn zin krijgt, jaagt mij meer angst aan dan alle verleden en toekomstige bommen met glasscherven.
    
Misschien maak ik mij nodeloos zorgen. Misschien zullen er in 2030 geen 1 150 000 moslims in België wonen (hier). Misschien zullen in 2030 veel minder dan 70 % van die moslims de sharia boven de burgerlijke wet stellen. En vooral: misschien zullen dan in De Standaard geen artikels meer verschijnen waarin autochtone sociologen aanraden de burgerlijke wet aan te passen om zo de moslimgemeenschap te ‘accomoderen’. (hier)

 * Ik weet niet, lezer, of u gewend bent om hyperlinks aan te klikken, maar deze loont de moeite.
** De letterlijke enquêtevraag was: “Zijn godsdienstregels belangrijker dan de wetten”.

zaterdag 19 maart 2016

‘Ons heilig Tinneke’

     Hier en daar begint filosofe Tinneke Beeckman korzelige commentaartjes los te maken. ‘Ons heilige Tinneke,’ las ik ergens op facebook. Ik denk dat het smalend bedoeld was. Johan Sanctorum noemde haar op zijn weblog een ‘vrouwelijke wijsgeer’, en gebruikte daarbij woorden die ik hier niet durf te herhalen. Sanctorum vond haar, geloof ik, te braaf.
     Wat mij aan de filosofe bevalt, is dat ze op de foto vaak lacht. Dat zie je niet vaak bij filosofen. Bij Hegel, Schopenhauer en Kierkegaard is een sombere portrettenblik te verwachten – die negentiende-eeuwers wisten niet beter of het hoorde zo. Maar ook filosofen van de twintigste en eenentwintigste eeuw kijken je vaak nors vanop de boekflap aan – zelfs de Amerikaanse, die toch zouden moeten weten dat je de wereld verovert ‘on a smile and a shoeshine’. Alleen Nozick lacht altijd, maar als ik zo slim was als hij, zou ik ook vaker lachen. En bij ons dus Beeckman. Je kunt voor de aardigheid haar facebookpagina eens opzoeken.
     Beeckmans laatste boek Macht en onmacht gaat zowel over filosofie als over politiek. Over politiek schrijft Beeckman op een beschaafde manier. Je voelt wel dat ‘linkse’ denkers als David Harvey haar beter liggen dan ‘rechtse’ denkers als Ayn Rand, maar als je sympathieën toevallig omgekeerd liggen, kun je haar nog altijd zonder ergernis lezen. Of toch zonder teveel ergernis, want een beetje ergernis is niet te vermijden en bovendien goed voor je gezondheid. Ook helpt het dat ze de echt onnozele denkers als Emmanuel Todd op hun nummer zet.
     Dan de filosofie. Ik ben niet van plan ooit iets van Heidegger te lezen. Ik vrees dat het teveel zal gaan over ‘het zijn van de zijnden dat zijnt in het daarzijn van het geweestzijn’. Maar dankzij Beeckmans boekje heb ik nu toch een vaag vermoeden waar die vuile nazi het eigenlijk over had. Beeckman beschouwt Heidegger als de grote aanstichter van het postmodernisme. En het postmodernisme, zegt Beeckman, verzwakt onze weerbaarheid tegen leugen en onrecht, en versterkt ons gevoel van onmacht.  
     De postmodernist, dat weet ik ondertussen, stelt dat alle waarheid relatief is. Waarheid bestaat niet echt. Waarheid is iets wat we zelf maken; het is een constructie1. Ik heb in elk geval zoiets gelezen in een boek van Richard Rorty, die zelf postmodern is en het dus weten kan. Rorty gebruikt allerlei slimme argumenten voor zijn bewering over die niet-bestaande waarheid, maar ergens in een hoofdstuk over George Orwell rijdt hij zich vast. Orwell heeft in 1984 een maatschappij beschreven waar de waarheid inderdaad-echt-letterlijk een ‘constructie’ geworden is, meer bepaald een constructie van het ministerie van Waarheid. Het ministerie bepaalt of  2 + 2 nu 4 dan wel 5 is. In een aangrijpende scène wordt de rebel Winston Smith lichamelijk en geestelijk gefolterd tot hij zelf gaat geloven dat 2 + 2 inderdaad 5 is.
     Voor de gewone lezer is wat in die scène beschreven wordt godsgruwelijk om twee redenen: het is gruwelijk vanwege de foltering zelf en het is gruwelijk omdat Winston Smith iets moet geloven wat niet waar is. Rorty probeert met hangen en wurgen onder die conclusie uit te komen. Het enige gruwelijke aan de scène is, volgens hem, de foltering en het machtsmisbruik, niet de onwaarheid van de rekensom. Maar hoezeer Rorty ook hangt en wurgt, hij kan zo’n lezing natuurlijk niet geloofwaardiger maken dan ze is. Het beeld van Orwell is te sterk. 2 + 2 is 4. Iets anders laten geloven is door en door slecht, ook zonder foltering en machtsmisbruik.
     Beeckman besteedt enkele bladzijden aan de 2 + 2 = 5-scène om Rorty onderuit te halen. Dat lukt haar bijzonder goed. Maar nu we het er toch over hebben … ik had liever gehad dat ze een ander hoofdstuk van Rorty had gekozen om te wraken. Dat Rorty zich in zijn hoofdstuk over Orwell en 1984 had vastgereden, daar was ik op eigen kracht ook achter gekomen. Maar bij andere hoofdstukken zit ik nog altijd met de handen in het haar.
 
1 Postmodernisten zelf spreken liever van een ‘construct’.

dinsdag 15 maart 2016

Willem Elsschot, Bart De Wever en ‘ons Ida’

Alfons De Ridder, pseudoniem Willem Elsschot
    Wij, Elsschot-liefhebbers, moeten eens smakelijk lachen als we horen dat er weer een Elsschot-benefietdiner heeft plaatsgevonden. Dat komt: er wordt op zo’n diner dan een tafelrede gehouden door een Belangrijk Persoon. In 2006 was die Belangrijke Persoon zekere Steve Stevaert. ‘Elsschot was een socialiss. Wie anders dan een socialiss laat zich op dezelfde dag als zijn vrouw cremeren.’ Enzovoort.
     Maar dit jaar was de Belangrijke Persoon zekere Bart De Wever, en dan wil ik wel eens luisteren. Aangezien ik op het diner zelf niet aanwezig kon zijn – ik was die dag met mijn hele staf naar Rijsel voor de internationale conferentie – heb ik de schriftelijke neerslag van de tafelrede moeten lezen in De Standaard. (hier)
     Over de stijl van Bart kunnen we kort zijn: hij is geen Elsschot.  Hij heeft het over het ‘sombere soortgelijk gewicht’ van een gedicht.  Maar je krijgt wel de indruk dat Bart af en toe door Elsschot gegrepen werd. Hij citeert de regels ‘Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord, zolang gij stamelend bidt, en bedelt bij de poort.’ En hij voegt er trots aan toe dat hij nog nooit beschuldigd werd van stamelend bidden en bedelen aan de poort. Nee, zo ziet hij er niet uit. Bart schrijft dat weinig grootouders ‘het droog houden’ bij het lezen van Tsjip. Ik voeg er graag aan toe dat je daarvoor geen grootouder moet zijn. Er is een passage in Tsjip waar ik het, geen grootouder zijnde, ook altijd moeilijk krijg, zeker als ik ze hardop moet lezen voor de klas. Kenners van het boek zullen weten welke passage ik bedoel.
     Over één punt verschil ik van mening. Bart beweert dat Elsschot ‘zo vaak wordt vertaald’. Ja, ik ken ze, die vertalingen –  Fromage, Soft Soap, Il fuoco fatuo, Tancowiec …  Die kleine boekjes staan bij mij in de kast. Maar zó zullen we de wereld niet veroveren. Het Verzameld Werk verdomd – daar moeten we die Fransen, Amerikanen, Italianen en Polen om de oren mee slaan. Ook bij ons is Elsschots werk immers pas beginnen lopen met de uitgave van het Verzameld Werk door Van Kampen.  Het Verzameld Werk, het hele Verzameld Werk en niets dan het Verzameld Werk! Maar ik moet me niet zo opwinden.
     Bart heeft natuurlijk gesproken als beleidsman. En als beleidsman vindt Bart dat er vandaag te veel echtscheidingen zijn. Dat bezorgt de samenleving een ‘materiële en immateriële factuur’. Dat vindt de Amerikaanse geleerde Charles Murray ook, die boek na boek statistieken aansleept om zijn stelling te staven dat wankele gezinssituaties leiden tot verarming en ontreddering, iets waar vooral de laagste klassen en hun kinderen het slachtoffer van zijn. Bart en Murray vinden dat het vroeger beter was. Goede gezinnen bleven bij elkaar omdat ze het goed hadden, redelijk goede gezinnen bleven bij elkaar omdat ze het redelijk goed hadden, en slechte gezinnen bleven bij elkaar uit plichtsbesef, gemakzucht, angst voor het onbekende, schaamte en hypocrisie.
     Van dat laatste, vindt Bart, was het gezin Elsschot – of beter het gezin De Ridder – een treffend voorbeeld. Alfons De Ridder was een ‘norse, zwijgende, afwezige vader’ die teveel dronk en aan veelwijverij deed. Een lafaard ook die bang was dat zijn vrouw iets van zijn escapades zou merken. Vrouw Fine droeg de hele last van het gezin. Meneer De Ridder zelf zorgde enkel voor het inkomen. Maar toch bleven die twee bij elkaar, en groeiden zij, op het einde van hun leven, weer naar elkaar toe.
     Op de tafelrede van Bart is een weerwoord gekomen (hier) van een kleindochter van Elsschot, Ida Dequeecker –  ‘ons Ida’ zoals ze vertederd werd genoemd door een beroemd cineast. Ida neemt aanstoot aan Barts ‘gedateerde’ opvattingen over het gezin. Dat vind ik prima. Ida hangt radicaal linkse ideeën aan en is daarbij radicaal feministisch georiënteerd. Zulke mensen moeten er ook zijn. Bovendien geeft ze uit de eerste hand verdere toelichtingen bij de gezinsverhoudingen in de Lemméstraat. De drie zoons werden door de moeder behandeld als prinsen, de drie dochters als slavinnen. Dat wist ik niet, of anders was ik het vergeten.
    Maar de eerste vier alinea’s van haar artikel zijn schandelijk. Ze geven een volstrekt verkeerd beeld van wat Bart werkelijk gezegd heeft2. Dat mag je nooit doen, ook niet in een polemisch geschrift. Ze schrijft dat Bart ‘een jubelzang [bedacht] op de voorbeeldig duurzame gezinsordening ten huize Alfons De Ridder.’ Nu kun je van Barts toespraak veel zeggen, maar een ‘jubelzang’ op het gezin De Ridder was het zéker niet.


 
1 Bart weet hoe gemakkelijk je verkeerd begrepen wordt. Voor alle zekerheid zei hij in zijn rede dus ook dat hij ‘absoluut niet pleit voor het terugsschroeven van de bestaande wetgeving die mensen toelaat uit elkaar te gaan.’

2 De ergste vertekening gebeurt in de inleiding op het stuk. ‘Het is Bart De Wever blijkbaar ontgaan dat het vooral Elsschots vrouw Fine was die hun gezin bijeenhield’.  Nee hoor. Het was Bart niet ontgaan. Dat Fine het gezin bijeenhield is precies wat Bart in zijn rede onderstreept. Maar wellicht is voor die inleidende alinea niet ‘ons Ida’ maar de eindredactie verantwoordelijk.

zaterdag 12 maart 2016

Feministische gletsjerkunde

H.L. Mencken bespotte de pseudowetenschappen
van zijn tijd: spiritisme, holistische chiropraxie,
‘Christian science’ en pedagogie. Theologie noemde
hij ‘the effort to explain the unknowable in terms of
the not worth knowing’.
     Nu denk je natuurlijk dat ik de titel van dit stukje zelf verzonnen heb. Dat is niet zo. Ik heb van de week een lang artikel over gletsjers gelezen, zij het met een schuin oog. De titel luidde Gletsjers, gender en wetenschap – Feministische gletsjerkunde als kader voor mondiaal milieuveranderingsonderzoek. (hier of hier) Alles in het Engels – geschreven door vier feministische auteurs, twee mannen en twee vrouwen.
     Ik heb het artikel gelezen met wat men ‘stijgende verbazing’ noemt.  Op bladzijde 14 spreken de auteurs over ijsboringen als ‘archetypische masculinistische projecten om ijs letterlijk te penetreren’. Hier hebben we dus een peer-reviewed onderzoeksartikel dat wetenschappelijke ijsboringen vergelijkt met wat een man uitvoert tijdens de geslachtsdaad … Dat is wel heel kinderachtig.
     Ten gronde doen de auteurs volgende beweringen:
(1)    gletsjerkunde werd tot nu toe vooral
        beoefend door mannen

(2)    gletsjeronderzoek in door het westen gekoloniseerde gebieden gebeurde door
        westerse onderzoekers

(3)    berichtgeving over gletsjeronderzoek in de poolgebieden benadrukte
        mannelijke deugden als heldhaftigheid, kracht en zelfredzaamheid

(4)    mythologieën van de plaatselijke bevolking kregen in de officiële gletsjerkunde
        geen plaats1.

     Die vier beweringen worden geschraagd door een indrukwekkende lijst van 124 eindnoten uit ongeveer evenveel verschillende, veelal gelijkgezinde publicaties. Ik had de beweringen zonder die noten ook wel geloofd2. Eigenlijk zijn het die noten, en die andere publicaties waarnaar verwezen wordt, die mij het meest geschokt hebben. Ze bewijzen immers dat de studie die ik met een schuin oog gelezen heb, meer is dan een eenmalig uitglijdertje van vier zonderlingen.
     ’t Is treurig. Als leraren proberen we de leerlingen iets bij te brengen van de wetenschappelijke methode: studie van primaire en secundaire vakliteratuur, bronvermelding, academisch taalgebruik, decimale nummering van de alinea’s, afbakening van de onderzoeksvraag. Maar dat zet allemaal weinig zoden aan de dijk als men het verschil niet ziet tussen wat redelijk is en wat niet. Tussen wat interessant is en wat niet.
    Hier kunnen we de zaken best breed bekijken. Als man van de letteren zal ik niet snel een druksel opslaan over de Determination and influences of the Electrical Resistances involved in the Corrosion of the Rubber-Steel Cord Composite, zelfs al ken ik de auteur van dat druksel redelijk goed. Maar ik neem onmiddellijk aan dat dat een interessant en meeslepend stuk is. Menig harde wetenschapper zal een wenkbrauw fronsen bij studies over allegorieën in dertiende-eeuwse Franse romans. Toch zag ik bij minstens één ingenieur het boek ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ in de kast staan en daar komen heel interessante beschouwingen in voor over de Le roman de la rose die, zoals bekend, in de dertiende eeuw geschreven werd en aardig wat allegorieën bevat.
    Zelf heb ik een licentiaatsverhandeling geschreven over het lidwoordgebruik in het Spaans. Als ik dat aan mijn leerlingen vertel, lachen ze me uit. Toch heb ik maar mooi blootgelegd dat het lidwoord dat men kiest bij een zelfstandig naamwoord méér afhangt van de grammaticale functie van dat zelfstandig naamwoord dan van de betekenis ervan. En dat vond ik – nou ja –  interessant. ’t Was in elk geval iets wat ik niet wist vóór ik aan mijn onderzoek begon. Zoiets kunnen onze vier feministische glaciologen niet zeggen van hún onderzoek.
    Je zou het ook zó kunnen verwoorden. Er bestaan twee soorten pseudowetenschappers. De eerste soort zijn de astrologen, de spiritisten en de spokenjagers. Hun onderzoek is anekdotisch, regelloos en boven alles oncontroleerbaar. Maar al hun beweringen zijn donders interessant. Het kleinste spookje dat ze écht zouden vangen is meteen goed voor een voorpagina én een weekendbijlage van de krant. Ik zou die allebei lezen. De tweede soort pseudowetenschappers daarentegen gaat logisch, methodisch en controleerbaar tewerk, met bronvermelding en notenapparaat. Maar van wát ze beweren is er niets wat ook maar een béétje interessant is. Ze specialiseren zich in wat H.L. Mencken (1880-1956) genoemd heeft: ‘the not worth knowing’.

1 Dat gletsjermythologieën onderzocht worden binnen eerbiedwaardige disciplines als Volkskunde en Volkenkunde lijkt mij niet meer dan normaal. Als sommige onderzoekers daarbij graag geloven dat die mythologieën ons evenveel over gletsjers leren als de harde wetenschap – tja – wij zijn in deze postmoderne tijden wel wat gewend. Het zou natuurlijk mooi zijn als ze dat geloof beleden in hun vrije tijd.  

2 Aangezien ik de zaak niet helemaal vertrouwde, heb ik  een paar van de noten aangeklikt en het blijkt te gaan om echt bestaande publicaties.

woensdag 9 maart 2016

Met Bernie Sanders op een eiland

De jonge Bernie wordt gearresteerd
     Ik behoor tot de generatie van Bernie Sanders. De senator van Vermont is wel vijftien jaar ouder, maar hij is, net als ik, een jongen van de sixties. Protestmarsen, studentenactivisme, ‘politiek bewustzijn’. Hij was enige tijd timmerman, en ik deed iets met metaal. Er is een foto waarop je ziet hoe een protesterende Bernie opgepakt wordt door twee politieagenten. Zulke foto’s zijn van mij ook gemaakt. De grappigste ervan verscheen in een plaatselijke krant met als bijschrift: “Jammer genoeg werd ook een onschuldige omstander gearresteerd”. De journalist zal gedacht hebben: ‘Die jongen draagt een colbertjasje en een das. Die hoort niet bij dat langharig, werkschuw tuig.’
     Maar anders dan ik maakt Bernie nu kans om president van Amerika te worden. Een heel, heel kleine kans, maar hij heeft het in de voorverkiezingen toch maar veel beter gedaan dan verwacht. Zijn boodschap slaat aan. De rijken worden rijker. De middenklassen blijven ter plaatse trappelen. Als we Japanse auto’s verbieden, komt er meer werk voor de Amerikaanse industriearbeider. En als we de rijken zwaarder belasten, krijgen de kleinverdieners een hoger loon. Tegen twee van die uitspraken valt trouwens niets in te brengen.
     Bernies boodschap slaat ook bij ons aan. Bij sommige facebookvrienden zie ik dat ze Bernies avonturen volgen op de voet. Ik herken dat. Vier jaar geleden volgde ik Ron Pauls avonturen op de voet toen die zijn kans waagde bij de voorverkiezingen. Ron was ook oud en deed het ook beter dan verwacht. Ron had libertaire ideeën, en was daarin misschien een beetje radicaal, maar zijn waarden vond ik wel fijn: meer vrijheid, meer eigen initiatief, meer eigen verantwoordelijkheid, minder staatsbemoeienis. En Ron zag er, net als Bernie, doodeerlijk uit. Geen man die het op akkoordjes gooide met rijkelui in ruil voor verkiezingsgeld.
     Maar onder ons: als ik onder politici een gezel moest kiezen om op een onbewoond eiland te overwinteren, dan koos ik noch Ron Paul, noch Bernie Sanders. Vooral tegen Bernie zie ik op. Hij kijkt meestal boos en spert zijn ogen. (hier) Als je hem voor een grote groep mensen bezig ziet, is hij een behoorlijke redenaar, maar je vraagt je af: houdt hij ooit op? Van Queen Victoria is bekend dat ze opzag tegen het wekelijkse onderhoud met haar eerste minister, toen die eerste minister William Gladstone (1809-1898) was. Ook Gladstone was een behoorlijk redenaar. ‘He takes me for an audience,’ zuchtte Queen Vicky.
    Twee jongens van de sixties op een onbewoond eiland ‘who take each other for an audience’ – nee dat zou alleen maar problemen geven.

zaterdag 5 maart 2016

Het loon van een loods

In bovenstaand album raakt Lucky Luke goed
bevriend met de praatgrage loods van de boot
 Als een schip één onzer havens wil binnen- of buitenvaren, moet een loods het stuur overnemen. Een gewone kapitein of stuurman mag dat niet zelf doen, want ’t is een heel secuur werkje. Een paar centimeter te veel naar links of naar rechts en je hebt een economische en ecologische ramp in één. Die schepen zijn immers enorm en de maneuvreerruimte is beperkt. Maar de loodsen weten van wanten. ’t Zijn geleerde mannen, met een ‘master’ in de nautische wetenschappen, maar ’t zijn vooral ook echte zeemannen, vergroeid met het stuurwiel en met een jarenlange ervaring als kapitein ter lange omvaart – want anders moet je er niet aan beginnen.
     En die mannen hebben van de week gestaakt. Ze wilden een bijkomende toeslag voor het loodsen van schepen langer dan 366 meter. Dat was een slimme eis, want de schepen worden almaar langer, en er zijn almaar meer schepen van meer dan 366 meter lang.  Die nieuwe lange-botentoeslag komt, zo lazen we in de krant, bovenop een loon dat ongeveer 7000 euro netto bedraagt.
     7000 euro – is dat veel? De juiste prijs van goederen en diensten kent God alleen – dat wisten de denkers van Salamanca al in de zestiende eeuw – maar God is zwijgzaam in zaken van geld. Ik ben dan maar ten rade gegaan bij de Amerikaanse schrijver Mark Twain (1835-1910) die graag en veel over geld sprak. Mark Twain is enige tijd zelf loods geweest op zo’n raderboot waar men vroeger de Mississippi mee bevoer, en nu een kanaaltje in Disneyland. Mark Twain is overigens een schuilnaam –  ‘merkteken twee’ – wat verwijst naar de veilige vaarwaterdiepte op de Mississippi.  Die raderboten op de Mississippi waren niet zo groot als de tankers  die nu aanleggen in onze havens, maar zo’n vaartuig loodsen was toch ook een secuur werkje. De Mississippi was een veranderlijke en verraderlijke rivier, met ondiepe plekken, wassend en krimpend water, en talloze bochten en kronkels die een loods allemaal uit het hoofd moest kennen.
      ‘In die tijden van belachelijke lonen,’ schrijft Twain, ‘kregen loodsen een vorstelijk salaris tussen de honderdvijftig en de tweehonderdvijftig dollar per maand, naast kost en inwoon. Twee maandlonen waren genoeg om het jaarlijkse salaris van een priester te betalen.’
     Rond de 200 dollar – is dàt veel? Mark Twain  schreef over de loodsenlonen rond 1855. Toen kocht je voor een dollar heel wat meer dan nu. Maar je kunt zulke getallen makkelijk omrekenen, bijvoorbeeld met Tom’s Inflation Calculator (hier). Omgerekend naar prijzen van 2016 verdiende zo’n loods 7 307 dollar of, alweer omgerekend, 6 937 euro per maand. Dat bedrag komt aardig in de buurt van de 7000 euro van ónze loodsen. Hopelijk zal de nieuwe toeslag de mooie geschiedkundige overeenkomst niet verstoren.

woensdag 2 maart 2016

Ruzie onder Leuvense filosofen

     In het Leuvense Hoger Instituut voor Wijsbegeerte heeft zich een flinke ruzie voorgedaan tussen professor J.H. en zijn assistente M.S. De volledige namen staan in Het Nieuwsblad. Het zou gaan om een ‘paper’ die de assistente geschreven had. Er zou geweld gebruikt zijn. Er is sprake van laster en eerroof.
     Zoiets kan gebeuren. De filosofen Karl Popper en Ludwig Wittgenstein hadden ook ooit een fikse ruzie en toen bedreigde Wittgenstein zijn confrater met een pook. Er is over dat incident zelfs een smakelijk boekje geschreven: De vloek van Wittgenstein. Ik heb dat geamuseerd gelezen, want vanop een afstand is zo’n ruzie best leuk.
     Die J.H. echter heb ik nog als leerling gehad. Vijfde middelbaar, studierichting economie-moderne talen, ik gaf er Frans. Een prima leerling. Niet zo sterk in Frans, maar daar stond tegenover dat hij een aardig mondje mee kon praten over het humanisme van Montaigne en het verschil tussen Danton en Robbespierre. Soms gaf ik hem een dik boek mee. Dat kreeg ik na een paar dagen al terug. ‘Zeer interessant,’ zei J. dan, ‘maar …’ En die ‘maar’ was ook interessant.
     Zelf raadde hij mij ook wel eens boek aan. Er was een boekje over Heraclitus dat ik eens moest lezen – geen zware kost, ‘meer iets om op het strand te lezen’. J. schatte mijn niveau goed in. Toen ik ooit in de klas het falsificatiebeginsel probeerde uit te leggen, kwam hij na de les bij mij. Of ik ook Kühn gelezen had? Het was wel niet zo ‘groot’ als Popper, dat moest hij toegeven, maar het was toch wel de moeite om eens in te bladeren.
     J. wilde altijd iets bijleren. In de muziek hield hij van hip hop. Toen ik mij in de les liet ontvallen dat ik in de wagen meestal naar muziek van Bach luisterde, vroeg hij meteen of ik niet een keer een paar casettes kon meebrengen. Ook die kreeg ik dan na een paar dagen terug. ‘Die fluitconcerto’s zijn heel interessant, maar ...’
     De medeleerlingen van J. konden trouwens dankzij hem ook altijd iets bijleren. Stond er een spreekbeurt op het programma, dan had J. het niet over ‘Mes vacances idéales’ of ‘Si j’étais riche’ maar over bijvoorbeeld de verschillende interpretaties van de evolutietheorie. Er was namelijk een hemelsbreed verschil in dat verband tussen de stellingen van Stephen Jay Gould en die van Daniel C. Dennett. Zo, dat wisten de leerlingen van 5 emt toch maar weer.
     Het leuke aan lesgeven met J. in de klas, was dat het er zo stil was. Als er twee leerlingen begonnen te babbelen, riep J. eens luid: ‘Zwijg stil, of ik ram uw kop eraf.’ En de les kon rustig verdergaan. Als ik ooit als ‘character witness’ moet optreden in de zaak die nu lopende is, kan ik over J.H. eigenlijk alleen gunstige dingen vertellen.