zondag 31 december 2017

Theo heeft gelogen. Heeft Theo gelogen?

-       Dus u zegt dat Theo weg moet.
-       Jawel. Hij heeft gelogen.
-       Hoezo?
-       Hij heeft vorige  week donderdag op vtm gezegd dat er geen uitwijzingen naar Soedan gepland waren tot eind januari.
-       En?
-       Er was er wél nog een gepland namelijk op 13 januari.
-       Dus Theo zei op donderdag dat er geen uitwijzingen meer zouden zijn, en in werkelijkheid hield hij er toch nog één achter de hand?
-       Eh … niet echt. Die uitwijzing van 13 januari had hij woensdagmiddag al laten schrappen. Een NGO had die morgen getuigenissen uitgebracht van uitgewezenen die bij hun terugkeer hardhandig ondervraagd waren geweest door de Soedanese politiek. Theo wou die getuigenissen eerst laten onderzoeken.
-       En daarom heeft hij de uitwijzing van 13 januari geschrapt? Daar moet u toch blij mee zijn.
-       Ja, maar Theo heeft daarover gelogen.
-       Dat begrijp ik niet.
-       Toen hij donderdagochtend zei dat er geen uitwijzingen gepland waren, heeft hij er niet bij gezegd dat er eerst wel één gepland was, maar dat hij ze ondertussen had laten schrappen. En hij had schrappen ook niet aan premier Michel verteld.
-       En dat is de leugen?
-       Dat is de leugen.
-       Maar toen premier Michel woensdagavond zei dat hij de uitwijzingen tot en met januari opschortte, was dat eigenlijk niet nodig omdat het oorspronkelijke uitwijzingsplan al was gewijzigd.
-       Ja.
-       En toen Theo donderdagmorgen –  nogal oneerbiedig, dat wel – zei dat de opschorting door de premier niet nodig was, had hij eigenlijk gelijk.
-       Ja.
-       En toen premier Michel en Theo donderdagmiddag allebei in de kamer verklaarden dat er geen uitwijzingen meer gepland waren in januari, was dat ook correct.
-       Eigenlijk wel.
-       Maar Theo heeft verzwegen dat er éérst wel nog een uitwijzing gepland was geweest. Een uitwijzing die hij onmiddellijk na de getuigenissen geschrapt had.
-       Ja. Dat is de leugen.
-       Dan valt het nogal mee, vind ik.

zaterdag 30 december 2017

De Vlaming als neger in Wallonië, of omgekeerd

Een typische Vlaamse kop
    In 1838 was de Franse schrijver Alexandre Dumas op doorreis in ons land, en na Brussel deed hij ook Luik aan. Eerst een stukje eten, dacht de schrijver, want dat dacht hij altijd. Toen hij in juni 1830 deelnam aan de revolutie, verliet hij herhaaldelijk de barricaden om een stukje te gaan eten in nabijgelegen restaurants.
     Zijn zoektocht naar voedsel leidde hem dit keer naar het Hôtel d’Albion. Het was al erg laat. Het hotel geleek van binnen op een gewoon burgerhuis en Dumas vroeg verlegen aan de vrouw in de keuken of hij iets te eten kon krijgen, en daarna een bed om in te slapen.
     ‘Monsieur est Belge?’ Of meneer een Belg was, wou de vrouw weten.
     De vraag was begrijpelijk. Dumas zag er met zijn donkere huid, kroeshaar en dikke lippen uit als een neger. Zijn grootmoeder was dan ook een zwarte slavin geweest. Hij sprak ook een beetje anders en … hij was wat verlegen geweest.
     Nee, meneer was geen Belg. Meneer was een Fransman.

     Aha, dat was in orde. Een Fransman was oké, zei de vrouw, maar een Vlaming, dat was iets anders. Daar moesten zij als Walen niets van hebben.
     Als dat het enige probleem is, dacht Dumas en hij begon te informeren naar het menu. Helaas, alles was op. Geen kip, geen eend, geen patrijs. Gisteren wel, maar vandaag niets meer … Misschien een stukje rosbief, probeerde Dumas, of wat kalfsvlees. Nee hoor, gisteren was dat er nog geweest, maar een Vlaming had alles opgegeten. Meneer was toch geen Vlaming?
     Nee, meneer was een Fransman.
     Uitstekend, want Vlamingen, daar hielden ze in Wallonië niet van.

     ’t Was inderdaad een triestig volkje, gaf Dumas diplomatisch toe, maar je kon er wel altijd boter en eieren krijgen, op om het even welk uur van de dag.
     Boter? Dat was nu eens jammer. Wallonië was het land van de goede boter. Maar de boter werd op vrijdag gemaakt en nu was het woensdag en was er niets meer over. En die eieren die daar lagen, die waren leeggezogen. Valentin, die deugniet, prikte met een speld twee gaatjes in zo’n ei, aan de twee kanten één, en zoog het daarna leeg. En dat had hij met al die eieren gedaan. Ja, ’t was een deugniet, Valentin.
     Maar een bed? Ja, een bed kon meneer krijgen. De waardin riep het dienstmeisje en vroeg of ze meneer de Vlaming zijn kamer kon wijzen. Dumas en het meisje gingen naar boven. Aan de kamer gekomen vroeg Dumas of hij misschien een stuk brood kon krijgen. Ja, ze zou het beneden vragen. Wat later hoorde Dumas de waardin uitroepen: ‘Wat nu weer? Brood? Wat kunnen die Vlamingen lastig zijn. Sont-ils difficiles ces Flamands.’
     Je kunt het allemaal nalezen in Dumas’ Impressions de voyages, maar veel uitgebreider, want Dumas werd per woord betaald.

donderdag 28 december 2017

Impotent, maar je weet maar nooit ...

Het kasteel van Hurstbourne, waar Lord Portsmouth door zijn vrouw geslagen werd
     In On Liberty, aan het einde van hoofdstuk 3, neemt Stuart Mill de verdediging op zich van excentriek gedrag – zolang het niet schadelijk is voor onze medemens. Je moet al een Lord zijn, merkt Mill op, om je te kunnen veroorloven je anders te gedragen dan de andere mensen.
     Ja, die Engelse Lords. Hun namen alleen al zijn excentriek genoeg om een gewone boer, dorper, burger of andere kinkel in de grootste verwarring te storten.

     Neem nu de derde Graaf van Portsmouth (1767-1853). Eigenlijk heette hij John Charles Wallop, en hij was de oudste zoon van John Wallop. Maar zo kon je hen niet noemen. Naar de vader verwees je met de titel ‘Lord Portsmouth’ en naar de zoon verwees je met de titel ‘Lord Lymington’, maar toen de vader stierf werd ‘Lord Lymington’ op zijn beurt ‘Lord Portsmouth’. Zijn broers heetten gewoon Wallop, weliswaar met de rare voornamen Coulson en Newton. Dat is allemaal erg ingewikkeld. Ik zal de derde Graaf hier gewoon John Charles noemen.
     Met die John Charles was van alles mis. Hij leerde niet goed en hij stotterde. Voor dat laatste werd hij door een gespecialiseerde opvoeder aangepakt, en wel zo grondig, dat het met de jonge Lord nooit meer goed kwam. Hij kreeg een vreemde obsessie voor begrafenissen. Op het kasteel moesten zijn bedienden op gezette tijden nepbegrafenissen ensceneren die dan werden bijgewoond door de luid en vals zingende heer des huizes. Ook bezocht hij geregeld slachthuizen. De dieren die op het punt stonden geslacht te worden, keek hij diep in de ogen, en hij voegde hen dingen toe als ‘net goed’ en ‘je verdiende loon’ en ‘dat komt ervan’.

     John Charles is twee keer getrouwd geweest. De eerste keer was dat met een veel oudere vrouw, speciaal door zijn familie uitgekozen zodat hij zeker geen kinderen zou krijgen. De bruidegom was weliswaar impotent, maar je wist maar nooit. De tweede keer werd hem door zijn advocaat een veel jongere vrouw opgedrongen – de dochter van die advocaat. Lord Byron was getuige bij het huwelijk.
     De jonge bruid ontsloeg al de bedienden van het kasteel, verving ze door een reeks handlangers, nam een minnaar, en sloeg haar man met een zweep – een terreurregime dat negen jaar duurde. Dan werd John Charles gered door zijn broer die het huwelijk liet annuleren.
     John Charles heeft zijn hele leven in Hurstbourne gewoond. Hurstbourne ligt, net als de havenstad Portsmouth waar hij zijn naam van kreeg, in het graafschap Hampshire. Op zekere dag nam John Charles geen genoegen meer met de titel van graaf – van earl eigenlijk – en riep hij zich uit tot Koning van Hampshire. Bij Shakespeare zou hij dus als koning wellicht Hampshire geheten hebben. Niet Wallop, of Lymington, of Portshmouth, maar Hampshire.




dinsdag 26 december 2017

Othman El Hammouchi vs. Hendrik Bogaert?


     Othman El Hammouchi is een achttienjarige filosoof, gelovig moslim en conservatief. Hij is erg slim, heeft veel boeken gelezen van andere erg slimme conservatieven, en als hij een stukje schrijft, kun je daar niet gauw-gauw een redeneerfout in aanwijzen. ’t Is eens wat anders dan de hoofdartikels in onze kranten.
     El Hammouchi heeft zich nu ook bemoeid met het hoofddoekenverbod* van Hendrik Bogaert (CD&V). ’t Is een ‘flagrante aanslag op de liberale rechtstaat,’ beweert El Hammouchi. En in een adem voegt hij eraan toe dat hij zelf ook géén voorstander is van die liberale rechtstaat  – die hij de ‘politieke status-quo’ noemt. Maar hij verwijt Bogaert dat hij niet consequent is en dat hij niet ‘expliciet’ zegt, naar het voorbeeld van de doopformule: ja, ik verzaak de liberale rechtstaat en al zijn werken en al zijn pomperijen.**
     In het tweede deel van zijn stuk gaat Othman in op de kwestie van religieuze symbolen voor publieke ambtenaren***. Hij betoogt dat een verbod daarop strijdig is met de liberale principes. Maar die liberale principes, dat weten we uit de vorige alinea, zijn niet de zijne. Zo’n redeneertrant waarbij je de principes van de tegenstrever tegen hemzelf gebruikt, noemde men vroeger een ‘argumentum ad hominem’****. Je bedient je van argumenten die je zelf niet voor waar houdt maar waarvan je weet dat je opponent dat wel doet. ’t Is een aardig trucje, maar ik van mijn kant probeer er zo weinig mogelijk gebruik van te maken.
     Het argument tegen religieuze symbolen voor ambtenaren heeft El Hammouchi als volgt samengevat: ambtenaren die dergelijke symbolen dragen, laten een afkeuring blijken van mensen wier levensstijl niet strookt met de gesymboliseerde religie. (We kunnen denken aan de homoseksueel die zich moet aanbieden bij een zich als moslima afficherende ambtenaar. Misschien voelt die homoseksueel zijn ‘levensstijl wel in vraag gesteld’.) El Hammouchi weerlegt dat argument met enig succes door erop te wijzen dat afkeuring van een ‘levensstijl’ geen afkeuring van de persoon inhoudt, dat geen enkele ‘levensstijl’ boven mogelijke afkeuring verheven is, en dat, als die afkeuring niet van de ambtenaar komt, dat ze dan toch zal komen van andere burgers ‘[in] de supermarkt of [bij] de bakker’.
     Maar daarmee weerlegt El Hammouchi hoogstens een slordige versie van het argument. De sterkere versie van het argument luidt dat ambtenaren te allen tijde neutraliteit moeten uitstralen zodat vrees voor, of vermoeden van, een partijdige behandeling zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Tegen díe formulering lijkt de weerlegging van El Hammouchi mij machteloos.
     In zijn laatste alinea beweert El Hammouchi dat zijn tegenstanders de drogreden van compositie gebruiken, dat ze de eigenschap van het deel verwarren met de eigenschappen van het geheel. De neutraliteit van de staat in zijn geheel, beweert Hammouchi, komt niet tot stand door de neutraliteit van zijn afzonderlijke ambtenaren. Die komt door tot stand ‘door de neutraliteit van hun dienstverlening’. Maar het verwijt van de drogreden is niet correct. De staat moet inderdaad neutraal zijn in zijn dienstverlening, en die neutraliteit komt – zeker gedeeltelijk – tot stand doordat zijn ambtenaren neutraal zijn in hun dienstverlening. De staat moet ook neutraliteit uitstralen, en die komt – zeker gedeeltelijk – tot stand door de neutrale uitstraling van de ambtenaren.*****


 

* Het stuk van El Hammouchi vind je hier. Het is een antwoord op een stuk van Nick Mertens in Doorbraak (hier). Bogaert stelt voor om ‘grotere en zichtbare’ religieuze tekens te verbieden voor ‘gemeenschappen met meer dan 5 % aandeel van de bevolking’. Dat komt neer op niet veel meer en niet veel minder dan een hoofddoekenverbod op straat.
 
 ** Het verwijt van El Hammouchi is niet helemaal terecht. Bogaert verwerpt wél expliciet de consequente benadering van de liberale rechtstaat. Hij noemt die benadering ‘liberal’ en ‘Amerikaans’ (hier).  Bogaert vindt dat, als de staat de vrije markt mag inperken, die inperking zich ook mag uitstrekken tot de manier waarop we ons kleden. Ik heb een probleem met de twee inperkingen. De kwestie is verder deze: Bogaert en El Hammouchi vertrekken allebei van een ‘communitaristische’ zienswijze. Als je die zienswijze consequent toepast, eindig je met een hoofddoekenverbod in landen met een moslimminderheid en een hoofddoekenverplichting in landen met een moslimmeerderheid.

*** Of de hoofddoek al dan niet een religieus symbool is, is een open vraag. Eddy Daniëls bijvoorbeeld vindt het eerder een politiek symbool (hier).
 
**** Ondertussen heeft het ‘argumentum ad hominem’ de betekenis gekregen van wat vroeger het ‘argumentum ad personam’ heette: de persoon aanvallen in plaats van de argumenten weerleggen.

***** In principe zou de staat zijn neutraliteit tegenover de godsdienst ook duidelijk kunnen maken door zijn ambtenaren nauwkeurig en proportioneel uit alle godsdiensten te rekruteren, ambtenaren die dan allemaal religieuze symbolen dragen van gelijke omvang en uitstraling. Met zo’n voorbeeld zou El Hammouchi zijn beschuldiging van compositiedrogreden staande kunnen houden. Maar dan heb ik nog liever een uniform voor elke ambtenaar.








dinsdag 19 december 2017

Kind van de collaboratie

Reimond Tollenaere, VNV propagandaleider en Untersturmführer
van de Waffen-SS
     Die Jan Tollenaere is me er eentje. Als zoon van Reimond Tollenaere, de in Rusland gesneuvelde propagandaleider van het Vlaams Nationaal Verbond, kwam hij onlangs op de televisie.  Jan is geen volksmenner zoals zijn vader. Nu is hij ook al heel oud, maar je ziet zo dat hij zich ook vroeger niet met dat volksmennen heeft beziggehouden. Eerder een professoraal type: afstandelijk, koel, ironisch. Iemand die zich niet de moeite getroost zich anders of beter voor te doen dan hij is. Nee, hij is niet trots op zijn vader. Maar hij is er ook niet beschaamd over. Ja, hij heeft ‘dat kamp daar in Polen’ bezocht, maar neen, het deed hem niet veel. Het was allemaal zo lang geleden. Nee, hij weet niet of zijn vader in staat zou zijn geweest om de uitroeiing van de Joden, waar hij met zijn woorden mee de weg voor had gebaand, ook met daden waar te maken. Hij dacht het niet, maar je weet maar nooit.
     Alleen als het gesprek op zijn eigen mening over Joden komt, laat Jan zich wat gaan. Hij zou er zelf niet over beginnen, maar als men het hem vraagt, wil hij gerust toegeven dat hij antisemitisch is, ‘niet virulent’, maar toch antisemitisch. Die Joden vindt hij nu eenmaal ‘niet sympathiek’, ‘nare mensen’. Wat later zijn het ‘profiteurs’, zoals hij in zijn professioneel leven heeft kunnen vaststellen. ‘Parasieten’ eigenlijk. Als je Jan even laat doorpraten, wordt zijn antisemitisme bij nader inzien toch stilletjes aan virulent.

     Tot voor die televisie-uitzending had ik nog nooit van Jan Tollenaere gehoord. Maar die Reimond kende ik wel. Die was hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor een zwarte episode in het verleden van mijn vader – waar gelukkig geen bewijzen van bestaan. Dat zit zo. Toen mijn vader zestien jaar was, kwam Reimond Tollenaere spreken in Menen. Dat moet in 1940 of begin 1941 geweest zijn. De Duitsers waren nog op alle fronten aan het winnen en dus trok de Menense bevolking in groten getale naar de plaatselijke bioscoop om de nazigezinde volkstribuun te horen spreken. Mijn grootvader was eigenaar van die bioscoop, waardoor mijn vader gratis binnen kon, samen met zijn tante die amper twee jaar ouder was.
     Wat die Tollenaere toen allemaal gezegd heeft, weet mijn vader niet meer. Iets over ‘volksverbondenheid’ wellicht, of over de ‘nationale orde’, of misschien over de ‘socialistische gemeenschap’, want ook daar stond het Vlaams Nationaal Verbond voor. Wat mijn vader wel nog heel goed weet, is wat er op het einde van de redevoering gebeurde. Iedereen sprong overeind en stak een gestrekte rechterarm omhoog. Er werd ook luid geroepen. Misschien wel: Vlaanderen! Hoezee! – of Vliegt den blauwvoet! Storm op zee! In elk geval iets van die strekking.
     Mijn vader en mijn oudtante bevonden zich achteraan op de balkonverdieping, maar zo blijven zitten terwijl iedereen overeind sprong durfden ze toch niet goed. Ze kwamen mee overeind en staken net als iedereen een gestrekte rechterarm omhoog. Roepen deden ze niet, alleen de lippen bewegen, zoals ik doe als in de kerk hardop gebeden wordt. Naast mijn vader, eveneens met gestrekte rechterarm, stond Oscar Debunne, die toen student in de Rechten was, en later volksvertegenwoordiger en ideoloog van de Belgische Socialistische Partij werd. Ik heb nog een boekje uit 1977 van hem liggen: ‘Socialisten, wat ze zijn en wat ze willen’. Soms lees ik daar enkele bladzijden in.

zaterdag 16 december 2017

Barslecht economisch nieuws

     De regering krijgt een goed rapport van de Nationale Bank: minder belastingen, kleiner begrotingstekort, stijgende koopkracht. Het mooist zijn de cijfers van de werkgelegenheid. Er zijn dit jaar in ons land  69 000 banen bijgekomen. En ’t schijnen echte jobs te zijn, en geen gesubsidieerde baantjes zoals die van Guy Spitaels indertijd, die werden gefinancierd met belastinggeld van de burger. Dat was eind de jaren zeventig als ik mij goed herinner.
     Zo’n rapport van de regering, mag je niet vergelijken met het rapport van een leerling na de kerstexamens. De goede of slechte cijfers die daarop staan, zijn bijna uitsluitend te danken of te wijten aan twee oorzaken: aanleg en ijver. En als er op dat rapport ook een klasgemiddelde staat, eventueel aangevuld met een standaarddeviatie, is het ook niet moeilijk om uit te maken of de cijfers goed of slecht zijn.
     Maar die ‘economische projecties’, daar kun je alle kanten mee uit. Het halfvolle glas van de regeringspartijen zal al meer dan halfleeg zijn als ik de samenvatting ervan in De Nieuwe Werker lees. En dan is er nog de vraag of de gunstige resultaten van het rapport het gevolg zijn van het regeringsbeleid, dan wel van iets anders: de internationale conjunctuur, het stilvallen van de vluchtelingenstroom, de regeringsformatie in Nederland, de koers van de bitcoin, of de hevige rukwinden van het voorjaar? De Nationale Bank zelf schrijft dat het ‘weinig twijfel [lijdt] dat die jobcreatie is aangedreven door de recente beleidsmaatregelen.’ Maar is dat genoeg om een rode redacteur van De Nieuwe Werker te overtuigen? Is het genoeg om Paul de Grauwe te overtuigen?
     Wat er ook van zij, de groeiende tewerkstelling is een hoopgevende geschiedenis. 69 000 extra jobs in 2017, en nog eens 54 000 in 2018 en 38 000 in 2019. De toekomst is stralend. Maar wacht! 69 000 – 54 000 – 38 000. Dat is wel een stijging, maar eigenlijk ook een daling. De stijging van het aantal jobs wordt minder waardoor er een daling is van het aantal jobs dat erbij komt. Een daling van de stijging. Daar zit een krantenkopje in, maar hoe formuleer je dat nu?

     Op www.standaard.be heeft een redacteur het antwoord gevonden. ‘Jobgroei staat onder druk.’ Potverdriedubbeltjes. Toch weer slecht nieuws.

vrijdag 8 december 2017

Over kernenergie, al ben ik geen ingenieur

     Op de voorpagina van Het Nieuwsblad lees ik het dat N-VA het energiepact ‘opblaast’. Dat is krachtig verwoord, maar alles kan beter, zoals bewezen wordt op bladzijde zes. Daar heet het dat N-VA ‘een atoombom plaatst’ onder de kernuitstap. Nu komen we in de buurt. Als die ‘atoombom’ van bladzijde zes ook nog wordt ‘opgeblazen’ zoals op bladzijde één, kunnen we de jodiumpillen beter in de buurt houden.
     Wie op de redactie aan die hysterische taal niet meedoet, is Pieter Lesaffer. ‘Je hebt minstens een ingenieursdiploma nodig’, schrijft hij in zijn commentaar, ‘om deze discussie met rationele elementen te beslechten.’ Nu kun je van mij veel zeggen, maar niet dat ik ingenieur ben. Toch heb ik mij in het verleden wel eens tot een discussie over kernenergie laten verleiden, zonder mij om rationele elementen te bekommeren. In 1980 wilde mijn universiteit, de KULeuven, een eredoctoraat toekennen aan Norman Rasmussen, een Amerikaanse professor die ingewikkelde berekeningswijzen had uitgevonden om de veiligheid van kerncentrales te beoordelen. Dat vond ik op zich al schandalig. Bovendien was hij tot de conclusie gekomen dat het met die veiligheidsrisico’s nogal meeviel. Dat vond ik zo mogelijk nog erger. Ik hield als studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad een een klein toespraakje tegen het eredoctoraat voor die pro-kernenergieprofessor. Rector Piet de Somer lachtte mij uit in mijn gezicht. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan over naar het volgende agendapunt.’
     Sinds die dagen in de Academische Raad ben ik tot betere inzichten gekomen. Ik volg nu Pieter Lesaffer. De veiligheid van kerncentrales is iets voor ingenieurs, en niet voor leken zoals ik. Wel zijn de ingenieurs die ik ken toevallig allemaal voorstanders van kernenergie, maar daar wil ik niet te veel gewicht aan toekennen. Zolang ik de veiligheid van zo’n derde generatie thoriumreactor niet eigenhandig kan berekenen, doe ik er beter het zwijgen toe. Zelfs het begrip halfwaardetijd kan ik niet correct gebruiken, tot grote wanhoop van mijn lieve collega van fysica.
    Maar ik volg Pieter nu ook weer niet overal. Kernergie, schrijft hij, is een eindig verhaal, en dus kun je er maar beter zo snel mogelijk mee stoppen. Waarom zo snel mogelijk, denk ik dan. Wij zijn allemaal eindige verhalen, en toch willen we er graag nog even mee doorgaan. Misschien is kernenergie inderdaad een eindig verhaal. Dat kan. Misschien zal kernenergie in de toekomst wel degelijk worden afgelost door een alternatieve energiewinning die schoner, veiliger, betrouwbaarder en goedkoper is. Maar dat zegt weinig over de snelheid van die aflossing. Het is niet omdat Apple een iPhone X uit heeft, dat het ‘zo snel mogelijk’ moet ophouden met de productie van iPhone 6, 7 of 8. Die uitfasering komt er, maar het is een hele discussie om te beslissen wanneer die begint en hoe lang die duurt. Om Lesaffers woorden te gebruiken: je moet minstens een handelsingenieur zijn om die discussie met rationele argumenten te beslechten.

     Lesaffer beweert nog meer rare dingen. ‘Er staan investeerders en een hele industrie klaar om de energie van ons land vorm te geven. Maar dan hebben zij wel een stabiel kader nodig.’ Ja, dat zou leuk zijn, zo’n stabiel kader. Je wil wel investeren, op voorwaarde dat je belangrijkste concurrent – de kernenergie – door een politiek ‘energiepact’ is uitgeschakeld. Dan is het niet moeilijk om naast de veiligste en de schoonste ook de betrouwbaarste en de goedkoopste energie te produceren. Als je ongeveer de enige bent, ben je zeker de betrouwbaarste en de goedkoopste. Maar hóe betrouwbaar en goedkoop dat zal zijn, is een heel andere kwestie.
     Wie daar bijvoorbeeld geen goed oog in heeft, is het bedrijfsleven. Lesaffer schrijft dat ‘een deel van het bedrijfsleven’  graag de kernenergie nog wat aanhoudt, terwijl ‘de rest van het bedrijfsleven’ daar tegen is. Het moet omgekeerd zijn, geloof ik. Een welbepaald deel van het bedrijfsleven wil van de kernenergie af – dat is het deel dat zelf groot wil worden door  alternatieve energie te produceren. De ‘rest’ van het bedrijfleven – alle bedrijven die geen energie produceren, maar wel verbruiken –  is bang dat de nieuwe energie véél en véél duurder zal zijn, en minder betrouwbaar.
     Ik geloof dat mijn belangen als verbruiker hier samenvallen met die van de ‘rest’ van het bedrijfsleven.

dinsdag 5 december 2017

Gewetensnood om Sinterklaas

Luns (links) en Bomans als Sinterklaas (rechts)
     Van Godfried Bomans heb ik alle stukjes meermaals gelezen, behalve die over Sinterklaas. Die vind ik kinderachtig. Ik heb nochtans in Sinterklaas geloofd tot in het derde leerjaar. Toen meester Bernard in de godsdienstles zei dat er in de moderne tijden geen mirakels meer gebeurden – het was de tijd van het tweede Vaticaans Concilie –  wees ik hem op het jaarlijkse wonder van de schoorsteen. Daar wist onze meester niet zo gauw een antwoord op. In de klas waren gelovige kinderen zoals ik, en ongelovige, die al door hun ouders waren ingelicht. Wat moest je nu als meester zeggen als je niemand wilde kwetsen?
     Dus gelóven deed ik. Maar geloven is één ding, en respecteren is een ander. Gerespecteerd heb ik Sinterklaas nooit. Ook toen ik nog in hem geloofde, vond ik hem een potsierlijke verschijning, en zijn knecht Zwarte Piet ook. Goed, de man was heilig, en hij had kinderen weer tot leven gewekt die eerder in stukken waren gesneden en ingezouten, en dat kon niet iedereen. Maar ik had meer ontzag voor Romeinen, ridders, zeerovers en musketiers, zoals ik die kende van de films, en waarvan mijn tante nochtans beweerde dat ze níet echt waren. Die films waren maar prentjes, zei mijn tante telkens weer.

     En zo komt het dat ik rond deze tijd van het jaar in gewetensnood verkeer. Ik lees dan hier en daar een stukje van de anti-Zwarte-Piet-club. In die club heeft zich het meer kinderachtige deel van de anti-racistische beweging verzameld. Een moeder denkt met pijn in het hart terug aan die keer toen haar zwarte zoontje schreiend thuiskwam van school. Sinterklaas was op bezoek geweest, herinnert ze zich, en zijn vriendjes hadden gevraagd of hij ook zo stout was als Zwarte Piet. Mens, denk ik dan, raap jezelf bij elkaar. Dat een kind voor zoiets schreit is niet ongewoon, maar daarom moet jíj nog niet beginnen janken.
     Of ik lees van een freelance journalist die in Taiwan – of all places – te horen kreeg dat Zwarte Piet ons koloniale verleden symboliseert.* Voor die journalist is dat aanleiding om daar enkele alinea’s lang over te zaniken. Het is door die kolonies van vroeger, beweert hij, dat we nu ‘extreem rijk’ zijn.  Och jongen, vloek ik stilletjes, kijk eens om je heen, daar in Taiwan. Daar zijn ze ondertussen toch ook flink rijk en ze hebben géén koloniaal verleden. Die rijkdom heeft alles te maken met de productiviteit van nu, en heel weinig met de rooftochten van toen.

     Ik zou op die stukjes willen antwoorden, maar iets houdt me tegen. Als ik antwoord, is het alsof ik de verdediging op mij neem van die hele zes-decembertraditie, en ik eet nog liever mijn hoed op. Zeg ik evenwel niks, dan lijkt het alsof ik mij laat afdreigen door flauwe moeders en door freelance journalisten. Wat moet ik doen? Ik zou aan Sinterklaas raad kunnen vragen, maar die doet daar niet aan, geloof ik. Marsepein en speculaas en zo, dat is meer zijn ding. En die lust ik niet.


* Het stuk van freelance journalist Jeroen Deckmyn verscheen op de radicaal-linkse site van De Wereld Morgen. Het begint met een aardige taalkundige uitweiding over de vraag : hoe vertaal je Zwarte Piet in het Chinees? Leuk. Ook vertelt de journalist over zijn verleden. Dat hij vroeger moest lachen met naïeve Amerikanen die in Zwarte Piet een racistisch symbool zagen. Voor een stuk in De Wereld Morgen, vond ik dat allemaal op een verrassend menselijke toon verteld. Daarna wordt het iets minder.

zaterdag 2 december 2017

De hoed van Beethoven*

     Van Beethoven bestaat een beroemde foto waarop hij aan het wandelen is op een pad tussen het struikgewas. Natuurlijk is het geen echte foto, want Beethoven stierf in 1827 en de eerste foto dateert pas van 1831. Het gaat hier dus om een schilderij, en wel van een zekere Julius Schmid. Het schilderij is geloof ik verloren gegaan, maar er zijn tijdig zwart-wit ansichtkaarten van gemaakt. Je zou zweren dat daarop een grofkorrelige foto staat afgedrukt.
     Wat mij aan de afbeelding boeit, is de hoed die achter de jonge toondichter aan zweeft. Je ziet ook een wandelstok, en die heeft hij stevig in de onzichtbare linkerhand. Maar die hoed, dat is een andere zaak. Die volgt de wandelaar op een zekere afstand. Misschien heeft de hoed wel een kinkoordje en heeft de getormenteerde componist dat koordje aan zijn gekromde rechterwijsvinger gehaakt.
     Negentiende-eeuwers worden vaker afgebeeld met de handen op de rug, en met in die handen een wandelstok en een hoed. Die hoed hield je als vooruitziend man best bij je, want je weet nooit wanneer je door een regenbui overvallen wordt. Maar als ondertussen het zonnetje schijnt, mag die hoed wel even van het hoofd, zonder daarbij de elegantie uit het oog te verliezen. ’t Is een wankel evenwicht waarbij enig overleg gepast is.

     Uit de iconografie blijkt dat er twee scholen hebben bestaan. Je hebt de school-Thackeray, wiens leerlingen de hoed en stok in één hand houden, de rechter, en de school-Schopenhauer die op beide handen inzet – waardoor de stok ten volle zijn ondersteunende werking kan laten gelden.
     Als ik nog eens nog eens naar een kostuumfilm kijk, zal ik erop letten hoe de heren hun hoeden dragen. Op het hoofd is goed, maar hier en daar mag er ook een heer rondlopen met de hoed op de rug. Dat heeft wel iets.


 
Thackeary door F. Walker en Schopenhauer door W. Busch

* Soms mag ik wel eens een stukje aan hoofddeksels wijden, zoals hier, hier, hier en hier.

donderdag 30 november 2017

Klasgemiddeldes op het rapport

Deze school - mijn school - behoort niet tot het GO!
     Soms wind ik mij op over niets.
     In Het Nieuwsblad van vandaag las ik dat het GO! zijn scholen aanraadt om geen gemiddeldes of medianen meer op het rapport te vermelden. Leerlingen zouden zich slechter voelen als ze zich met elkaar vergelijken, zei een woordvoerster. Ik begreep waar ze naartoe wou. Als een leerling vaststelt dat zijn punten onder het mediaan liggen, en die kans is bijna vijftig procent, dan komt zijn ‘welbevinden’ in het gedrang.
     Nu dat weer, dacht ik. Gelukkig heb ik met dat GO! niets te maken.
     ’s Avonds kwam het item op het Nieuws van vtm. En wie zie ik daar op het scherm verschijnen? Mijn eigen directeur – van het Sint-Ursula-Instituut. Dat die gemiddeldes in zijn instituut al lang waren afgeschaft, zei hij, al was het dan een nonnenschool. Zo’n mediaan zei niets over de individuele prestatie van de leerling.
     Dus – die medianen wáren bij ons al afgeschaft, en ik had er niets van gemerkt. Plots leek het allemaal zo erg niet meer.


                ‘De aarde was niet uit haar baan gedreven
                 en ’t huis was overeind gebleven’.

      ’t Systeem zonder gemiddeldes heeft trouwens ook zijn goede kant. Leerlingen met slechte resultaten moeten niet meer komen aanzetten met het excuus van een laag klasgemiddelde. De toets was veel te moeilijk meneer. Kunnen we geen hertoets krijgen? Of iedereen twee punten extra? Die krijgen zij nu niet meer.

woensdag 29 november 2017

Meertalig in de klas - Wetenschap en gezond verstand

      De voorstanders van ‘meertaligheid in de klas’, zoals de mensen van GO!, verwijzen graag naar wetenschappelijk onderzoek dat hun stelling bewijst: als je Arabisch in de klas toelaat en bevordert, zullen Marokkaantjes sneller en beter Nederlands leren. Een jonge collega van mij, een bioloog, vindt dat je dergelijk wetenschappelijk onderzoek niet zomaar kunt wegzetten als een aprilgrap. Wat ik daarvan vond?
      Mja. Met wetenschappelijk onderzoek is het volgens mij gesteld als met het oversteken van een straat: je moet goed uitkijken, en wel naar de twee kanten. Links, want – wat is wetenschap? Rechts, want – wat is onderzoek? Bedoelt men met ‘wetenschap’ zoiets als fysica, scheikunde en biologie, of worden ook de geesteswetenschappen erbij gerekend. En vooral als het over die laatste gaat – maatschappijkunde, zielkunde of opvoedkunde – wil ik graag weten hóe de onderzoekers te werk zijn gegaan: heeft men proefpersonen testjes laten afleggen, wisten die proefpersonen dat ze een testje aan het afleggen waren, heeft men aan proefpersonen gevraagd hoe ze zich voelden, heeft men feitelijke resultaten gemeten?

     Mijn eigen indruk is dat de strenge wetenschappen altijd rare conclusies opleveren. Een licht voorwerp en een zwaar voorwerp vallen even snel naar beneden. Huh? De aantrekkingskracht van de maan zorgt ervoor dat het zeewater op aarde stijgt aan de kant die naar de maan gericht is, én tegelijk ook aan de kant die van de maan verwijderd is. Nee maar! Bij zoiets springt mijn gezond verstand op nul. Voorwerpen, zeewater en manen zijn duidelijk van ander materiaal gemaakt dan mijn verstand – gezond of niet.
     Anders is dat bij de geesteswetenschappen. Daar wil mijn gezond verstand graag een woordje meepraten. Het behoort immers ook tot de wereld van de geest. Het gedrag van mensen, en wat hen drijft, daar weet déze mens wel iets van af, vooral als het gaat om domeinen waar zelfbedrog niet veel voordeel biedt. En zo helemaal fout ben ik dan meestal niet. Als ik soms iets lees van een ernstige geestenswetenschapper, dan staan daar weinig dingen in waar mijn gezond verstand iets anders over te vertellen heeft, zoals dat wel het geval is als het over de zwaartekracht en de normaalkracht gaat.*
     Gebeurt het dan toch dat een geesteswetenschappelijke studie iets anders beweert dan mijn gezond verstand en mijn ervaring mij ingeven, dan krijg ik argwaan. Ik geef toe dat ik het zelf bij het verkeerde eind kan hebben, maar door mijn slechte karakter ben ik desondanks geneigd om de fout bij de studie te zoeken. Of misschien liever nog bij de manier waarop de studie in de populaire pers werd samengevat.
     Zo was er onlangs een studie over aanstrepen met een markeerstift. Het hielp niet bij het studeren, zei de studie. Nou breekt mijn klomp, dacht ik. Bij mij heeft die markeerstift altijd geholpen. Hoe kan dat nu? Achteraf las ik hóe de studie was verlopen. Met had aan twee groepen studenten gevraagd om woordenlijsten te memoriseren. De ene groep beperkte zich tot aanstrepen van woorden, terwijl de andere groep een intensievere leermethode gebruikte. En die eerste groep had minder woorden gememoriseerd. Ja, dàt kon mijn gezond verstand weer wél aanvaarden.
     Vorige week stond iets in de krant over ‘zwarte’ basisscholen die evengoed voorbereidden op het middelbaar onderwijs als ‘witte scholen’. Hoe is dat nu mogelijk, vroeg ik mij af. Het stond allemaal in een doctoraat van Griet Vanwynsberghe en op het internet kon ik de ‘abstract’ raadplegen. Die maakte mij niet veel wijzer. Het volledige doctoraat kon ik niet opvragen en ik zou dat geleerde geschrift waarschijnlijk toch niet begrepen hebben. Gelukkig botste ik op een facebookpost van een andere doctor, Jeroen Lavrijsen, die dat doctoraat voor mij gelezen had. Het kwam hierop neer, schreef hij, dat men witte en zwarte basisscholen van gelijke effectiviteit vergeleken had. Of, om het nog anders te zeggen, men had witte en zwarte scholen vergeleken, en de verschillende effectiviteit had men uit de vergelijking weggezuiverd. Men had, zoals statistici dat noemen, de effectiviteit ‘gelijk gehouden’. Kijk, daar kon ik met mijn gezond verstand wel weer bij. Dat twee even goede basisscholen evengoed voorbereiden op het middelbaar, dat had ik altijd al geloofd, en nu was het bewezen.**

       Van een krant kun je natuurlijk niet vragen dat hij alle nuances juist heeft. Iets anders wordt het wanneer men discussieert. Wie zich in een discussie beroept op wetenschappelijk onderzoek, en óver dat onderzoek zelf niets zegt, is naar mijn smaak een beetje onbeleefd. Het minste wat zo iemand kan doen, is de methode en de besluiten van het onderzoek heel kort samen te vatten zodat de gesprekspartner zelf kan beoordelen of dat onderzoek iets van waarde toevoegt aan de discussie. Als die toegevoegde waarde er niet is, hebben we niet alleen te maken met een gezagsargument, maar tegelijk ook met een non sequitur
     Thuistalen in de klas helpen om het Nederlands van de kinderen te verbeteren, zeggen studies. Mijn gezond verstand steigert. Als ik op een Spaanse cursus in het buitenland de Vlamingen opzoek en met hen mijn thuistaal Nederlands spreek, dan stagneert mijn Spaans. Zoek ik een groepje op waar men Spaans spreekt, dan verbetert mijn Spaans. Waarom zou dat met een Marokkaans of Turks kind anders zijn? Dus: hoe minder een kind Turks en Marokkaans spreekt, en hoe meer het kind Nederlands spreekt, hoe sneller zijn Nederlands verbetert. Oefening baart kunst.
     En die wetenschappelijke studies dan? Die bestaan wel, geloof ik. Misschien zijn ze zelfs tot de volgende besluiten gekomen

  1. Kinderen die gestraft worden omdat ze thuistaal gebruiken, vinden dat niet leuk;***
  2. Marokkaantjes die wiskunde-uitleg krijgen in het Arabisch, begrijpen sneller wiskunde;
  3. Marokkaantjes die taalvaardig zijn in het Arabisch, leren sneller Nederlands dan Marokkaantjes die hun thuistaal slecht beheersen;
  4. Marokkaantjes op scholen waar extra inspanningen worden gedaan om hen iets extra bij te leren, al was het Arabisch, zullen ook op andere terreinen betere resultaten boeken, zelfs voor Nederlands.
 
     Als die studies bestaan, en ze zijn tot die besluiten gekomen, dan is daar niets bij wat ik zonder meer als een aprilgrap beschouw. Op een goeie dag wil ik dat allemaal voor gangbare munt aannemen. Maar geen enkele van de conclusies lijkt mij een argument te zijn voor Arabisch of Turks in de klas. De straffen (1) zijn een argument om een beetje redelijk met de kinderen om te gaan. De betere wiskunde (2) is een voorbeeld van kortetermijndenken. Op langere termijn zijn de leerlingen beter af met goed Nederlands zodat ze wiskunde ook in díe taal kunnen volgen. En het betere Arabisch (3, 4) zijn geen argument om de kinderen onder elkaar hun thuistaal te laten spreken; het is een argument om lessen Arabisch aan te bieden, wat geloof ik in Scandinavische landen ook gebeurt.
     Kunnen extra lessen Arabisch een hulp zijn om beter Nederlands te leren? Ik geloof het wel. Kinderen leren ook beter Nederlands door Latijn en Grieks te leren. Maar we moeten het anders bekijken. Stel, je krijgt als school vier uur extra. Je verdeelt je jonge Marokkaantjes in twee groepen. De enen krijgen vier aanvullende uren Nederlands en de anderen vier aanvullende uren Arabisch. En dan kijk je welke groep het meeste vooruitgang boekt. In het Nederlands bedoel ik.
     Zou dàt wetenschappelijk onderzoek al eens gebeurd zijn?
 
 __________
 
* Geesteswetenschappelijk onderzoek kan mij wel iets leren over tegenstrijdige tendenties. Ik heb graag veel geld en veel vrije tijd, en ik vermoed dat dat bij veel van mijn medemensen ook het geval is. Een studie over deeltijds werk kan mij dan bijvoorbeeld laten zien welke van de twee tegenstrijdige tendenties bij de meeste mensen het zwaarste doorweegt.
 
** Wat natuurlijk niet belet dat de studie ook andere minder vanzelfsprekende dingen heeft aangetoond.

 *** Ik betwijfel of dat straffen vaak gebeurt. Misschien worden sommige opgeschoten jongens wel eens gestraft omdat ze tegen het uitdrukkelijke verzoek van een leraar of lerares hun thuistaal blíjven spreken. Dat is iets anders, lijkt mij.

zaterdag 25 november 2017

Tom Meeuws vs. Bart De Wever

     Bart De Wever heeft dus ‘emotioneel gereageerd’ op het stuk van Tom Meeuws in De Morgen. Zelf heb ik uit dat stuk van Meeuws vooral veel bijgeleerd wat ik eerder niet wist, en met name over stedenbouw. Als ik ooit een wolkenkrabber wil laten neerzetten in Antwerpen, dan zal ik – weet ik nu – een hele procedure moeten doorlopen. Ik zal moeten kijken wat de bouwkundige voorschriften zijn. Mijn bouwplan zal worden beschouwd als schade aan de omgeving die ik moet compenseren door een speciale taks te betalen – de zogenaamde stedenbouwkundige lasten –waarmee dan turnzalen en parken worden gebouwd en aangelegd. En dan zal ik nog een gunstig advies moeten krijgen van de administratie. Als ik dat gunstig advies niet krijg, kan ik nog hopen dat het stadsbestuur een andere beslissing neemt. En als ik dat gunstig advies wél krijg, kunnen bewoners van de omgeving beroep aantekenen bij de provincie.
     ’t Is wat omslachtig, maar de principes zijn redelijk. Schade moet worden gecompenseerd. Verkozenen kunnen ambtelijke beslissingen ongedaan maken. En ook tegen de beslissing van de verkozenen is beroep mogelijk. Wat wil je nog meer? Als het er zo toegaat in Antwerpen, en in andere steden, vind ik dat een prima systeem.
     En Meeuws vindt dat blijkbaar ook, want hij noemt de bovenstaande regeling ‘op zich … een goede zaak’. Maar, zegt hij, het systeem wordt verkeerd toegepast.  Hij gebruikt daarvoor een reeks woorden die veel insinueren zonder iets te bewijzen: ‘perfide systeem’, ‘wie het spel meespeelt, mag meer dan een ander’, ‘geen regels’, ‘willekeur’, ‘wie geld heeft … wordt bediend’.  Meeuws zegt nog net niet dat De Wever en zijn collega’s zich laten omkopen om bouwvergunningen toe te kennen, maar misschien hoopt hij dat precies die gedachte bij de onaandachtige lezer zal blijven hangen.* Of heb ik mij met die laatste opmerking zelf schuldig gemaakt aan insinuatie?

     Meeuws ondersteunt zijn dossier met twee voorbeelden van omstreden bouwplannen: een woontoren in Hoboken en een reeks appartementsgebouwen in Borgerhout. Ik zal daar niets over zeggen. De Wever heeft beloofd dat die bouwdossiers openbaar zullen worden gemaakt en ik heb daar geen probleem mee, zolang ik ze niet moet lezen. Maar dat bouwplannen altijd omstreden zijn, dat wist ik al als kind. Mijn grootouders wilden twee slaapkamers laten bijbouwen, en de buren dienden een dossier in wegens ‘derving van licht en lucht’. In de buurt waar we nu wonen zouden twee percelen worden samengevoegd en op zo’n manier bebouwd dat niet veel meer over zou blijven van onze bosomgeving. Wij hebben daartegen verzet aangetekend en de samenvoeging heeft niet plaatsgevonden. En toen onze vroegere buren een scheidingsmuurtje optrokken van afgedankte pallets heeft het niet veel gescheeld of we hadden de politie erbij gehaald. Dat er dus ook in Antwerpen over bouwplannen geredekaveld wordt, hoeft ons niet te verwonderen.
     Verder schijnt Meeuws bezwaren te hebben tegen hoogbouw in het algemeen, want de bouwprojecten die hij vermeldt gaan over respectievelijk zestien en negen verdiepingen. Dat is een kwestie van smaak. Voor mij kan er niet hoog genoeg gebouwd worden. Ik vind Manhattan de mooiste plek ter wereld. Ik denk nog vaak terug aan die zondagochtend dat ik met mijn toen veertienjarige zoon de grote Avenues van de stad affietste. Een heerlijk gevoel was dat. En ik lees met plezier dat Christian Rapp, stadsbouwmeester van Antwerpen, ook graag in de hoogte denkt. Maar ik woon niet in Antwerpen – ik mag er met mijn oude dieselwagen zelfs niet binnen – en ik maak mij daar dus niet druk over.
     Waar ik mij ondertussen wel druk over maak is de zoveelste onnadenkende en onsamenhangende commentaar in mijn Nieuwsblad. Peter Mijlemans vat de opinie van Meeuws als volgt samen: ‘Het huidige bestuur verkoopt de stad uit aan de hoogste bieder.’ Hij vindt dat ‘gechargeerd’ en ‘niet altijd correct’. Maar de reactie van Bart De Wever vindt Peter ook ‘gechargeerd’ want: ‘Niemand heeft zijn integriteit in vraag gesteld. Een schijn van partijdigheid wel.’ Wat is dat nu voor een zin, die laatste zin? Heeft die ‘schijn van partijdigheid’ nu iets in vraag gesteld, of werd ze zélf in vraag gesteld? Eén ding is zeker: ze was niet het onderwerp van Meeuws zijn stuk.** Dàt, tenminste, zou duidelijk moeten zijn.

     Zó. Nu heb ik ook eens emotioneel gereageerd.

_______________

 * Mocht de onaandachtige lezer nog twijfelen, dan is Meeuws ook bereid om het duidelijker te formuleren zoals hier: “Wie met een zak geld het bureau van schepen Rob Van de Velde binnenwandelt, kan in Antwerpen alles gedaan krijgen.” Over de banden die Tom Meeuws zelf onderhoudt met de bouwsector, zie hier.
 
** De ‘schijn van partijdigheid’ kwam wél ter sprake in de eerdere klacht van Groen tegen het stadbestuur. Maar die ging over een heel andere vraag, namelijk, of leden van het stadsbestuur naar bepaalde feestjes mochten gaan. Of is dat voor Mijlemans allemaal zo ongeveer een beetje hetzelfde?

zaterdag 18 november 2017

Bart Eeckhout over de 'relletjes'

      Met het kopje hierboven heb ik u, beste lezer, bij de neus genomen. Bart Eeckhout heeft van de week in De Morgen twee stukjes (hier en hier) geschreven over het Brusselse straatgeweld en hij heeft daarbij niet, zoals De Standaard de week ervoor (hier), het vergoelijkende woord ‘relletjes’ gebruikt. Bart Eeckhout gebruikt net heel flinke taal: de gewelddadige jongeren zijn ‘idioten’, ‘asociale onruststokers’ en ‘crapuultjes’. Hij gebruikt nog net niet de ruwe term ‘kutmarokkanen’ die in de kolommen van Het Laatste Nieuws verscheen. Eeckhout heeft de gouden regel begrepen: als je slappe praatjes in de aanbieding hebt, kun je beter sterke woorden gebruiken.
     Eeckhout behandelt in zijn twee stukjes de vraag wat de overheid moet doen om het straatgeweld te bestrijden. Politieoptreden en gevangenisstraf zijn volgens hem niet voldoende. ‘Die overheid,’ schrijft Eeckhout ‘kan niet garanderen dat jongeren zich gedragen … Maar ze kan bijvoorbeeld wel het recht op degelijk onderwijs garanderen.’
     Ordehandhaving en onderwijs, ’t is een oude kwestie en ik kom er nog op terug. Maar zoals Eeckhout ze formuleert, haalt hij beleid en garantie op succes door elkaar. De overheid kan wel politie op straat sturen, maar ze kan niet garanderen dat de crapuultjes zich daardoor laten afschrikken, en de overheid kan ook wel onderwijs aanbieden, maar ze kan evenmin garanderen dat dat onderwijs degelijk is.
     Eeckhout schrijft dat in veel Brusselse scholen ‘deplorabele’ toestanden heersen. Kinderen worden naar een school gestuurd waar ‘het onderbemande en onderbetaalde onderwijspersoneel … dweilt met de kraan open’. Daar klopt niets van, behalve dat van de dweil en de kraan. Kinderen worden niet naar zo’n school ‘gestuurd’ want ons land heeft gelukkig vrije schoolkeuze.* Onderbetaald en onderbemand? Er zullen heus wel financieringsproblemen zijn maar het onderwijspersoneel wordt in die scholen geloof ik hetzelfde betaald als in andere scholen en er zullen ook wel evenveel leraren zijn per aantal leerlingen.
     U hebt mij niet horen zeggen dat die ‘deplorabele’  toestanden in de Brusselse scholen niet bestaan. Die bestaan juist wel. En de oorzaak ligt, vrees ik, bij dezelfde crapuultjes die de straat onveilig maken. Zelf zou ik in zo’n school geen les willen geven, al bood men mij een miljoen en al plaatste men, om ook het probleem van de onderbemanning op te lossen, een co-teacher naast mij. Mocht men in zo’n school een ijzeren tucht willen en kunnen afdwingen, dan wil ik het overwegen, maar daar zal meer voor nodig zijn dan extra financiële middelen.

     Eeckhout schrijft dat gepast repressief optreden tegenover de jonge geweldenaars het ‘gemakkelijke deel’ van de opdracht is. Waar haalt hij dat toch vandaan? De laatste weken hebben net laten zien dat dat ‘deel’ helemáál niet gemakkelijk is. Snel ter plaatse zijn met voldoende politiemensen, ter plaatse oppakken van minderjarige geweldplegers, snelle en efficiënte straffen uitspreken– het stelt allemaal ernstige problemen op het bestuurlijke, juridische en menselijke vlak. Wetgeving moet worden aangepast. Strafinstellingen moeten worden bijgebouwd of omgevormd en vernieuwd. En dan moet de PS-burgermeester mee willen werken en dient er ook nog eens een politieke consensus te worden gevonden met oppositiepartijen als CD&V.
     Ik wil Eeckhout zijn standpunt niet verkeerd voorstellen. De man pleit niet tégen politieoptreden en uitsluitend vóór meer geld naar de scholen. Politieoptreden en welvarende scholen zijn allebei belangrijk, schrijft hij. ‘Laten we niet in de luie redenering trappen dat de ene beleidskeuze de andere uitsluit.’ Maar ook hier is weer van alles fout. Je kunt ten eerste niet in een redenering ‘trappen’.** Er is ten tweede niemand die de redenering aanhangt. En ten slotte, mocht al iemand die redenering aanhangen: zij is zeker niet ‘lui’. Het is net ‘lui’ om géén keuzes te maken en géén rangorde vast te leggen.
     Ik weet niet of Eeckhout lui is. Hij heeft in elk geval op het vlak van geweldbestrijding zíjn rangorde uitgekiend. Bij die rangorde is  repressie noodzakelijk, maar krijgt onderwijs de voorrang. Degelijk onderwijs staat voor preventie, betekent winst op de lange termijn en is de kerntaak van de overheid. Dat zijn goede argumenten, maar onvoldoende om de vraag van de voorrang te beslechten. Tegen alle drie valt immers wel iets in te brengen. Misdaadpreventie door onderwijs –  akkoord, maar een streng strafbeleid heeft ook al menig aankomend straatboefje afgeschrikt. Onderwijs efficiënter op de lange termijn – misschien, maar die lange termijn is nogal speculatief nu blijkt dat integratieproblemen met allochtonen generatie na generatie erger worden. Onderwijs als kerntaak van de overheid – mja, maar er zijn lange periodes in de geschiedenis geweest dat onderwijs werd verstrekt door private of kerkelijke organisaties. Dat is voor repressieve ordehandhaving slechts uitzonderlijk het geval geweest.

     De twist over het beste middel tot misdaadbestrijding is al lang aan de gang. In 1834 bijvoorbeeld zei Victor Hugo dat Frankrijk de lonen van zijn tachtig  beulen beter zou gebruiken om zeshonderd leraren te betalen.*** Dat zou het beste middel zijn om misdaad en prostitutie te voorkomen. Wie weet? Ik ben zelf erg blij dat we in een land leven met meer leraren dan politiemannen. We besteden gelukkig veel meer middelen aan onderwijs dan aan ordehandhaving. Maar als het op ordehandhaving aankomt, geloof ik dat het zwaartepunt toch het beste ligt ... bij ordehandhaving.

 _____________
 
* Als bijna alle Franstalige scholen in Brussel ‘deplorabel’ zijn, en dat kan best, dan blijft er in de praktijk van die vrije schoolkeuze niets meer over. Dàt is natuurlijk wél waar.

** Ook elders gaat Eeckhout creatief om met de taal. ‘Natuurlijk treffen leerkrachten geen schuld,’ schrijft Eeckhout. Is de opiniërende hoofdredacteur van mening dat die leerkrachten het onderwerp van de zin uitmaken in plaats van het lijdend voorwerp? Of wil hij Mia Doornaert jennen die laatst voor die fout waarschuwde op de televisie en daarna nog eens in De Standaard? ’t Is mogelijk. Maar verder schrijft hij ook: ‘Natuurlijk treffen scholen daar geen verantwoordelijkheid.’ Welja: ik tref geen verantwoordelijkheid, jij treft geen verantwoordelijkheid, wij treffen geen verantwoordelijkheid ... Onze taal is in voortdurend in beweging. (Met dank overigens aan Herman Jacobs die mij wees op enkele taalfoutjes in míjn stukje.)


*** Tachtig … zeshonderd … dat is een behoorlijke loonkloof.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.