zaterdag 30 juli 2016

Er is iets aan de gang in de kerk

     Door de week komen mijn vrouw en ik niet vaak in de kerk, en op zondag eigenlijk ook niet. Maar eenmaal op reis maken we dat goed. Bij elke kerk waar we langs komen, wippen we even aan. Meestal wil ik er ook snel weer weg, behalve als het buiten te warm is, of als er in de kerk iets aan de gang is. Dat laatste was het geval toen we de Zionskirche in Berlijn betraden – er was iets aan de gang.
     De Zionskirche in Berlijn ziet er aan de buitenkant niet bijzonder uit. Van binnen is ze aan de kleine kant, en erg vervallen, veel erger dan de foto hierboven laat vermoeden. Dat komt goed uit want ik ben gek op die afbladderende-verf-interieurs, waar mijn collega D.B. zulke mooie foto’s van maakt (hier).
     Vervallen dus, maar niet desolaat vervallen. Vóór het altaar hadden zich een dertigtal kinderen verzameld, vooral meisjes, van tussen de zeven en de tien jaar. Er waren ook een paar oudere kinderen bij die een instrument vasthielden. Daartussendoor liepen een tiental volwassen vrouwen rond om instructies te geven. Die moeten tegenstrijdig geweest zijn, want de ene keer stelden de kinderen zich op in een halve cirkel, daarna in een horizontale rij, daarna weer in aparte groepen. Een van de vrouwen droeg een grotere verantwoordelijkheid dan de andere. Ze had kort haar en een verbeten trek om de mond en liep vaak de kerkgang in om vandaar de opstelling te overschouwen, waarna ze weer nieuwe instructies gaf. Op het balkon was een andere vrouw bezig met een zestal doeken in verschillende kleuren zorgvuldig over de borstwering te hangen. Ze deed dat eerst aan de linkerkant van de kerk, maar het resultaat moet haar teleurgesteld hebben. Heel zorgvuldig nam ze de doeken weer weg en hing ze daarna één voor één aan de rechterkant. Zulke gekleurde doeken ophangen, het luistert nauw.
     Ondertussen waren de kinderen nog maar eens van opstelling veranderd. De vrouw met de grotere verantwoordelijkheid keek nog verbetener. En er kwamen altijd maar meer mensen de kerk binnengelopen – vrouwen met kinderen aan de hand, op de arm of in de kinderwagen. Of minstens ongegeneerd zwanger. Je verwachtte elk moment dat een van hen borstvoeding zou gaan geven, maar dat gebeurde niet. Geen van die vrouwen droeg mooie kleren, of was een beetje opgemaakt. Aan de andere kant had geen van hen tatoeages of paars geverfd haar en dat is ook iets waard in de vroegere DDR. Af en toe kwam zelfs een man het gezelschap versterken – met een baby in een draagzak. Al die mannen en vrouwen kenden elkaar, groetten elkaar, kusten elkaar, niet uitbundig maar toch heel hartelijk. Zij waren het publiek.
     Vooraan kwam nu waarachtig schot in de zaak. Een van de vrouwen bleek een koorleidster te zijn en ze maakte heftige gebaren om stilte te krijgen – tevergeefs, want eerst moest de opstelling nog eens veranderd worden. En toen werd er ten slotte ook écht gezongen.
     Och, ’t was eigenlijk niet veel zaaks, maar we hebben toch met plezier geluisterd. Tijdens dat luisteren viel mij plots iets te binnen. ‘Zijn het niet zulke mensen,’ zo dacht ik bij mijzelf, ‘mensen die een half uur nodig hebben om zes doeken op te hangen – mensen die drie kwartier nodig hebben om dertig kinderen op te stellen – zijn het niet zulke mensen die hier indertijd het communistische regime klein hebben gekregen?’
    Ik heb het ondertussen opgezocht (hier) en het klopt. De Zionskirche was eind de jaren tachtig een van de verzetshaarden in Oost-Berlijn. In 1987 werd wekenlang vreedzaam geprotesteerd tegen de aanhouding van opposanten die aan de kerkgemeente verbonden waren. Veel van die mannen en vrouwen die we in de kerk gezien hebben, moeten als kind bij die kaarslichtprotesten aanwezig geweest zijn. Aan de hand van hun ouders, op de arm, in de kinderwagen of in de draagzak. Misschien werd er toen ook gezongen.
 
Postscriptum Omdat mijn collega’s van Godsdienst misschien meelezen, vermeld ik voor de goede orde nog dat de dappere theoloog Bonhoeffer van 1931 tot 1943 aan de Zionskirche verbonden was.

zaterdag 23 juli 2016

Schrijfadvies

     Enige tijd geleden wou ik een stukje schrijven over het stijlhandboek van Robert Graves en Alan Hodge – The Reader Over Your Shoulder. Ik wist al hoe ik dat stukje zou beginnen: ‘Ik hou van handleidingen over stijl’. Dat kan nu niet meer. De psycholoog en taalkundige Steven Pinker heeft ondertussen zijn eigen stijlhandboek geschreven en hij begint met die zin.
     Steven Pinker behoort tot die rationalistische geleerden die zich bekwaamd hebben in het schrijven van boeken voor het grote publiek: Richard Dawkins, Daniel C. Dennett, Daniel Kahneman. Bij ons – Maarten Boudry. Die geleerden schrijven allemaal een erg heldere stijl, en als stijl alleen kwestie van helderheid was, verdienden ze allemaal een Nobelprijs voor de Literatuur. Dat vinden ze zelf ook, geloof ik. Dawkins stelde in een interview ooit voor om die prijs eindelijk maar eens aan zijn collega Pinker toe te kennen. En Pinker zelf opent zijn handboek met een stuk proza van ‘grootmeester’ Dawkins, als voorbeeld van ‘uitmuntende’ stijl*. Het tweede stuk proza dat hij geeft als voorbeeld van uitmuntende stijl is van zijn vrouw. Pinkers vrouw, niet die van Dawkins.
     Ik heb het handboek met instemming en ergernis gelezen. Instemming, omdat ik het ongeveer met alles eens ben, en ergernis, vanwege … de stijl. ‘Le style, c’est l’homme même’, schreef Buffon, ‘de stijl is de mens zelf’ en die mens is, in Pinkers geval, een lichtjes geniale, maar ook lichtjes puberale, betweter. Ik zal het nog sterker zeggen, als ik hem lees, kom ik een onuitstaanbaar deel van mijzelf tegen. Hij schrijft woorden die ik ook zou schrijven en gebruikt wendingen die ook zou gebruiken – maar die ik bij herlezing weer zou schrappen, in de hoop mij beter voor te doen dan ik ben. Pinker schrapt die woorden en wendingen niet en is dus een eerlijker schrijver.
     Het boek van Pinker heet The Sense of Style – A Thinking’s Person’s Guide to Writing. In minder politiek correcte tijden zou dat A Thinking Man’s Guide geweest zijn, waarbij je onwillekeurig denkt aan Playboy-interviews, mooie schoenen en martini cocktails ‘shaken not stirred’. De ondertitel is echter meer dan alleen een ironische verwijzing naar glamoureus snobisme. Het is de samenvatting van Pinkers opzet. Hij wil niet alleen stijladviezen geven, hij wil die adviezen ook met redenen omkleden, zodat de ‘denkende persoon’ voor zichzelf kan uitmaken of hij in een welbepaald geval een advies al dan niet volgt. Die redenen worden gestaafd met hedendaags wetenschappelijk onderzoek.
     Ik ben het boek nu aan het herlezen omdat ik het wil gebruiken in mijn Nederlandse lessen. Het bevat veel van de regels die je ook in andere handleidingen vindt. Ik doe maar een greep:

-          Vervang passieve werkwoordsvormen door actieve
-          Gebruik werkwoorden in plaats van substantieven die van die werkwoorden
         zijn afgeleid
-          Leg verbanden door middel van verbindingswoorden
-          Schrap overbodige woorden
-          Varieer de zinsconstructie
-          Vermijd ‘elegante variatie’ met synoniemen.
     Andere handleidingen voegen daar een algemene waarschuwing aan toe dat je die regels ‘niet al te strikt mag volgen’. Niet overdrijven is de boodschap en mate is tallen spele goed. Dat is wel juist, maar daar heb je niet veel aan. Pinker doet dat anders. Hij legt nauwgezet uit wanneer je die regels niet mag volgen – wanneer je passieve werkwoorden moet laten staan – wanneer je substantieven afgeleid van werkwoorden wél gebruikt, verbindingswoorden schrapt, overbodige woorden toevoegt, zinsconstructies eentonig houdt en, ondanks alle waarschuwingen, synoniemen gebruikt. Hij weet zelfs welke synoniemen dat moeten zijn. Dat moeten woorden zijn met een ruimere betekenis dan het te vervangen woord.
     Als mijn leerlingen al die adviezen en tegenadviezen van Pinker volgen, dan zullen ze zeker helderder leren schrijven. Of er onder hen ook toekomstige Nobelprijswinnaars zijn, dat zal de tijd leren.

* Deze zin heb ik herschreven om beter te beantwoorden aan de adviezen van Pinker.

woensdag 20 juli 2016

Politieke benoemingen

Links: Sir Humphrey - rechts: minister Hacker
     Het meeste van wat ik van politiek meen te weten heb ik niet van Machiavelli (1469-1527) of van James Buchanan (1919-2013) maar van de vermakelijke BBC-reeks Yes Minister (1980-1988). In die reeks krijgt minister James Hacker af te rekenen met zijn ‘permanent secretary’ Sir Humphrey Appelby. Meestal gaat het zo. De minister heeft een nieuw plan waarmee hij de krantenkoppen hoopt te halen en stemmen hoopt binnen te rijven. Hij wil dan bijvoorbeeld het aantal staatsambtenaren verminderen. De secretaris van zijn kant stelt alles in het werk om dat plan te dwarsbomen. De minister en zijn secretaris zijn de kwaadste niet. Ze zijn uit op eigen voordeel – wie niet? – maar slechts zelden worden ze geleid door het brandend verlangen elkaar, of een andere medemens, zoveel mogelijk kwaad te doen. Dat is in het echte leven wel eens anders.  
    Ik heb op deze weblog minister Hacker en Sir Humphrey al enkele keren opgevoerd (hier en hier) en nu zag ik in het Nieuwsblad van 13 juli dat Pieter Lesaffer hetzelfde deed in zijn hoofdartikel*. Daar keek ik van op. We zitten niet zo vaak op dezelfde golflengte, Pieter en ik. De journalist wijst op aanmerkelijke verschillen tussen ons politiek bestel en het Britse. In de twee systemen zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid, en zijn de ambtenaren verantwoordelijk voor de uitvoering. Maar in het Britse systeem moet de minister het bijna eigenhandig opnemen tegen zijn eigen administratie terwijl de Belgische of Vlaamse minister zich laat bijstaan door een legertje kabinetsmedewerkers. ‘Bij ons,’ schrijft Lesaffer, ‘ ligt de echte macht alleen bij de ministers – en hun partijvoorzitters – en worden de (top)ambtenaren zo veel mogelijk gedegradeerd tot uitvoerders.’ Lesaffer vindt dat jammer. De ambtenaren moeten meer macht krijgen, meent hij, want ‘zij hebben als taak om het langetermijnbeleid te bewaken.’ Op dat punt staat hij vierkant achter Sir Humphrey.
          Zei ik al dat Pieter en ik het niet vaak eens zijn? De journalist gaat er nogal gemakkelijk van uit dat het langetermijnbeleid van de administratie superieur is aan de zigzagbeweging van de politiek. Dat is niet noodzakelijk zo. Neem nu ons onderwijs. Daar woedt al dertig jaar een vernieuwingsgekte die, als langetermijnbeleid beschouwd, in één richting wijst – die van de algemene gelijkschakeling en nivellering, of het nu gaat om het dooreenhusselen van aso, bso en tso, het verwaarlozen van kennis ten voordele van vaardigheden, het samenvoegen van leerstof in ‘vakoverschrijdende’ projecten of het opstellen van onnozele ‘eindtermen’.  De nieuwste vondst is die van de grootschalige scholengroep, de campusschool en de domeinschool (zie hier).
     Wie in die vernieuwingsmolen wordt fijngemalen –  als ouder, kind, leraar of directeur –  zal het een zorg zijn of die molen wordt aangezwengeld door de politiek of door de administratie. Maar de administratie lijkt mij het gevaarlijkst. ‘The wheels are spinning,’ zegt Sir Humphrey, en maakt daarbij een draaiend gebaar met de twee wijsvingers. Probeer dan maar eens als kersvers minister van Onderwijs die wielen in de andere richting te laten draaien. Ik heb minister Crevits vaak beklaagd.
     Je moet weten – de laatste 22 jaar hebben de socialisten bijna onafgebroken de minister van Onderwijs geleverd en die socialisten zijn, samen met de groenen, de grote pleitbezorgers van de onderwijsgelijkschakeling. In die twee decennia hebben zij niet alleen de koers uitgezet, maar ook een reeks ambtenaren benoemd die, met of zonder partijkaart, die koers genegen zijn. De socialisten werden daarbij kordaat geholpen door secretaris-generaal George Monard, weliswaar een christendemocraat, maar dan toch een van een speciale soort. Monard behoorde immers tot de wij-zijn-ook-progressieven van het ‘Wonderbureau’** en op onderwijsgebied stonden die erg links van het centrum.
     Door de zigzagbeweging van de politiek staan de zaken er nu anders voor. Er is nu eventjes geen plaats voor een socialist op de post van Onderwijs. Daardoor wordt vandaag in Brussel een andere taal gesproken. Minister Crevits (hier, laatste alinea) vindt het goed dat ‘een leraar eigen accenten legt met zijn of haar persoonlijkheid’. Ze wil de leraar ‘meer vrijheid geven’. Lesgeven mag niet worden ‘herleid tot leerplannen, eindtermen en handboeken’. Zulke zaken lees ik graag. En Geert Bourgeois, de minister-president, heeft laatst nog in het Vlaams Parlement gezegd dat andere landen van Europa best een voorbeeld nemen aan het Vlaamse onderwijs in plaats van andersom (hier). Voorwaar, een verfrissende wind. Ik vind dat leuk.
    Tegelijk ben ik bang van de Sir Humphreys op het Onderwijsministerie, op het Gemeenschapsonderwijs en op de Guimardstraat. Zullen die geen stokken in de wielen steken nu die wielen in een andere richting draaien? Dat gebeurt op andere ministeries toch ook. ‘In verschillende beleidsdomeinen,’ schrijft Lesaffer, ‘werken centrumrechtse ministers en ‘rode’ ambtenaren, in het verleden door sp.a benoemd, meer naast elkaar dan met elkaar.’ Dat is vriendelijk geformuleerd.  Lesaffer wordt ook verdrietig als hij bedenkt dat zich in de toekomst een tegenovergestelde stand van zaken kan voordoen – dat centrum-rechtse ambtenaren, die nu wat makkelijker benoemd raken, gebrekkig zullen samenwerken met toekomstige ‘rode’ ministers.
     Daar valt allemaal weinig tegen te beginnen. Je zou aan een ‘system of spoils’ kunnen denken, zoals dat in de 19de eeuw werd toegepast door Amerikaanse presidenten: bij elke regeringswissel duizenden ambtenaren afdanken en vervangen door mensen van de eigen partij***. Maar erg kies is dat niet. Het is, geloof ik, ook niet de geschikte manier om de ‘beste man op de beste plaats’ te krijgen. Dan gaan we beter door met de huidige aanpak. Voor ondergeschikte betrekkingen laten wij kandidaat-ambtenaren vergelijkende examens afleggen en dan benoemen we die kandidaten die de beste cijfers haalden. Zo is mijn broer aan zijn mooie betrekking bij het postwezen gekomen. En voor topambtenaren huren we een selectiebureau in dat de bekwaamste kandidaten selecteert. Vaak zijn dat kandidaten met een politiek kleurtje, want je kunt van zulke topmensen niet eisen dat ze, zoals de cynische Sir Humphrey, geen enkele politieke overtuiging hebben. Als de regering dan uit die bekwaamste kandidaten een keuze moet maken– en zo’n keuze is altijd een beetje subjectief – dan zou ik het nog zo heel erg niet vinden als de socialisten en de wij-zijn-ook-progressieven daarbij een poosje in de kou blijven staan. Zeker als het over het over het Onderwijsministerie gaat. Hun kans komt nog wel terug.


_____________

* Lesaffer becommentarieert in zijn artikel de benoeming van n-va-man Jeroen Windey tot administrateur-generaal van het Agentschap Binnenlands Bestuur. Daarvóór was Windey kabinetschef van Liesbeth Homans. Kabinetscheffen hebben bij selectieprocedures een voordeel op andere kandidaten door hun praktische ervaring met de administratie. In het onderwijs worden directeurs ook bijna altijd gekozen uit kandidaten met bestuurservaring als ‘schoolcoördinator’, ‘graaddirecteur’, ‘vice-directeur’, ‘zorgcoördinator’,  enzovoort. Het komt vandaag niet vaak meer voor dat je van leraar rechtstreeks opklimt naar het directeurschap.
** Met het ‘wonderbureau’ wordt bedoeld het bestuur van de cvp-jongeren van 1967 tot 1971. De leden van dit bestuur waren Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene, Miet Smet, Georges Monard, Paul De Broe, Ward Bosmans (waar ik hier en hier al eens over schreef), Rita Jolie en Paul Pataer. Het wonderbureau bracht de geest van mei ’68, de geest van protest en progressiviteit, binnen in de christendemocratische partij. Dat gebeurde onder andere met een manifest voor ‘democratisering’ en ‘modernisering’ van het onderwijs. Hier vind je de wonderkinderen samen op de foto.

***Hoe corrupt het Amerikaanse  ‘system of spoils’ ook was, het is in niets vergelijkbaar met de omvangrijke ontslagen van rechters, ambtenaren, professoren, leraren, rectoren, enzovoort die nu in Turkije aan de gang zijn.

zaterdag 16 juli 2016

Reizen als een provinciale snob

Carmen-Maja Antoni als Mutter Courage
De Amerikaanse criticus Clayton Hamilton (1881–1946) was van oordeel dat een ontwikkeld mens ‘ja’ moest kunnen antwoorden op de volgende drie vragen:
1.  Heb je ooit blootshoofds in het
     middenschip van Amiens gestaan?
2.  Heb je ooit de Acropolis
     beklommen bij maanlicht?
3.   Heb je ooit fluisterend
      rondgewandeld in de gewijde
      stilte rond de Frari Madonna van
      Bellini?

Op geen van die vragen kan ik bevestigend antwoorden, alhoewel die kerk in Amiens … misschien … lang geleden … Gotische bouwkunst lust ik eigenlijk niet zo.

Nochtans schuilt in mij, geloof ik, een even trouwhartige, zij het wat provinciale, snob als in Hamilton. Alleen al tijdens onze laatste reis heb ik
1.    wacht gelopen voor de Neue Wache – de naam zegt het zelf – terwijl mijn
      vrouw de piëta van Kollwitz fotografeerde
2.    in de Thomaskirche gehoord hoe twee Japanse beursstudenten moeilijke
       orgelstukken van Bach aan het instuderen waren
3.    van het Berlinerensemble een opvoering gezien van Mutter Courage.

Over die Moeder Courage nog het volgende. Het hoofdpersonage werd gespeeld door de 71-jarige Carmen-Maja Antoni, een veterane in het Brecht-wereldje. Ze heeft Helene Weigel, Brechts vrouw, en Paul Dessau, Brechts componist, nog gekend. Een collega heeft mij ooit een cd bezorgd met Brechtliederen gezongen door ‘Antoni und Shall’.

Maar ondanks al haar ervaring met het ‘Entfremdungstheater’ slaagde ook Antoni er niet in te voldoen aan wat voor Brecht een stellige voorwaarde was: het personage van de moeder neerzetten als een onaangenaam vrouwspersoon dat de weerzin van het publiek wekt. Brecht geeft zijn personage goede en slechte eigenschappen, en zo hoort het. Maar dat de moeder het beste probeert te maken van een rampzalige situatie, dat ze in hart en nieren een zakenvrouw is, dat ze aan de oorlog een centje probeert te verdienen –  dat kan Brecht haar niet vergeven. Het publiek kan dat wel – en heeft dat altijd gekund. Ik ook.

_________

Post Scriptum Antoni speelde ook een rolletje in de bijzonder aardige DDR-film Das Kaninchen bin ich (1965), die helaas kort na zijn verschijnen verboden werd en pas rond 1990 weer vrijgegeven werd.

dinsdag 12 juli 2016

Joël spuwt niet

     Ik heb de commentaren gelezen over de uitspraak van Geert Bourgeois – er is een stakingsgrens tussen Vlaanderen en Wallonië en de Vlaming is die spuugzat. Ik moet zeggen: ik ben het met al die commentaren roerend eens. Ja, de Walen staken te veel. Nee, men mag niet veralgemenen. Ja, er moet af en toe iemand zijn die iets zegt. Nee, dat moet niet op zo’n ruwe manier gebeuren. Ja, Bourgeois heeft ook een opbouwende 11-juliboodschap gebracht. Nee, die opbouwende boodschap is niet overgekomen. Dat is allemaal precies wat ik er ook van denk.
     Ik ben het in deze zelfs eens – schrik niet – met Joël De Ceulaer, senior writer bij De Morgen. Die vindt (hier) dat Bourgeois beter de uitdrukking ‘balen van’ dan ‘spugen op’ had gebruikt. Joël schrijft dat niet letterlijk zo. Hij schrijft het tegenovergestelde. Hij moedigt Bourgeois aan om meer van die grove uitdrukkingen te gebruiken. Maar dat is volgens mij een staaltje van fijne ironie. ’t Is een schalk, Joël.
     Op de formulering van de senior writer valt anders wel wat af te dingen. Zo schrijft hij: ‘Let wel, inhoudelijk zit u [Geert Bourgeois] ernaast. Neem nu bijvoorbeeld alleen nog maar mijzelf: ik ben ook een Vlaming en ik spuw niet op Waalse stakers. Integendeel, ik baal nogal fameus van uw Vlaams-Nationalisme.’ Dat ‘integendeel’ vind ik niet helemaal in orde. Het tegendeel van spuwen op Waalse stakers, lijkt mij het toejuichen van Waalse stakers. Of eventueel: het spuwen op Vlaamse stakers, dat kan ook. Maar de algemene logica is onberispelijk. Als er één Vlaming rondloopt – al is het dan Joël zelf – die geen spuwer is, dan is de hele stelling dat ‘de’ Vlaming voortdurend spuwt, weerlegd. Eén tegenvoorbeeld volstaat om een algemene stelling te ontzenuwen. Eén keer een appel die niet valt, en heel Newtons leer is om zeep.
     De logica van Joël is niet altijd zo onberispelijk. Een paar dagen voordien had de senior writer een ander stukje geschreven (hier) waarin hij een maatregel van nva-minister Theo Francken van afkeurende commentaar voorzag. Die maatregel maakt het makkelijker om vreemdelingen die schuldig zijn aan moord, verkrachting of terrorisme het land uit te wijzen. Het gaat meer bepaald om vreemdelingen die in België geboren zijn, of jonger dan twaalf waren toen ze in ons land aankwamen, maar nooit de Belgische nationaliteit hebben aangevraagd of gekregen. Zulke vreemdelingen konden vroeger slechts na een loodzware procedure worden uitgewezen. Soms was er zelfs een Koninklijk Besluit voor nodig. En die procedure heeft Theo Francken nu vereenvoudigd. Zijn bedoelingen daarbij laten zich gemakkelijk raden – Francken wil liever zo weinig mogelijk misdadigers in ons land. Hij is die misdadigers liever kwijt dan rijk. Welke bezwaren kan Joël daar nu tegen hebben?
     Een eerste bezwaar is van semantische aard. Je kunt die mensen niet ‘terugsturen’ naar hun ‘land van herkomst’ want dat land is België zelf. Prima. Dan worden ze teruggestuurd naar ‘het land waarvan de nationaliteit op de achterzijde van hun identiteitskaart vermeld staat’. Zo goed?
     Het tweede bezwaar bestaat uit een reductio ad Vlaams-Blokkum. Joël beweert dat Theo Francken beïnvloed is door het ‘racistische wereldbeeld’ van het Vlaams Belang. Hij citeert Filip De Winter die ooit beweerde – in een interview met Joël – dat ook vreemdelingen van de tweede, derde of vierde generatie niet volwaardig kunnen integreren. ‘Een kat die in een viswinkel geboren wordt, is nog geen vis.’ Zo’n uitspraak lijkt mij inderdaad iets voor Filip De Winter. Het zou natuurlijk sterker geweest zijn als Joël zo’n uitspraak uit de mond van Theo Francken had kunnen noteren. Dat zal echter niet zo snel gebeuren, geloof ik. Maar voor Joël is dat geen probleem. Dat Francken zo’n mening nooit heeft uitgesproken, bewijst niets. Francken kan ze stilletjes in zijn hoofd gedacht hebben. Joël strooit dus met woordjes als ‘heimelijk’, ‘stiekem’ of zelfs ‘onbewust’ en wrijft op die manier niet alleen Francken, maar ook Annemie Turtelboom en Gwendolyn Rutten een heimelijk-stiekem-onbewust racistisch wereldbeeld aan. Afwezigheid van bewijs is nog geen bewijs van afwezigheid, zal hij gedacht hebben.
     In de volgende stap van zijn redenering gaat Joël vooral verwarring zaaien. Hij gebruikt daarbij de begrippen ‘eendimensionaal’, ‘Belg’, ‘vreemdeling’, ‘dubbele nationaliteit’, ‘immigratieachtergrond’ en ‘tweederangsburger’ – zonder dat die begrippen een duidelijke betekenis krijgen.  ‘Als eendimensionale Belg,’ schrijft Joël, ‘mag u in Syrië gaan strijden, terreuraanslagen plegen of seriemoordenaar worden – er zal altijd een plekje voor u zijn in de viswinkel. Maar als u een migratieachtergrond hebt, dan zal men u liefst willen behandelen als een tweederangsburger. Zeker als u geen Belg bent, maar ook als u dat wel bent.’
    Hier heeft Joël de zaken zo onduidelijk mogelijk uiteengezet. Toch is de situatie glashelder. Als u een vreemde nationaliteit hebt, kunt u het land worden uitgezet – en dat kan nu makkelijker met Theo Francken. Als u een dubbele nationaliteit hebt, kan de Belgische nationaliteit u worden afgenomen en kunt u dan eveneens het land worden uitgezet. Als u echter uitsluitend de Belgische nationaliteit hebt, kunt u het land niet worden uitgezet, wat ook uw huidskleur of afkomst is. Uw migratieachtergrond heeft er niets mee te maken. Of u lid bent van de vierde, derde, tweede of eerste immigratie inwijkelingen doet niet ter zake. Wilt u met alle geweld zware misdaden plegen, dan hebt u recht op een Belgische gevangenis. Liefst voor een wat langere periode.
   Ook gaat het hier niet om een moreel recht. De morele rechten van moordenaars, verkrachters, brandstichters en terreurzaaiers zijn een erg twijfelachtige aangelegenheid. Het gaat hier evenwel om iets dat heel wat solieder is: een recht dat rust op de letter en de geest van de wet – het burgerschap. Wat Joël van zulke wettelijke bepaling denkt, leren we uit zijn slotzinnen. ‘België een failed state? Een beetje wel, ja. En dan toch nog zo gewichtig doen over die nationaliteit.’
     Ja Joël, in een rechtstaat doen we daar gewichtig over.

zaterdag 9 juli 2016

Ik zou nooit het woord ‘geitenneuker’ gebruiken, behalve ...*

     Napoleon Bonaparte (1769-1821) was zijn leven lang een bezig baasje geweest die amper de tijd nam om fatsoenlijk te eten – meestal een stukje kip met een glaasje wijn. Maar na de rampspoed in Rusland, het drama van Leipzig en de catastrofe van Waterloo kwam er een einde aan de drukte. Op het eiland Sint-Helena, waar hij met enkele vrienden naartoe verbannen was, had de man van de daad niets meer om handen, en dat was erger dan het bekrompen onderkomen, het ongezonde klimaat en de vernederende bewaking door Engelse soldaten.
     Het moeilijkste waren de avonden. Napoleon hield niet van kaartspel of van drinkgelagen, en de televisie was nog niet uitgevonden. Wat hij wél graag deed was aan zijn vrienden toneelstukken voorlezen van Corneille, Racine en Voltaire. Hij deed dat met krachtige stem en na elk stuk kreeg je er ook gratis een bespreking bij. ‘Corneille beschrijft de mensen zoals ze moeten zijn en Racine beschrijft ze zoals ze werkelijk zijn’. ‘Voltaire is oppervlakkig en geeft het karakter van zijn personages niet juist weer.’  Napoleons vriend en biograaf Las Cases (1766-1842) – spreek uit laskaz – vond die oordelen diepzinnig en oorspronkelijk.
    Ook werden op die avonden leerrijke anekdotes uitgewisseld. Napoleon vertelde het verhaal van Lodewijk de Vijftiende die de gewoonte had om aan een van zijn hovelingen altijd maar dezelfde vraag te stellen: ‘Meneer huppeldepup, hoeveel kinderen hebt u?’ De man antwoordde telkens: ‘Vier, Sire’. Dat gebeurde soms verschillende keren per dag. Zekere keer had de hoveling er genoeg van en toen de koning weer eens vroeg hoeveel kinderen hij had, antwoordde hij: ‘Sire, zes’. ‘Dat had de koning niet verwacht. ‘U had de vorige keer toch “vier” gezegd had.’ ‘Tja,’ antwoordde de ander, ‘ik dacht dat u graag eens wat anders wilde horen als afwisseling.’ Voor Napoleon liet het verhaal  zien dat Fransen gemakkelijk vervallen van vleierij in onbeschaamdheid. Wij onthouden vooral dat je zelfs een absolute monarch kunt beledigen als je die belediging maar subtiel genoeg inkleedt.
     Een van de vrienden van Napoleon vertelde een gelijkaardige, maar toch ook heel verschillende geschiedenis over een Engelse burger. Die burger was om een of andere reden boos op de prins-regent. Hij hoorde dat de prins een mondaine bijeenkomst zou bezoeken, ging er naartoe en stelde zich  op naast de gastvrouw. Onmiddellijk nadat de prins de gastvrouw had begroet, richtte de burger zich tot de gastvrouw en vroeg zo luid mogelijk: ‘Wie is die dikke vriend van jou?’ (Who is your fat friend?) De dame werd rood  van schaamte en fluisterde: ‘Zie je dan niet dat het de prins is?’ Waarop de burger, nog luider dan eerst: ‘Hoezo de prins? … Eerlijk gezegd, hij is zo vet geworden als een varken.’ (How, the prince? … But upon my word, he’s  grown as fat as a pig).
     Napoleon en zijn vrienden hebben nog een poosje geredetwist over de het verschil tussen de twee beledigingen. Wij onthouden vooral dat er in een vrije maatschappij – zoals de constitutionele monarchie er een is – geen verplichting bestaat om een belediging aan de machthebbers subtiel in te kleden. Degene die de belediging uitspreekt heeft niets te vrezen. Het grof beledigen van machthebbers is er een recht. 

* ... als voorbeeld om een algemeen beginsel te verduidelijken.

zaterdag 2 juli 2016

Examenresultaten meedelen – hoe hoort het eigenlijk?

Godfried Bomans 1913-1971
    Het goede nieuws van Jan zijn examens bereikte ons ongeveer gelijktijdig met het slechte nieuws van de Duivels tegen Wales, waardoor, alles bij elkaar genomen, het universum in evenwicht bleef. Toch was er ook met die examens iets mis, en met name met de manier waarop de uitkomst ervan werd meegedeeld. Dat gebeurde namelijk langs het elektronische netwerk van de Katholieke Universiteit van Leuven– een netwerk dat, geloof ik, Toledo heet. De studenten kunnen  vanaf een afgesproken ogenblik, hun computer op dat netwerk aansluiten en hun punten raadplegen. Met een I- of smartphone wil dat naar het schijnt niet zo goed lukken.
     De voordelen van zo’n werkwijze springen in het oog. De student kan zijn punten bekijken van bij hem thuis, of, als hij buitenlands is, op elke hotelkamer met goeie wifi. ’t Is zeker efficiënt, wat van onze Duivels niet altijd kan worden gezegd, maar ’t mist de ernst en de plechtstatigheid van vroeger.
     Want hoe ging dat in mijn tijd? De studenten werden ergens eind juni samengebracht in een grote zaal. Na enige tijd kwamen de hoogleraren de zaal binnen en zij stelden zich op in een rij, vooraan in de zaal, en wel zo dat zij de studenten aankeken. Dan trad de voorzitter van de examencommissie naar voren. In mijn tweede kandidatuur was dat de kleine professor Angelet. Studenten in de achterste rijen moesten hun hals rekken om de professor te kunnen zien. Professor Angelet rekte trouwens ook zijn hals, maar dat deed hij altijd – om er iets groter uit te zien. En dan werden de namen afgeroepen, eerst die met grootste of grote onderscheiding, dan die met onderscheiding, dan die met voldoening en tenslotte degenen die niet geslaagd waren. Een tweede professor las mee, zodat er geen vergissingen konden gebeuren. Dat was belangrijk omdat, zo beweerde men, de afroeping ‘performatief’ was  als een student eenmaal als ‘geslaagd’ was afgeroepen, kon die titel achteraf niet meer worden afgenomen. Ik heb tenminste ooit zoiets gehoord.
     Eigenlijk was ook die gemeenschappelijke proclamatie niet de goede manier. Hoe het wel moet – examen én bekendmaking der resultaten –  staat beschreven in een der laatste hoofdstukken van Godfried Bomans’ onsterfelijke jeugdwerkje Pieter Bas. Eerst krijgt de student een persoonlijke uitnodiging per brief om voor de examencommissie te verschijnen. De afgesproken dag klopt hij aan en hij wordt binnengelaten in een zaaltje waar al zijn professoren achter een tafel zitten. De ene na de andere stelt een vraag over zijn vakgebied waarop de student het antwoord geeft of schuldig blijft. Daarna wordt de student verzocht even het zaaltje te verlaten zodat de professoren zich kunnen beraden. Tenslotte wordt de student weer binnengeroepen en neemt een der hooggeleerden het woord. Misschien is het Schuit van metabolisme, of Herijgers van anatomie of wie weet Bollen zelf van celbio 1 – we mogen niets uitsluiten. ‘Meneer Bas – ik bedoel – mijnheer Clerick,’ zegt Bollen dan, ‘het is ons een genoegen u dit document te kunnen overhandigen. U maakte in de aanvang een enigszins zonderlinge indruk, doch gaandeweg herstelde u zich dermate dat we geen bezwaar zien u dit getuigschrift te doen toekomen. Wij hebben zelfs gemeend op de daarvoor bestemde plaats “cum laude” te moeten invullen’.
     Zo zou het moeten gaan – maar zoals het nu is, mogen we ook niet klagen.