dinsdag 19 september 2017

De troost van de muziek


     Ik was niet van plan om zondag naar de uitzending over Theodore Dalrymple te kijken. Ik zou ze wel opnemen en er later eens naar kijken. Maar omdat mijn vrouw en mijn zoon wel aan het kijken waren, heb ik me ook maar op de sofa genesteld. Dalrymple was vriendelijk – met een tikje zelfspot –,  minder zelfzeker dan in zijn boeken, aarzelend zelfs. Over de godsdienst was hij erg middle-of-the-road. Hij was niet gelovig, dat niet, maar hij was ook niet antireligieus. Veel mensen haalden troost uit hun geloof, zei hij.
     Zou dat waar zijn, van die troost? In de generatie van mijn ouders en grootouders geloofden ze allemaal min of meer – toch in mijn familie. Zouden die allemaal troost in hun godsdienst hebben gevonden? Je kunt zoiets aan de gelovigen zelf vragen natuurlijk, maar de antwoorden die je dan krijgt, zijn niet erg betrouwbaar. De mensen zijn slecht ingelicht over hun eigen motieven, schreef Karel van het Reve.
     Waar ik wel in geloof is de troost van de muziek, en wel op die ogenblikken dat je troost nodig hebt. Niemand zal mij kunnen verwijten dat ik te veel aandacht besteed aan huishoudelijk werk. Als ik gegeten heb, laat ik gewoon alles op de eettafel staan, behalve de bederfelijke waren die in de koelkast moeten. Soms breng ik iets naar het aanrecht. Maar een uur voor mijn vrouw thuiskomt – en dat is ‘s avonds laat – slaat de angst toe. Dan begin ik met tegenzin de tafel af te ruimen, bruikbare etensresten op te bergen, de vaatwas van gisteren leeg te maken, de nieuwe vaat voor te spoelen, de vaatwas te vullen, pannen schoon te maken, enzovoort. Ik doe dat niet graag. En omdat ik heel traag werk, en mijn werk voortdurend onderbreek, duurt het ook nog eens lang. Schopenhauer beweert dat de mens heen en weer wordt geslingerd tussen ellende en verveling, maar tijdens huishoudelijk werk slaag ik erin me tegelijk ellendig te voelen én me te vervelen.
     Dat is nu allemaal anders. Ik heb onlangs het Wohltemperierte Klavier in huis gehaald, in de versie van Glenn Gould. Sindsdien verlang ik bijna naar de avondlijke huishoudklus, want het is een reden om de preludes en de fuga’s in de woonkamer te laten weerklinken. Wat is dat toch voor wonderlijke muziek! Nochtans was er een tijd dat ik dat Wohltemperierte niet lustte. De stukjes muziek leken mij een onbegrijpelijke klankenbrei. Ik heb ze eens, vijftien jaar geleden ongeveer, allemaal beluisterd op een lange busreis. Ik werd er lichtjes misselijk van. Dat kan natuurlijk ook aan het geschommel van de bus hebben gelegen.
     In een beroemd gedicht schrijft Lars Gustafsson dat er ooit een wereld moet zijn geweest waar de muziek van Bach nog niet bestond. Dat kan best waar zijn voor laat ons zeggen de Brandenburgse Concerten. Prachtige muziek, maar ‘t is muziek uit de pruikentijd. Die muziek bestond niet in de vroege middeleeuwen, en ook niet in de antieke wereld. Maar Das Wohltemperierte Klavier? Die muziek moet altijd hebben bestaan, zoals het Amerikaanse continent en het periodieke stelsel. Alleen moest ze nog worden ontdekt, net zoals dat continent en dat stelsel. Bach heeft hier de rol gespeeld van Columbus voor hem en Mendeljev na hem.
     Gufstafsson moet dat geweten hebben. Als je het gedicht aandachtig leest, zegt hij nergens dat de muziek vroeger niet bestond – alleen dat hij niet werd gehoord, dat hij niet werd gespeeld. Het Muzikalisches Opfer en het Wohltemperierte ‘waren nog nooit over een claviatuur gegaan,’ schrijft hij. Overal had je ‘onwetende instrumenten’. En dat is waar natuurlijk. Maar die noten, die volgorde en die samenklank, die moeten altijd hebben bestaan. Die zijn eeuwig.


Zie ook hier en hier.

zondag 17 september 2017

# Opkuisen

     In Keerbergen, waar ik woon, zie je ze niet vaak, maar in de Brusselse Noordwijk schijnt er een probleem te zijn met transitmigranten. In het Maximiliaanpark, lees ik, verblijven er tussen de vijfhonderd en zeshonderd van die mensen. Ze hebben geen verblijfsvergunning, sterker nog, ze willen geen verblijfsvergunning – ze willen alleen doorreizen naar Groot-Brittannië waar ze, helaas voor hen, niet welkom zijn.
     Zo’n situatie is niet gezond. Die vluchtelingen kunnen nergens terecht. Ze zoeken elkaar op, er komen er meer en meer, en voor je het weet krijg je zoals in Calais onhoudbare toestanden. En onhoudbare toestanden, dat weet iedereen, kunnen heel lang aanhouden. Dat kan dan weer leiden tot ‘overlevingscrimininaliteit’ waarbij de verschoppelingen der aarde brave burgers overvallen om een brood te stelen, zoals in een 19de-eeuws melodrama.  Dat is niet leuk als het om jouw brood gaat, dat je net bij de Turkse bakker om de hoek hebt gekocht. Je hebt genoeg geld om een tweede brood te kopen, maar daar gaat het niet om. De overval geeft je een gevoel van onveiligheid – hetzelfde gevoel van onveiligheid waar de transitmigranten ook onder lijden en dat volgens dr. Stephanie De Maesschalck leidt tot een verstoorde lichamelijke ontwikkeling, een versneld genetisch verouderingsproces, diabetes, angstaanvallen, depressies en slaapstoornissen. En dat is niet alles. In de buurt van zo’n transmigrantenpark kunnen hardvochtige kapitalisten opduiken – alweer zoals in een 19de-eeuws melodrama – aasgieren op zoek naar rechteloze vluchtelingen die ze dan aan een heel laag loon tewerkstellen terwijl ze tegelijk geen cent aan sociale bijdragen betalen.
     Hier moet worden opgetreden, zullen velen onder mijn lezers denken, menselijk, binnen de wet, maar kordaat. En dat betekent onder andere dat af en toe een groepje transitmigranten in het Maximiliaanpark moet worden gearresteerd. Theo Francken heeft in een tweet verslag gedaan van zo’n arrestatie en daar de hashtag ‘opkuisen’ aan toegevoegd. Na protest van alle kanten heeft hij de hashtag nader verklaard: ‘Ik kuis geen mensen op. Ik kuis problemen op.’ En voor de zekerheid heeft hij de hashtag verwijderd. Maar dat soort excuses overtuigt niet en de negatieve reacties bleven komen.
     Bij die negatieve reacties kan ik mij het beste vinden in die van Mark Van de Voorde, oud-hoofdredacteur van Kerk en Leven en gewezen speechschrijver van Yves Leterme en Herman Van Rompuy.  Van de Voorde geeft in ronde woorden toe dat er inderdaad een probleem is. Hij schrijft dat er ‘iets moet worden gedaan opdat de overlast aan het Brusselse Noordstation eindigt.’ En hij onderkent de complicatie van migranten die hier verblijven maar die hier geen asiel willen aanvragen. Je zou kunnen zeggen dat de opvattingen van Van de Voorde,  van Francken en van mij tot daar overeenkomen. Maar er zijn ook verschillen. Van de Voorde vindt het woord ‘opkuisen’ ongepast hard taalgebruik en dat vind ik ook, maar Francken blijkbaar niet. Verder meent de oud-hoofdredacteur dat met het woord ‘opkuisen’ de transitmigranten worden gelijkgesteld aan ‘zwerfvuil’. Dat vind ik dan weer een overhaaste conclusie.
     Of Francken transmigranten echt voor zwerfvuil aanziet,  kunnen Van de Voorde en ik niet weten. Slechts de Allerhoogste heeft het vermogen om hart en nieren te schouwen. Wat we wel weten is dat het stoere taalgebruik van Francken behoort tot een bepaald soort politiek spel dat door velen wordt gespeeld. Enige tijd geleden sprak Caroline Gennez over leerlingen uit het beroepsonderwijs als over ‘jongens met vuile handen’. Zelfs onze zachtaardige minister van Onderwijs vergeleek nog niet zo lang geleden slecht presterende leraren met ‘rotte appels’. ’t Is het soort kranige taal dat in een krantenkop terechtkomt, of, als soundbite, in het Het Journaal of in Het Nieuws.*
     Wat evengoed tot het politieke spel behoort, is de verontwaardigde reactie van politieke tegenspelers die de uitspraak zo ongunstig mogelijk interpreteren**. Als Francken twittert over ‘opkuisen’, twitteren de oppositiepartijen en coalitiepartners over ‘de menselijke waardigheid’. Een linkse brildrager staat op en haalt de Lingua Tertii Imperii van Victor Klemperer uit de kast. En je ziet zoiets ook aan de andere kant van het politieke areaal. Toen Gennez haar uitspraak deed over de vuile handen verweet Koen Daniels haar dat ze een minachtende houding aannam tegenover een deel van de leerlingenpopulatie: ‘U blijft technische richtingen hier “de leerlingen met de zwarte handen” noemen. Hoe durft u?’ Daniels, die ik anders graag mag lijden, wist donders goed dat Gennez haar uitspraak niet minachtend had bedoeld. Maar de kans was te mooi om te laten liggen. Vooral omdat Gennez zich in haar tussenkomst zelf ook aan ergerlijke demagogie had bezondigd.
     Voor mij is dat allemaal niet nieuw. In 1973 was aan de middelbare scholen beroering ontstaan rond een plan om de legerdienst te vervroegen. Om de gemoederen van de Menense scholieren te bedaren kwam een heuse kolonel in de feestzaal van ons college uitleg geven over het plan. Op een bepaald ogenblik zei hij iets over paarden. Een medeleerling sprong verontwaardigd op en riep: ‘Hoe durft u ons met paarden vergelijken? Wij zijn geen paarden.’ Groot applaus was zijn deel.


* Dat die krachtige taal van ‘opkuisen’ en ‘vuile handen’ en ‘rotte appels’ – wat ook de bedoeling er van zij – ondertussen bij de bevolking een kwalijk beeld bewerkstelligt van transitmigranten, beroepsonderwijsleerlingen en leraren – dat zal ik niet ontkennen.

** De morele verontwaardiging die volgt op enkele sterke woorden van een politieke tegenstander – ’t is de norm. Het is het omgekeerde dat opvalt en een verklaring behoeft. Op de rotte-appelenuitspraak van onze minister van Onderwijs bijvoorbeeld is bij mijn weten weinig reactie gekomen. Toch is ook dat begrijpelijk. Geen leraar wilde de verdenking op zich laden dat hij zelf een slechte presteerder was. Niemand wou bij wijze van spreken voor rotte appel doorgaan. De christelijke vakbond was zelfs bijzonder mild. Misschien was het omdat de minister zelf tot de christelijke arbeidersbeweging behoort. Maar ‘t was niet de hoofdreden, geloof ik. Iemand die het politieke spel speelt, kijkt altijd verder dan de bewoordingen van een andere speler, ook al laat hij het anders voorkomen. In het geval van onze minister was het duidelijk. Iedereen begreep waarom ze zo’n stoere taal gebruikte. Het was om te verbergen dat zij niet van plan was om maatregelen te nemen tegen die slechte presteerders.


zaterdag 16 september 2017

Grote oren

     Ik las van de week – ik weet niet meer waar – iets over de beroemde televisiejournalist Maurice De Wilde (1923-1998). Dat hij in zijn interviews achteraf vragen monteerde die hij tijdens het gesprek zelf niet had gesteld. Een beetje zoals die gladde William Hurt deed in de film Broadcast News. Dat is niet helemaal netjes. Door zo’n montage achteraf krijgen de antwoorden van de geïnterviewde misschien een kleur die ze eerst niet hadden. Mijn leerlingen mogen dat wel eens doen in een geschreven interview – een vraag toevoegen ter verduidelijking, of om een heel lang antwoord te onderbreken – maar dan moeten ze hun tekst achteraf – mét toegevoegde vragen – eerst laten goedkeuren door hun slachtoffer. Dat moeten ze trouwens altijd doen.
     Oudere televisiekijkers zullen zich herinneren dat Maurice De Wilde een groot talent had om boos te kijken. Hij is nog een poosje onderwijzer geweest, en ik ben blij dat ik nooit van hem les heb gekregen. Zijn truc was, geloof ik, om niet zomaar een boos gezicht op te zetten, zoals ik soms doe, maar om de naakte woede in zijn diepste binnenste na te sporen, aan te wakkeren en daarna los te laten op zijn gesprekspartner. De ergste uitbarstingen werden daarna weer weggemonteerd want een grondige postproductie werkt, net zoals de antieke retorica, zowel met toevoeging als met weglating.
     In de jaren tachtig ondervroeg De Wilde, voor de nationale televisie, allerlei nazicollaborateurs. Eerst ondervroeg hij hen van man tot man, en als ze dan hun mond voorbij hadden gepraat, moesten ze voor de camera hun bekentenissen woord voor woord herhalen. Deden ze daar moeilijk over, dan bleef De Wilde woest doorvragen tot ze toegaven dat ze landverraders waren, dat ze dat altijd waren geweest, en dat ze dat in de toekomst weer zouden zijn mocht de gelegenheid zich voordoen. En dat ze op 24 september 1942 om dertien voor tien, en niet om half tien, zoals ze nu leugenachtig beweerden, in het ‘Vlaamsch Huis’ een borrel hadden aangenomen van
Obersturmbannführer Hans Totenkopf. Je zag in de ogen van die collaborateurs het wanhopige verlangen om voor heel even weer te vertoeven in de veilige geborgenheid van een zonnige winterdag aan het Oostfront.
     Ik vond die interviews van De Wilde machtig interessant, vooral omdat ze voor mij weinig nieuws bevatten. Wat die  bejaarden aan De Wilde vertelden, sloot mooi aan bij de verhalen over de witten en de zwarten die ik van mijn vader, mijn moeder en mijn grootmoeder had gehoord. Een ding viel mij wel op. Al die oud-collaborateurs hadden enorm grote oren. Nu wist ik wel dat het Arische ras volgens sommigen te onderscheiden is van de andere door hun loshangende oorlellen. Toen Von Ribbentrop een diplomatiek bezoekje bracht aan Stalin, had Hitler hem opgedragen om de oorlellen van zijn rode ambtgenoot te inspecteren – zij hingen los. Maar dat Arische oren ook groter waren, had ik nog nooit gehoord.
     Ondertussen is het raadsel opgelost. In 1995, dus kort na het afsluiten van De Wildes televisiereeks, publiceerde Dr. James Heathcote een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat menselijke oren na het dertigste levensjaar met 0,22 millimeter per jaar blijven groeien. Het heeft iets met het kraakbeen te maken. Heathcote onderzocht ook waarom het vooral mannenoren zijn die blijven groeien. Het antwoord is eenvoudig. Het is niet zo. Vrouwenoren blijven ook groeien. Maar bij mannen valt het meer op omdat ze gemiddeld korter haar hebben en vaker kaal zijn.
     Het is onbegrijpelijk dat het tot eergisteren heeft geduurd voor  het onderzoek van Heathcote de fameuze Ig Nobel prijs* voor bezopen onderzoek kreeg toegekend. De prijs bedraagt tien biljoen Zimbabwaanse dollar, maar dat is heel wat minder dan je zou denken. Eén keer, in 1999, werd de prijs toegekend voor sociologie. Men is daarmee gestopt. Het moest een beetje eerlijk blijven.
 
* Ig Nobel – ignoble, nu snap ik het.

zaterdag 9 september 2017

De vrije concurrentie volgens Lenin

     Ik heb nog les gehad van de excentrieke taalkundige Karel van den Eynde. Enkele keren per jaar herhaalde hij dat er maar één wetenschappelijke methode bestaat: die van ‘gissen en missen’. Later leerde ik de uitdrukking ‘trial and error’, en nog later, bij Karl Popper, leerde ik de uitdrukking ‘conjecture en refutation’ en zelfs ‘hypothesis and falsification.’ Zoals je ziet, ik werd altijd maar geleerder.
     Karel en Karl zullen wel gelijk hebben gehad – wat de wetenschap betreft, en de methode van gissen en missen. In de kapitalistische economie bestaat de methode trouwens ook. Daar heet ze ‘vrije concurrentie’. Er worden voortdurend nieuwe spullen uitgetest: auto’s met drie koplampen, verschillende soorten videobanden, New Coke, grotere, kleinere, bredere en smallere mobieltjes … Die producten gaan in de winkels de concurrentie aan met andere producten. Een eerste verovert de wereld, een tweede gaat stilletjes ten onder, een derde verwerft een niche met een klein maar fijn publiek. Maar aan het einde van de rit heeft iedereen wat hij wil: de klant heeft zijn spullen, de werknemer krijgt zijn loon en de kapitalist telt zijn centen.
     Tegenover dat kapitalisme met zijn vrije concurrentie hebben marxisten altijd een tweeslachtige houding aangenomen. In zijn populaire brochure Socialisme van utopie tot wetenschap (1880) klaagde Friedrich Engels dat de concurrentie tussen bedrijven leidt tot chaos, anarchie en verspilling. Maar hij gaf tegelijkertijd toe dat die concurrentie de ‘individuele fabrikant verplicht om zijn machinerie te vervolmaken’, wat toch mooi meegenomen was. De kapitalistische vrije concurrentie had technologische vooruitgang gebracht, had een ‘vooruitstrevende rol gespeeld’, misschien niet meer in 1880, maar dan toch in het verleden.
     Bij Lenin zien we die tweeslachtigheid ook. Hij was natuurlijk van mening dat de vrije concurrentie in Rusland best vervangen werd door een netjes geplande economie, maar, anderzijds – helemaal slecht was die concurrentie ook weer niet. Integendeel zelfs, als je erover nadacht was het niet onder het kapitalisme maar juist onder het socialisme dat de vrije concurrentie tot grote bloei kon komen. In zijn beroemde artikel ‘Hoe moeten we de concurrentie organiseren’ van december 1917 schrijft hij, herhaaldelijk – want hij hield van herhalingen –, dat net het socialisme meer ruimte bood aan concurrentie, initiatief, verscheidenheid en pluralisme, en dat vooral voor de ‘werkende massa’s’.
     Neem het probleem van de rijken, de profiteurs en de luieriken. Lenin beweert in zijn artikel dat er ‘duizenden verschillende manieren’ bestaan om die te registreren en onder controle te houden. Nu gebruikt een communist gemakkelijk het woord ‘duizenden’ als hij ‘enkele’ bedoelt, maar we mogen aannemen dat Lenin hier echt hoopte op een heel grote verscheidenheid. Om de fabriekscomités, volksvergaderingen en andere werkgroepen op de goede weg te helpen, reikte hij zelf vijf bescheiden ideetjes aan. ‘Op de ene plaats wordt een half dozijn rijken, profiteurs of luieriken in de gevangenis gestopt. Op een andere plaats moeten ze de toiletten schoonmaken. Op een derde plaats worden ze voorzien van een gele ‘kaart’ zodat ze ook na hun vrijlating uit de gevangenis voor iedereen herkenbaar zijn, en dat tot ze zich volledig hebben bekeerd. Op een vierde plaats wordt één op elke tien luieriken ter plaatse neergeschoten. Op een vijfde plaats wordt een deel van de rijken, van de burgerlijke intellectuelen, en van het crapuul – het deel dat voor verbetering vatbaar is – weer voorwaardelijk vrijgelaten.’
    Lenin was hier in een milde bui. Wie hem een beetje kent, weet dat hij een zwak had voor openbaar neerschieten en ophangen als voorbeeldstraf. Het is daarom merkwaardig dat hij zijn eigen remedie – ‘op de vierde plaats’ – geen hoger statuut toekende dan de overige, waarbij we nog moeten bedenken dat ook ‘duizenden’ andere remedies welkom waren. Blijkbaar wilde Lenin zijn mening dit keer echt niet opdringen. Als voorloper van het moderne management wist hij dat je moet kunnen afwisselen tussen top-down en bottom-up.
     Maar management is nog geen kapitalisme en concurrentie is nog geen vrije markt. Lenin beschouwde de Russische maatschappij als een groot maatschappelijk laboratorium waar de werkende massa’s allerlei experimenten konden uitvoeren. Verschillende werkwijzen konden worden uitgetest. Maar wie moest de resultaten van die experimenten beoordelen? Dat moest gebeuren door Lenin zelf, of het Sov-nar-kom, of het CC, of het politburo, of het orgburo – de communisten hadden uitgerekend dat je met die afkortingen heel wat tijd kon winnen.
     In de vrije markt gaat dat anders. Daar moeten producten en initiatieven twee keer examen afleggen. Een eerste keer worden de frisdranken, waspoedertjes, odeurtjes en mobieltjes uitgetest in het laboratorium. Chemici, programmeurs, geurkundigen enzovoort proberen allerlei dingen uit. Sommige van die producten komen nooit verder dan de tekentafel of de reageerbuis, andere brengen het tot prototype, nog andere worden op de markt gebracht. De beslissing daarvoor ligt bij de bedrijfsleider en de eigenaars. Maar dan komt het tweede examen. Er moeten kopers worden gevonden. Die kopers kunnen zich laten leiden door eigen smaak, krenterigheid of zucht naar luxe, door grote reclamefoto’s op rondrijdende bussen, of door een zuur consumentenmagazine. Maar per slot van rekening moeten ze bereid zijn om vrijwillig hun geld af te staan voor die rommel. Dat is een heel ander verhaal dan dat van Lenin.

zaterdag 2 september 2017

De Guimardstraat en de vrijheid van onderwijs


     Rond 1 september komen er in de krant stukjes die ik graag lees. Scribenten spreken dan hun vertrouwen uit in de ‘leraar voor de klas’. Crevits zegt in een interview dat de leraar meer ‘ruimte’ moet krijgen. Koen Daniëls vertelt aan ieder die het horen wil dat de leraar in zijn vrijheid wordt beknot en dat daar een einde aan moet komen. Het mooiste stuk vond ik dat van acht academici onder de sprekende titel: ‘Geef de klas terug aan de leraar’. Zulke zaken wil ik het hele jaar door lezen, want de vrijheid van de leraar is mij lief. Ik ben zelf leraar.
     Jammer genoeg legt mijn baas, Lieven Boeve, een andere klemtoon. Hij is ook voor vrijheid hoor, maar dan een beetje anders: ‘De vrijheid van onderwijs,’ zegt hij in De Standaard van 29 augustus, ‘heeft dus niet in de eerste plaats te maken met de vrijheid van de leraar om in de klas te doen wat hij wil (behalve de eindtermen dan), maar ligt bij het schoolbestuur dat onderwijs aanbiedt volgens zijn pedagogisch project.’ Juridisch gezien heeft Boeve hier gelijk, maar zelf bekijk ik de vrijheid van onderwijs graag wat breder. De vrijheid van de ouders om zelf een school te kiezen – wat Boeve trouwens ook aangeeft. De vrijheid van de Guimardstraat om scholen van de katholieke koepel te bestoken met richtlijnen en adviezen. De vrijheid van zo’n katholiek schoolbestuur om die richtlijnen fijntjes naast zich neer te leggen. De vrijheid van de leraar om zijn les, ondanks eindtermen en leerplannen, zo interessant mogelijk te maken. De vrijheid van de leerling om het allemaal even saai te vinden. Zoals ik al aangaf: die voorlaatste vrijheid is mij het liefste. Bij Boeve is dat anders. Als het over vrijheid gaat, heeft hij zelfs moeite om het woord leraar te gebruiken. Hij spreekt dan liever van lerarenteams.
     Rond de kwestie van de onderwijsvrijheid zijn Lieven Boeve en Koen Daniëls (N-VA) elkaar van de week in de haren gevlogen. Boeve verweet Daniëls dat die vanuit de overheid de vrijheid van het Katholiek Onderwijs dichtbetonneerde en Daniëls verweet Boeve dat die de vrijheid van het Katholiek onderwijs misbruikte om diezelfde vrijheid binnen zijn eigen scholenkoepel dicht te plamuren. Aanleiding van de discussie waren de eindtermen en de leerplannen – waar ik nu even niet op in ga. Maar de twee bouwkundige termen betonneren en plamuren werpen ook een algemenere vraag op: wat is het ergste voor het onderwijs: het koepeldirigisme of het staatsdirigisme? Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen of het Vlaamse Parlement? De Guimardstraat of de Hertogstraat? Op die vraag heb ik geen principieel antwoord. Het is een kwestie van nuances, proporties en afwegen. Ik geloof, met Daniëls, dat het dirigisme van de Guimardstraat vandaag het ergste is, maar ik zou daarover niet graag in discussie gaan met iemand die het dossier kent, zoals Boeve.
     Een heel andere vraag is deze: welke van de twee soorten dirigisme – koepel of staat – is de gevaarlijkste? Daar heb ik wel een principieel antwoord op: dat van de staat. Als Boeve dus verklaart dat de typisch Belgische onderwijsregeling, met zijn netten en koepels, beoogt ‘het onderwijs te beschermen tegen al te grote overheidsbemoeienis’, dan ga ik, een beetje bedremmeld –  want ’t is nog altijd Boeve –, toch náást hem staan. Als hij daaraan toevoegt dat ook ‘democratisch verkozen overheden in de verleiding kunnen komen om de opvoeding van de kinderen ideologisch te sturen’, en dat hij, Boeve, daar tegen is, dan mompel ik zelfs stilletjes: bravo!
     Het gaat mij daarbij niet om wat de huidige bewoners van de Guimardstraat of van de Hertogstraat waard zijn. Van Boeve heb ik geen hoge pet op, maar misschien wordt hij opgevolgd door iemand met een gezondere kijk op het onderwijs. Wie weet? ’t Is ook mogelijk dat een volgend Vlaams parlement een rood-groene meerderheid heeft, met Caroline Gennez als minister van Onderwijs. Mocht dat laatste gebeuren, zou ik het in elk geval fijn vinden om dan onder de paraplu van de Guimardstraat te kunnen schuilen voor de stortvloed aan nivelleringsdecreten en bureaucratiseringsoekazes waar ik Caroline toe in staat acht. Als die paraplu dan tenminste openklapt.
     Ik geloof niet dat de vrijheid van ons onderwijs – voor ouders, schoolbesturen, leraren en kinderen – afhangt van de welwillendheid van 1-septemberscribenten en idealistische politici. Die vrijheid hangt minstens evenveel af van een ordening die door een gril van de geschiedenis vorm kreeg. De zogenaamde ‘schoolstrijd’ heeft er bij ons toe geleid dat een sterke en onafhankelijke katholieke koepel mee het onderwijslandschap bepaalt. Dat is een beetje bizar, want er bestaat tenslotte geen katholieke wiskunde,  geen katholieke fysica of geen katholiek Frans. Maar ook met gewone wiskunde, fysica en Frans heeft het katholieke onderwijs een dominante plek veroverd die zelfs door de moderne ontkerkelijking niet meteen wordt bedreigd.
     Wat daarentegen wel bedreigd wordt, is de vrije schoolkeuze – en ik leg straks uit wat die met de katholieke koepel te maken heeft. In De Standaard van gisteren lees ik op de eerste bladzijde een pleidooi van de professoren De Witte en Hindricks om de schoolkeuze van de ouders te ‘reguleren’. ‘Natuurlijk vinden ouders dat niet leuk,’ schrijven de professoren, ‘maar het draait niet alleen om hun keuze.’ Dat is dan fijn om te weten. En nog: ‘Wij zijn voorstanders van een inschrijvingsbeleid dat een sociale mix waarborgt.’ Ja, er kan altijd wel een grote kelder worden vrijgemaakt op een of ander ministerie waar een legertje bureaucraten en statistici bij kunstlicht de schoolgaande jeugd aan de verschillende scholen toewijzen volgens percentages die die van de maatschappij  weerspiegelen: zoveel jongens, zoveel meisjes, zoveel kinderen van éénprocenters, zoveel kinderen uit kansarme gezinnen, zoveel kinderen met migratie-achtergrond, waarop dan weer verder kan worden opgesplitst in Turken, Marokkanen, Berbers enzovoort, daarbij liefst ook rekening houdend met verschillen tussen eerste, tweede, derde en vierde generatie immigranten. Of willen de professoren het zover niet drijven en volstaat een grovere indeling van de categorieën en een ruwere schatting van de percentages? Dat maakt de zaak er niet beter op.
     Zulke verklaringen in de krant doen mij niet meer opschrikken. Ik verslik mij bij wijze van spreken niet in mijn koffie als ik zoiets lees, alhoewel ik nochtans stukjes schrijf. Het is volstrekt normaal dat maakbaarheidsprofessoren de vrije keuze van de ouders in vraag stellen. Het is volstrekt normaal dat nanny state politici door zulke professoren op ideeën worden gebracht. Het is bovendien volstrekt normaal dat sommige ouders dat allemaal niet eens zo erg vinden. Want zou de ene school nu zoveel beter zijn dan de andere? Getuigt het niet van zelfingenomenheid om je kind per se naar de beste school te willen sturen? En weet je als ouder dan welke school de beste is voor je kind? Trouwens, met een stelsel van administratieve toewijzing zouden er ook geen scholen meer zijn met te veel of te weinig leerlingen. En dan moeten ouders niet meer kamperen voor de schoolpoorten om er zeker te zijn dat ze hun kinderen nog kunnen inschrijven. En verder: het systeem van ‘gereguleerde schoolkeuze’ bestaat al in zoveel landen, en de treinen rijden daar nog altijd.
     Toch ben ik er redelijk gerust in dat, ondanks maakbaarheidsprofessoren en nanny state politici, de vrije schoolkeuze in ons land morgen nog niet wordt afgeschaft. Die gemoedsrust dank ik aan de Guimardstraat. De lui die daar vergaderen en richtlijnen schrijven, zijn in maakbaarheidsdenken gewaagd aan elke sociologieprofessor. Ze moeten niet onderdoen voor gelijk welke nanny state politicus als het erom gaat een betuttelende houding aan te nemen tegenover ouderlijke amateurs die, stel je voor, zomaar zelf beslissingen nemen over de opleiding van hun kind. Maar de lui van de Guimardstraat kunnen de vrije schoolkeuze van de ouders niet afschaffen of beperken. Als ze dat zouden doen, zouden ze immers tegelijk ook de vrijheid van hun eigen koepel in gevaar te brengen. Dat gaan ze niet doen, geloof ik, en daar ben ik blij om.
     Leve de Guimardstraat!

zondag 27 augustus 2017

Van Louis Tobback naar Robert E. Lee

     Voor mij is het allemaal begonnen in 2006 met Louis Tobback die in Leuven het Maarschalk Fochplein wilde laten omdopen tot het Plein van de Hemelse Vrede.
     Daarvoor was ook wel eens iets in die richting gebeurd. In Duitsland werd in 1945 een Adolf-Hitler-Straße plots weer gewoon Marienstraße; in Rusland werden borstbeelden van Stalin eind de jaren vijftig discreet verwijderd uit openbare gebouwen; en op TV hebben we zelf gezien hoe een klein groepje Irakezen in 2003 het standbeeld van Saddam Hoessein neerhaalde. Ik vond dat normaal want Hitler, Stalin en Saddam waren geen frisse jongens. Ze hadden joden laten vergassen, boeren laten verhongeren en politieke gevangenen laten folteren. Straatnamen, borstbeelden en standbeelden die er gekomen waren om die mannen te eren, werden veranderd, verwijderd of neergehaald om ze te onteren. Net goed.
     Maar hoe zat dat met maarschalk Foch (1851-1921) waar Tobback zo op gebeten was? Die had geloof ik niemand laten vergassen, verhongeren of folteren? Tobback voerde aan dat de maarschalk ‘tijdens de eerste wereldoorlog miljoenen doden op zijn geweten had.’ Dat is niet geheel bezijden de waarheid. In veldslagen die door Foch werden geleid, kwamen honderdduizenden om, waaronder zijn zoon en zijn schoonzoon. Toch was het niet Foch die tot die oorlog besloten had. Het waren de autocraten, de politici, de diplomaten en de journalisten die het kwaad hadden gesticht. De generaals hadden er weinig mee te maken – die voerden uit – behalve misschien die halve gare Oostenrijker Conrad von Hötzendorf (1852-1925) die graag een oorlog wilde om indruk te maken op zijn minnares.
     Foch werd verweten dat hij bij zijn aanvallen honderdduizenden van zijn soldaten opofferde voor enkele kilometers terreinwinst, zoals bij de slag aan de Somme. Maar die kilometers terreinwinst waren niet het doel van de aanval geweest. Foch wou die Duitsers helemaal uit Frankrijk verdrijven. Had Foch op voorhand geweten dat zijn leger slechts enkele kilometers terreinwinst zou maken, had hij die hele aanval wel afgeblazen. Wat je Foch en zijn collega’s wél kunt verwijten, is dat hun aanval mislukte. Maar ’t was ook niet gemakkelijk. Als twee ongeveer even sterke legers tegenover elkaar ingegraven zijn, is het inderdaad erg moeilijk om meer dan enkele kilometers terreinwinst te boeken en om daarbij minder slachtoffers te hebben dan de partij die in de loopgraven blijft. Ludendorff (1865-1937) slaagde daar soms in, maar ik geloof niet dat de burgemeester van Leuven met een Ludendorffplein genoegen had genomen.
     Nu, misschien kun je Foch als militaire leider wel een misdadige lichtzinnigheid aanwrijven. Had hij het anders aangepakt, dan waren misschien een paar honderdduizend Fransen minder, en een paar honderdduizend Duitsers meer gesneuveld. Dat lijkt het moderne inzicht te zijn. Het was niet de mening van mijn grootoom die vier jaar at, dronk, rookte, sliep en gebombardeerd werd in de loopgraven, en die veel achting had voor Foch. Het was niet de mening van Boorman die vond dat ‘de tous les généraux de la grande guerre, le maréchal Foch est certes celui qui offre au prodigieux et inépuisable thème de la gloire nationale les plus admirables ressources.’
     Ik wil graag aannemen dat mijn grootoom en Boorman zich vergisten. Bovendien is er niets dat ons belet om vandaag een ander, misschien hoger moreel standpunt in te nemen dan toentertijd. Wie dat graag wil kan vandaag zijn verontwaardiging uitspreken over elke misstand uit het verleden die hij kan bedenken: de galeislaven in het oude Rome*, de wrede hertog Alva (1507-1582) en zijn bloedraad te Brussel, Giordano Bruno (1548-1600) op de brandstapel na veroordeling door de Inquisitie. Die toestanden kunnen allemaal, zoveel jaren na dato,  aanleiding zijn tot gerechtvaardigde woede. Het is weliswaar beter om de geschiedenis van de mensheid te verkennen ‘sine ira et studio’, maar we zijn ook maar mensen en wrok en sympathie zijn nooit ver weg uit ons hart.
     Er bestaat een andere omgang met de geschiedenis die mij veel verwerpelijker lijkt: men neemt een hedendaags dispuut over ethiek, politiek of maatschappij en dan gaat men oude stukken geschiedenis oprakelen om zijn tegenstrever een vlieg af te vangen. Je wil het onder grote mensen hebben over de godsdienst in de samenleving –  en daar komt iemand aandragen met Giordano Bruno. Je wil iets zeggen over het islamisme –  en de kruisvaarten (1096-1271) worden erbij gesleurd. Ik heb een Spaanse vriendin die  in een discussie over de Brexit plots over het perfide anti-Spaanse beleid van Elizabeth I (1533-1603) begon. Het gesprek krijgt door zulke geschiedkundige verwijzingen een symbolische lading waardoor men geen stap verder meer geraakt. Het is beter geloof ik in zulke gevallen de geschiedenis thuis te laten.
     De trammelant in Charlottesville rond het standbeeld van Robert E. Lee (1807-1870) en het naar hem genoemde park lijkt mij van dezelfde aard. De Zuidelijke generaal was één van de weinige aantrekkelijke leiders in de Amerikaanse burgeroorlog, tussen al die onbenullen, dronkaards, narcisten en psychopaten. Maar actievoerders en leden van het stadsbestuur van Charlottesville willen het standbeeld weg en het park hernoemen. Lee was immers een voorstander van de slavernij. Wordt aangetoond dat Lee géén voorstander van de slavernij was, dan moet men iets verder gaan zoeken – zeker als men in de geschiedenisles niet goed heeft opgelet omdat men met actievoeren bezig was. Goed dan:  Lee was tegen stemrecht voor analfabete zwarten. Ongetwijfeld. En als men alle standbeelden van Amerikanen die tegen dat stemrecht waren wil weghalen, is men nog even aan de gang. Misschien kan men beginnen met die van Woodrow Wilson (1856-1924), nochtans een icoon van het humanisme en de progressiviteit.
     Het rassenvraagstuk in de Verenigde Staten is 150 jaar na de burgeroorlog nog lang niet opgelost. De gemiddelde zwarte heeft bijvoorbeeld een lager inkomen dan een gemiddelde blanke. Hoe komt dat? Welke mechanismen zijn hier aan het werk? Gaat het om een – eventueel onbewuste – racistische reflex van blanken die zwarten niet willen aannemen voor goedbetaalde banen? Of gaat het om een verongelijkte houding van zwarten die racisme als excuus gebruiken om geen moeite te moeten doen om zo’n goedbetaalde baan te krijgen? Dat is een ernstige discussie.
     In Charlottesville zagen we de twee mechanismen tegelijk. De Alt-right, de Ku Klux Klan en de neonazi's, die om beurten in Charlottesville door de straten trokken, staan voor een blank racisme dat in die vergaande vorm een randverschijnsel is, maar in mildere vorm breder aanwezig kan zijn.** De actievoerders tegen het standbeeld van Lee staan voor een verongelijkte instelling die de zwarte bevolking wordt aangepraat. Als de zwarte activist Rick Turner het in zijn hoofd haalt Lee een ‘terrorist’ te noemen, is dat niets meer dan slechte geschiedenis. Je kunt het vergelijken met Tobback die Foch een ‘massamoordenaar’ noemt: geschiedkundige verontwaardiging die niet al te duur betaald werd. Maar als de vice-burgermeester Wes Bellamy spreekt over een standbeeld dat ‘beledigend is voor bepaalde delen van de gemeenschap’ – als hij klaagt dat ‘veel mensen geen voet in het park willen zetten vanwege de naam en waar ze symbool voor staat,’ dan is dat een oproep tot rancune en ressentiment, gevoelens waar de zwarte bevolking in het verleden weinig voordeel mee heeft behaald.
 
* Classicus Michel Berger laat mij weten dat galeislaven in het oude Rome, in weerwil van wat de Nederlandstalige Wikipedia beweert, heel uitzonderlijk waren. Goed dan: slaven in de zoutmijnen. Als Ben Hur (1959) niet accuraat is, dan misschien toch Spartacus (1960).

** Het is wrede ironie dat een zo beschaafd en edelmoedig man als Lee werd gehuldigd door lieden die in ongeveer alle opzichten zijn tegenbeeld zijn.

zondag 20 augustus 2017

Barcelona: terreurbestrijding en drogredenen

De Ramblas in Barcelona
     Enige tijd geleden schreef ik iets over moslimterreur. Een heel linkse vriend stuurde daarop een antwoord. Of we niet beter een voorbeeld namen aan de Spanjaarden die al sinds 2004 geen aanslagen meer hadden gehad? Dat kwam door hun verstandig beleid, zei hij. Wat dat verstandig beleid was, ben ik vergeten. Ik heb er ook toen niet veel aandacht aan besteed omdat ik dacht: de denkfout van de kleine getallen. Er zijn in Europa sinds 2004 ongeveer 42 islamistische aanslagen geweest en er zijn een 50-tal Europese landen. Het is onvermijdelijk dat er een aantal landen zijn waar géén aanslagen zijn, en enkele andere waar bovengemiddeld veel aanslagen zijn. ‘Bovengemiddeld’ is hier trouwens een verkeerd woord, omdat het  een hachelijke zaak is om bij zulke kleine getallen over gemiddeldes te spreken. En dan kijk je ook beter uit voor je allerlei oorzakelijke verbanden gaat leggen tussen beleid en aanslagen in één bepaald land.
     Toch had de uitspraak van mijn vriend ook iets leuks. Ze was namelijk, wat Popper noemt, falsifieerbaar. Ze is nu ook – helaas – gefalsifieerd door de aanslag op de Ramblas*. Zo’n falsificatie laat niet toe om oorzakelijke verbanden te bevestigen, maar wel om ze te weerleggen. Peter Mijlemans doet dat in Het Nieuwsblad van verleden zaterdag. ‘De aanslagen zijn geen wraak op landen die de IS bombarderen,’ schrijf hij. ‘Spanje zit niet in de coalitie.’ Dat lijkt mij een zuivere redenering, ook al komt ze van Mijlemans. Maar omdàt ze van Mijlemans komt, heb ik ze voor de zekerheid nog eens nagerekend.

·         Als IS een aanslag pleegt in een niet-bombarderend land, is het niet uit wraak om die bombardementen.
·         IS pleegt een aanslag in een niet-bombarderend land.
·         Dus die aanslag was niet uit wraak om die bombardementen.  

Modus ponens! Als P dan Q, P dus Q of, wiskundiger: P Q, P Q. Een correcte bevestiging van de antecedens! De redenering geldt als correct sinds de Griekse stoici en in elk geval minstens sinds Gotlob Frege de propositielogica uitvond. En ook zonder de Grieken en zonder Frege was Mijlemans stelling juist geweest, want dat die IS-aanslagen niet gebeuren uit wraak om die bombardementen, dat weet iedereen die het wil weten. En die weet ook waarom ze wel gebeuren.
     Na die succesvolle modus ponens gaat Mijlemans overmoedig verder. Hij meent nu dat de aanslagen ook bewijzen dat meer antiterreurmaatregelen geen zin hebben. ‘Wie pleit voor nog meer betonblokken, nog meer para’s, heeft na Barcelona weinig verweer. Na de aanslagen in Madrid … bouwde Spanje een veiligheidsnetwerk uit waar elk Europees land jaloers op is. Het kon deze slachtpartij niet voorkomen … Op een gegeven ogenblik zijn er nooit genoeg betonblokken en zwaarbewapende agenten en para’s om jongelui volgetankt met haat te stoppen.’
     Hier worden een aantal beweringen gedaan die in syllogistische vorm eigenaardig zouden klinken.

·         Onze terreurbeveiliging is ontoereikend
·         Alles wat ontoereikend is moet niet worden verbeterd.
·         Onze terreurbeveiliging moet niet worden verbeterd.

     Moet die tweede premisse hier niet juist omgekeerd zijn? Is het niet datgene wat toereikend is dat niet moet worden verbeterd? Mijlemans zou kunnen antwoorden dat terreurbeveiliging meer is dan alleen para’s en betonblokken. Ik ben wel zeker dat hij inderdaad zoiets zou antwoorden. Maar als hij even nadenkt zal hij ook wel inzien dat door in de eerste premisse ‘terreurbeveiliging’ anders in te vullen, daarmee het probleem van zijn tweede premisse niet opgelost raakt.
     De denkfout van Mijlemans wordt wel eens de Nirvana fallacy genoemd – de overtuiging dat alleen het ideaal goed genoeg is.  Als het ideaal dan toch niet bereikbaar is, zeggen de Nirvana-mensen, dan hoeft het gerommel in de marge ook niet.** Althans, dat zeggen ze soms. Je zult merken dat de meeste van die lui niet altijd aan hun Nirvana gehecht zijn. Zou Mijlemans op dezelfde manier redeneren over de verkeersveiligheid als over de para’s en de betonblokken? Zou hij ooit schrijven: ‘Wie pleit voor verdere verkeersveiligheid heeft weinig verweer. Zelfs met strenge snelheidsbeperkingen en heraanleg van alle risicowegen, zullen er nog altijd verkeersdoden vallen.’ Ik denk niet dat hij ooit zoiets zou schrijven. Ook in het Nirvana hou je het beter politiek-correct.
     Het is merkwaardig dat Mijlemans juist de aanslagen in Catalonië gebruikt voor zijn rare stelling. De aanslag van donderdag in Barcelona werd inderdaad niet verhinderd, maar dat kwam geloof ik niet omdat er te veel politie aanwezig was, of omdat er te veel betonblokken op de straat lagen. Het kwam, geloof ik omdat er te weinig politie aanwezig was en omdat er geen betonblokken op de straat lagen? Omgekeerd werd de aanslag van vrijdag in Cambrils wel verhinderd omdat er wel politieagenten waren en omdat die politieagenten de terreurzaaiers klemreden en doodschoten. Het heeft met logica weinig te maken – want voorbeelden bewijzen niets – maar Mijlemans zou zijn voorbeelden toch beter kunnen kiezen.
     Toegegeven: ook al zijn de argumenten van Mijlemans fout, zijn conclusie kan nog juist zijn.*** Misschien moeten er inderdaad niet verder middelen gestoken worden in politie, para’s en betonblokken. Misschien zijn andere werkwijzen doelmatiger. Maar als dat zo is, moet dat blijken uit een nauwkeurige studie van de feiten en een afweging van de voors en de tegens. Wat werkt, wat werkt niet, wat werkt goed, wat werkt beter. En ook: wat zijn de keerzijden van die of die werkwijze? Wat zijn de de trade-offs?
     Jammer genoeg wordt de discussie over de doelmatigheid vergiftigd door het wensdenken waar we allemaal zo gemakkelijk het slachtoffer van zijn.  Er is een heel areaal van mogelijke antiterreurmaatregelen die werken of niet werken: meer straathoekwerkers, betere opleiding van de imams, controle op het islamonderwijs en op de moskeeën, meer afluisterapparatuur voor de politie zoals in The Wire, meer politiebeveiliging op straat, breder mandaat voor de para’s, ethnic profiling, afspeuren van het ‘deep web’, inschakelen van infiltranten en tipgevers, landsgrenzen sluiten, wettelijk verbod op jihadistische propaganda, preventieve opsluiting van geradicaliseerde islamisten, ondervraging met marteling …
     Niet elke maatregel hierboven is ethisch verdedigbaar. Ook kunnen sommige maatregelen op korte of lange termijn een bedreiging vormen voor de vrijheid van iedereen. Als je wat mystiek bent aangelegd, of lid van het CD&V, kun je je zorgen maken over welke schade een antiterreurbeleid toebrengt aan het ‘maatschappelijk vertrouwen’ en de ‘duurzame samenleving’ en ‘het sociale weefsel’. Maar die discussies over ethiek en vrijheid en vertrouwen en duurzaamheid moeten om redenen van intellectuele eerlijkheid worden losgekoppeld van de doelmatigheidsvraag.
     Neem dat martelen van terreurzaaiers. Obama was er tegen en ik ben er niet voor. Maar elke keer als ik hem of iemand anders op televisie hoorde beweren: ‘torture doesn’t work’, of ‘torture makes people confess to anything’, nog eens versterkt met het gezagsargument ‘the science is clear on that’ – elke keer dacht ik bij mijzelf: wat hebben die bekentenissen er mee te maken? Jij, Obama, gelooft niet dat martelen nuttige inlichtingen oplevert omdat je dat niet graag gelooft. Want als blijkt dat bepaalde martelingen wél helpen om inlichtingen te verzamelen, dan zul je de CIA heel moeilijk kunnen tegenhouden. En dàt gevolg aanvaard je niet graag. Zoals, geloof ik, Mijlemans die para’s en de betonblokken niet graag aanvaardt.****
     Van Eemeren en Grootendorst – mooie naam, Grootendorst – brengen die vorm van wensdenken onder bij het argumentum ad consequentiam. Je vervalt daarin als je ‘uitspraken van feitelijke aard probeert te ontkrachten door te betogen dat ze onwelgevallige consequenties met zich meebrengen.’ Terecht voegen de argumentatietheoretici daar nog aan toe: ‘Een feitelijke uitspraak is waar of onwaar, en dat staat los van de eventuele onprettige gevolgen die eraan verbonden zijn.’


* Ik zie het mijn vriend nog niet doen, maar eigenlijk zou hij nu kunnen zeggen: ‘Catalonië is het echte Spanje niet.’ Voor die drogreden heeft Antony Flew een naam bedacht: de No-true-Scotsman move.

** Le mieux est l’ennemi du bien, schreef Voltaire.

*** Wie gelooft dat een foutieve redenering vanzelf uitloopt op een foutieve conclusie begaat de fallacy fallacy.

**** Hier zou je kunnen spreken van een intentieproces van mijnentwege.

dinsdag 8 augustus 2017

Opscheppers

     De beroemde dichter Dante Alighieri (1265-1321) kende geen Grieks. Dat is geen schande. Weinig geleerden in zijn tijd kenden Grieks. Zelfs Petrarca die een halve eeuw later leefde en heel vlijtig studeerde, kende geen Grieks en kwam daar rond voor uit. Maar Dante spreekt over de taal alsof hij ze wél kent. Ergens schrijft hij terloops over de onvertaalbaarheid van gedichten. De muzikale eigenschappen kan men niet overbrengen van de ene taal naar de andere, zegt hij. En als een kenner gaat hij verder: ‘Hierdoor komt het dat men Homerus niet uit het Grieks in het Latijn heeft vertaald, zoals men dat met de andere geschriften van de Grieken wel heeft gedaan.’
     Dan krijg je toch een beeld van Dante die voor het ontbijt een zang van de Illias leest, met de lintjes van zijn kap speelt en dan zucht: ‘Nee, dàt vertalen, daar is geen beginnen aan. Zoals Homeros het houwen van de zwaarden weergeeft in de klanken van zijn woorden, dat kunnen wij niet in ons Latijn of ons Italiaans.’
     Het doet me denken aan die keer dat Hugo Claus ontvangen werd in het boekenprogramma van Bernard Pivot. Pivot prees de schitterende vertaling van Het verdriet van België - Le chagrin des Belges – waarop Claus hem vroeg of hij, Pivot, dan Nederlands kende. Claus ergerde zich merkbaar aan het bekakte sfeertje van het programma. Toen het gedaan was, slaakte hij een zucht. Minstens een luisteraar meent gehoord te hebben dat Claus bij die gelegenheid stilletjes zei: ‘Krabbelanmegatski’.

zaterdag 5 augustus 2017

Collega Brinckman over feiten en meningen

     In Knack van vorige week interviewt Walter Pauli zijn collega Bart Brinckman van De Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en ‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine jongen uit Road to Perdition die als enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is mooi, zo’n zelfbeeld.
      Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
  •  Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
  • sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
  • de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Misschien is dat niet allemaal waar en is er ook wat fantasie bij – wie weet? – maar laten we voor het gemak de fantasieën dan maar onder de feiten rekenen.
     Dan Brinckmans meningen:
  • Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
  • een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
  • het is onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Dat eerste vind ik ook, over dat tweede heb ik geen mening en over dat derde wil hier iets zeggen.
     Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
    Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
     Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
     De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
     Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
     Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
     Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
     Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.

* Letterlijk formuleerde Brinckman het als volgt: ‘Bij de federale verkiezingen (in 2010) had Bart De Wever de N-VA dat jaar naar een landslide geleid. U kent het vervolg: de N-VA probeerde samen met de PS een regering te vormen en dat mislukte. In die periode heeft De Standaard de kant gekozen van de partijen die hun nek uitstaken om een nieuwe regeringsvorming te laten slagen. Op de redactie leefde het gevoel: ‘Het is goed geweest.’ We vonden ook dat De Wever een historische kans had gemist. Dat is nog altijd onze overtuiging. Dus kwam er in de kolommen al meer kritiek op de N-VA dan zij gewend waren.’
  
** Vroeger was mijn hang naar opinie nog veel heviger. Als zestienjarige was ik verzot op het opinieblad De Nieuwe van de onlangs overleden Mark Grammens. Ik was er trots op dat ik zo’n ‘moeilijk’ blad las. In mijn grootheidswaanzin besloot ik dan ook maar meteen Le Monde Diplomatique te gaan lezen. Dat viel tegen. Het blad was niet alleen in het Frans, het stond ook vol feiten. En die feiten waren niet eens in zo’n slagorde opgesteld dat je zag wie de goeien en wie de slechten waren. Wat kon het mij interesseren wat het hooggerechtshof in Chili beslist had, of hoe de economische situatie in dat land was. Ik wou lezen dat Pinochet een moordenaar was en Allende een verrader. Feiten die die stellingen ondersteunden waren welkom.

***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant dus, en als de kwaliteit van die opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is lastig en wil alles tegelijk.

*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares oportet … At opinio facillime sumitur.

Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/

zondag 30 juli 2017

Brinckman vs De Wever vs Brinckman

      Laatst ontsnapten twee nogal boosaardige gevangenen toen ze moesten verschijnen voor de Antwerpse rechtbank. Journalist Bart Brinckman van De Standaard had kritiek op Burgemeester Bart De Wever omdat die de schuld van zijn eigen politiepersoneel doorschoof naar Justitie. Het was de politie die ‘geblunderd’ had, beweerde Brinckman. (hier)
         Ik zal het antwoord van De Wever niet samenvatten, want je kunt het hier nalezen. Wat mij bezighoudt is De Wever zijn conclusie. Die luidde als volgt: De Standaard zou er beter aan doen de schrijfsels van Brinckman te plaatsen daar ‘waar ze thuishoren: op de opinie-pagina’s.’ Is dat zo? Ik geef daar les over in het vijfde jaar. ‘Het verschil tussen een bericht en een commentaar’ staat er bovenop de dia’s die ik projecteer. En met ‘commentaar bedoel ik ‘opiniestuk’.
     Eerst moeten mijn leerlingen aandacht leren hebben voor de uiterlijke kenmerken van een krantenstuk. Gebruiken we die maatstaf  voor het stuk van Brinckman, dan hebben we geen commentaar maar een bericht: kop én bovenkop, credit (van onze redacteur), vermelding van plaats (Brussel), een ‘lead’ als begin en ten slotte een thematische foto met onderschrift. Eén van die vijf kenmerken is niet genoeg, maar als die vijf  kenmerken samenkomen, ja, dan gaat het meestal om een bericht.
     Die uiterlijke kenmerken zijn natuurlijk niet alles. Anders zou mijn examen wel erg gemakkelijk zijn. Mijn leerlingen moeten ook de taal van een stuk bekijken en daar de verschillen tussen opinie en bericht herkennen. En als we de zaak vanuit de taal bekijken, dan moeten we De Wever minstens ten dele gelijk geven. Het stuk van Brinckman bevat inderdaad veel kenmerken van een opinie. We treffen aan:
  • Hyperbolen*: blunderen, ongemeen felle uitval
  • Ironische aanhalingstekens: de ‘geëngageerde’ voorzitter van het Antwerpse Hof
  • Dode metaforen: het hazenpad kiezen
  • Retorische vragen: Wat bezielde De Wever?**
  • Suggestieve taal: De ontsnapping verleidde BDW tot een uithaal.
  • Ongenuanceerd woordgebruik: De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de lokale politie.
  • Geen of vage bronvermelding: Waarnemers denken …
  • Intentieproces: de burgermeester wilde lokaal stoken …
  • Speculaties: door toeval haalde de zaak het nationale nieuws
  • Vage insinuaties: … er wordt gespeculeerd over de rol van ...
  • Afsluiten met een pointe: Ondanks zijn uithaal had De Wever deze week geen tijd voor een gesprek met Geens.***
      Niet alle staaltjes hierboven zijn ondubbelzinnig. Ik zou de meeste niet als voorbeeld in de klas gebruiken. Maar alles samen zijn het er vrij veel voor een artikel van 549 woorden.
    Dat betekent ook weer niet dat het stuk van Brinckman losweg op de opiniepagina kan. Daarvoor bevat het toch wat te veel informatie  over wat Geens beweerd heeft, over wie nu juist verantwoordelijk is voor de transport van gevangenen, over de rol van het GEOV-team daarbij, over de onderbemanning van het Veiligheidskorps ... Dat hoort allemaal thuis in een bericht. Alleen is de informatie die ik van Brinckman krijg onvoldoende voor een lezer zoals ik.
  • Wat wordt nu precies beweerd door Geens en wat door Brinckman?
  • Wat is nu juist de verantwoordelijkheid van het Veiligheidskorps in de hele zaak?
  • Wat is het GEOV? Is dat een onderdeel van de politie of van Justitie?
  • Hoe stond het precies met de onderbemanning omstreeks 20 juli toen de gevangenen ontsnapten?
     Die informatie moet ik ergens anders zoeken. Een redelijk gedetailleerde versie van wat Geens beweert, vind ik op De Morgen.be (23.07.2017). Daaruit blijkt dat Brinckman nogal sterk leunt op Geens zijn versie, zonder al te veel aanhalingstekens te gebruiken. Op de site van de politiezone van Ieper lees ik dat een van de taken van het Veiligheidskorps bestaat uit het ‘overbrengen en bewaken van gevangenen tussen de gevangenissen en de ...  rechtbanken.’  Dus toch niet volledig de verantwoordelijkheid van de poltie? Uit Het Laatste Nieuws (20.07.2017) leer ik dan weer dat GEOV staat voor ‘Gerechtshoven en Overbrengingen’ en dat het een onderdeel is  van de Antwerpse lokale politie. En over de onderbemanning leer ik uit hetzelfde artikel dat op bijvoorbeeld 14 juli slechts 4 van de 36 leden van het Antwerpse Veiligheidskorps beschikbaar waren – en die 36, dat is nog niet de helft van de 77 die gevraagd zijn.****
     Het artikel van Brinckman presenteert zich dus als een bericht, heeft veel taalkenmerken van een opiniestuk, en bevat minder duidelijke informatie dan kortere stukken die ergens anders gepubliceerd zijn. Maar wat moeten we daaruit besluiten? Ik ben het niet zomaar met De Wever eens dat Brinckman zo snel mogelijk moet verhuizen naar de opiniepagina. Dat is al te gemakkelijk. Die jongen kan nog groeien. Als iemand hem nu eens geduldig de verschillen uitlegde tussen een bericht en een commentaar. Misschien komt alles dan nog goed.

* De recente polemiek rond Brinckman-De Wever leverde een aantal fraaie proeven van hyperbool op. De Wever sprak van ‘persoonlijk vendetta tegen hem’, Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard sprak van ‘brutaal pestgedrag jegens zijn krant’. Het verst ging Pol Deltour van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ). Hij had het over een ‘krant helemaal de afgrond in duwen’ en een ‘journalist kaltstellen’. Verder vergeleek hij De Wever met Trump, en op het VTM-nieuws zelfs met Erdogan. Voor een nuchtere benadering: zie Leo Neels zijn bijdrage.

** Dit is geen zuiver voorbeeld van een retorische vraag omdat ze past in een rijtje informatieve vragen, en er ook een antwoord op wordt geformuleerd. De woordkeuze ‘Wat bezielde’ geeft evenwel een retorische klank aan de vraag.

*** Wie het verschil wil proeven met een ‘informatieve’ – zij het wat zware – afsluiter, vergelijke met het artikel in De Morgen (23.07.2017): ‘De minister wil graag opnieuw in overleg met de Antwerpse burgemeester en de minister van Binnenlandse zaken de verzekering van de justitiële veiligheid in de nabije toekomst bespreken’.

**** Geens beweert dat die 77 alleen gevraagd zijn, De Wever beweert dat ze ook toegezegd zijn. Brinckman zou dat eens kunnen uitzoeken. ’t Zou een goede oefening zijn in het schrijven van informatieve berichten.


Dit stukje verscheen ook op http://de-bron.org/