zondag 30 juli 2017

Brinckman vs De Wever vs Brinckman

      Laatst ontsnapten twee nogal boosaardige gevangenen toen ze moesten verschijnen voor de Antwerpse rechtbank. Journalist Bart Brinckman van De Standaard had kritiek op Burgemeester Bart De Wever omdat die de schuld van zijn eigen politiepersoneel doorschoof naar Justitie. Het was de politie die ‘geblunderd’ had, beweerde Brinckman. (hier)
         Ik zal het antwoord van De Wever niet samenvatten, want je kunt het hier nalezen. Wat mij bezighoudt is De Wever zijn conclusie. Die luidde als volgt: De Standaard zou er beter aan doen de schrijfsels van Brinckman te plaatsen daar ‘waar ze thuishoren: op de opinie-pagina’s.’ Is dat zo? Ik geef daar les over in het vijfde jaar. ‘Het verschil tussen een bericht en een commentaar’ staat er bovenop de dia’s die ik projecteer. En met ‘commentaar bedoel ik ‘opiniestuk’.
     Eerst moeten mijn leerlingen aandacht leren hebben voor de uiterlijke kenmerken van een krantenstuk. Gebruiken we die maatstaf  voor het stuk van Brinckman, dan hebben we geen commentaar maar een bericht: kop én bovenkop, credit (van onze redacteur), vermelding van plaats (Brussel), een ‘lead’ als begin en ten slotte een thematische foto met onderschrift. Eén van die vijf kenmerken is niet genoeg, maar als die vijf  kenmerken samenkomen, ja, dan gaat het meestal om een bericht.
     Die uiterlijke kenmerken zijn natuurlijk niet alles. Anders zou mijn examen wel erg gemakkelijk zijn. Mijn leerlingen moeten ook de taal van een stuk bekijken en daar de verschillen tussen opinie en bericht herkennen. En als we de zaak vanuit de taal bekijken, dan moeten we De Wever minstens ten dele gelijk geven. Het stuk van Brinckman bevat inderdaad veel kenmerken van een opinie. We treffen aan:
  • Hyperbolen*: blunderen, ongemeen felle uitval
  • Ironische aanhalingstekens: de ‘geëngageerde’ voorzitter van het Antwerpse Hof
  • Dode metaforen: het hazenpad kiezen
  • Retorische vragen: Wat bezielde De Wever?**
  • Suggestieve taal: De ontsnapping verleidde BDW tot een uithaal.
  • Ongenuanceerd woordgebruik: De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de lokale politie.
  • Geen of vage bronvermelding: Waarnemers denken …
  • Intentieproces: de burgermeester wilde lokaal stoken …
  • Speculaties: door toeval haalde de zaak het nationale nieuws
  • Vage insinuaties: … er wordt gespeculeerd over de rol van ...
  • Afsluiten met een pointe: Ondanks zijn uithaal had De Wever deze week geen tijd voor een gesprek met Geens.***
      Niet alle staaltjes hierboven zijn ondubbelzinnig. Ik zou de meeste niet als voorbeeld in de klas gebruiken. Maar alles samen zijn het er vrij veel voor een artikel van 549 woorden.
    Dat betekent ook weer niet dat het stuk van Brinckman losweg op de opiniepagina kan. Daarvoor bevat het toch wat te veel informatie  over wat Geens beweerd heeft, over wie nu juist verantwoordelijk is voor de transport van gevangenen, over de rol van het GEOV-team daarbij, over de onderbemanning van het Veiligheidskorps ... Dat hoort allemaal thuis in een bericht. Alleen is de informatie die ik van Brinckman krijg onvoldoende voor een lezer zoals ik.
  • Wat wordt nu precies beweerd door Geens en wat door Brinckman?
  • Wat is nu juist de verantwoordelijkheid van het Veiligheidskorps in de hele zaak?
  • Wat is het GEOV? Is dat een onderdeel van de politie of van Justitie?
  • Hoe stond het precies met de onderbemanning omstreeks 20 juli toen de gevangenen ontsnapten?
     Die informatie moet ik ergens anders zoeken. Een redelijk gedetailleerde versie van wat Geens beweert, vind ik op De Morgen.be (23.07.2017). Daaruit blijkt dat Brinckman nogal sterk leunt op Geens zijn versie, zonder al te veel aanhalingstekens te gebruiken. Op de site van de politiezone van Ieper lees ik dat een van de taken van het Veiligheidskorps bestaat uit het ‘overbrengen en bewaken van gevangenen tussen de gevangenissen en de ...  rechtbanken.’  Dus toch niet volledig de verantwoordelijkheid van de poltie? Uit Het Laatste Nieuws (20.07.2017) leer ik dan weer dat GEOV staat voor ‘Gerechtshoven en Overbrengingen’ en dat het een onderdeel is  van de Antwerpse lokale politie. En over de onderbemanning leer ik uit hetzelfde artikel dat op bijvoorbeeld 14 juli slechts 4 van de 36 leden van het Antwerpse Veiligheidskorps beschikbaar waren – en die 36, dat is nog niet de helft van de 77 die gevraagd zijn.****
     Het artikel van Brinckman presenteert zich dus als een bericht, heeft veel taalkenmerken van een opiniestuk, en bevat minder duidelijke informatie dan kortere stukken die ergens anders gepubliceerd zijn. Maar wat moeten we daaruit besluiten? Ik ben het niet zomaar met De Wever eens dat Brinckman zo snel mogelijk moet verhuizen naar de opiniepagina. Dat is al te gemakkelijk. Die jongen kan nog groeien. Als iemand hem nu eens geduldig de verschillen uitlegde tussen een bericht en een commentaar. Misschien komt alles dan nog goed.

* De recente polemiek rond Brinckman-De Wever leverde een aantal fraaie proeven van hyperbool op. De Wever sprak van ‘persoonlijk vendetta tegen hem’, Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard sprak van ‘brutaal pestgedrag jegens zijn krant’. Het verst ging Pol Deltour van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ). Hij had het over een ‘krant helemaal de afgrond in duwen’ en een ‘journalist kaltstellen’. Verder vergeleek hij De Wever met Trump, en op het VTM-nieuws zelfs met Erdogan. Voor een nuchtere benadering: zie Leo Neels zijn bijdrage.

** Dit is geen zuiver voorbeeld van een retorische vraag omdat ze past in een rijtje informatieve vragen, en er ook een antwoord op wordt geformuleerd. De woordkeuze ‘Wat bezielde’ geeft evenwel een retorische klank aan de vraag.

*** Wie het verschil wil proeven met een ‘informatieve’ – zij het wat zware – afsluiter, vergelijke met het artikel in De Morgen (23.07.2017): ‘De minister wil graag opnieuw in overleg met de Antwerpse burgemeester en de minister van Binnenlandse zaken de verzekering van de justitiële veiligheid in de nabije toekomst bespreken’.

**** Geens beweert dat die 77 alleen gevraagd zijn, De Wever beweert dat ze ook toegezegd zijn. Brinckman zou dat eens kunnen uitzoeken. ’t Zou een goede oefening zijn in het schrijven van informatieve berichten.


Dit stukje verscheen ook op http://de-bron.org/

donderdag 27 juli 2017

Dokters, schurken en deugnieten

     Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, had weinig vertrouwen in de geneeskunde van zijn tijd. De beste dokters, schreef hij in een brief*, waren de kwakzalvers die pillen gemaakt van brood voorschreven, of gekleurd water.** Zij hielden de hoop van hun patiënt levend en bespoedigden zijn natuurlijke herstel. De meer rechtlijnige beoefenaren van het beroep daarentegen maakten meer levens kapot in één jaar “dan alle Robin Hoods, Cartouches en Macheaths in een hele eeuw”.
     Dat is een eigenaardige vergelijking.
     Om te beginnen heeft slechts één van de opgesomde misdadigers echt bestaan. Louis Dominique Cartouche (1693-1721) was een Franse dief en moordenaar die stierf op het rad. Die andere twee zijn min of meer verzinsels. Robin Hood is een held uit Middeleeuwse legenden en Macheath is een personage uit het komische stuk ‘The Beggar’s Opera’ (1728).
      Eigenaardiger is dat Jefferson zijn keuze laat vallen op drie nogal aantrekkelijke schurken: Robin Hood die steelt van belastingsambtenaren om het geld te verdelen onder de armen, Cartouche die zich geliefd maakt als grapjas, acrobaat en minnaar en, de veelwijver Macheath die zo populair is dat hij aan het eind van het stuk, op verzoek van het publiek, niet wordt opgehangen.
     Of zag men dat toch enigszins anders in de tijd van Jefferson? Is men die wetsovertreders vooral later aardig gaan vinden door de boeken van Walter Scott, de films met Reggiani en Belmondo en de antikapitalistische stukken van Bert Brecht?***
     In de taalkunde spreekt men wel van meliorisatie. Begrippen die oorspronkelijk een ongunstige betekenis hebben zoals ‘deugniet’, ‘rakker’ en ‘guit’, krijgen in de loop der jaren een onschuldiger betekenis. Het lijdt geen twijfel dat Robin Hood, Cartouche en Macheath guiten waren. Maar wat is een guit?


_______________


* De brief is van 1807. Hij was gericht aan een universiteit waar hij zijn kleinzoon wou laten inschrijven als student geneeskunde. De kleinzoon mocht de vakken biologie en chirugie volgen, maar niet het vak medicijnen.

** Uit later onderzoek bleek dat het placebo-effect van grote pillen aanzienlijker is dan dat van kleine, en ook dat rode kleurtjes beter werken dan blauwe.

** Respectievelijk: Ivanhoe (1820), Cartouche (1956 en 1962) en Dreigroschenoper (1928).
 
 
 
 

 

zondag 23 juli 2017

Kleurrijke buren

     Als kind woonde mijn moeder in het Leiedorpje Wevelgem. In het huis ernaast woonde het gezin D. Dat waren fatsoenlijke mensen want de man deed in tabak. Maar tijdens de oorlog veranderde de tabaksmarkt door schaarste en rantsoenering. Op de zwarte markt betaalde je hoge bedragen voor een pakje tabak.  D. zag zijn kans schoon. Hij ging samenwerken met Duitse officieren die wat wilden bijverdienen en kocht van iedereen rabarberbladen op waar hij de rookwaar mee versneed. Zijn winsten schoten de hoogte in.
     Je zal het vaak zien: met de rijkdom kwam het moreel verval. Mijnheer D. begon naar de hoeren te gaan en mevrouw D. kocht elke week een nieuwe hoed. Je vraagt je af wat erger is. Toen ze ook begonnen te drinken, was het oude fatsoen helemaal weg. In hun dronkenschap tierden en schreeuwden ze zo luid dat de bewoners van de belendende huizen een deel van de ruzie konden volgen. De wederzijdse verwijten kwamen in een bepaalde volgorde: op het hoogtepunt, diep in de nacht, riep mevrouw D. dan: ‘Moordenaar! Moordenaar!’ Mijn moeder vertelt dat nogal rustig. ‘Ja, misschien had D. wel iemand vermoord. Een smokkelaar wellicht. Dat gebeurde.’
     Naast het gezin D. woonde mevrouw W. Mevrouw W. was niet fatsoenlijk. Mevrouw W. was heel gemeen. Tijdens de oorlog scharrelde zij met Duitse soldaten. Ze bood ook haar brave dochter aan die soldaten aan. Het kind moest toch ‘het leven’ leren kennen, nietwaar.  Het spreekt vanzelf dat zo’n gedrag niet onbestraft bleef. Na de oorlog werd mevrouw W. door een groep vrouwen over de straat gesleept en kaalgeschoren. Het kappersgezelschap stond onder leiding van mevrouw G. Die mevrouw G. moet ook een hele gemene vrouw geweest zijn, denk je dan. ‘Helemaal niet,’ zegt mijn moeder. ‘Die had alleen een slechte inborst.’
     Naast mevrouw W. woonde mevrouw K. Mevrouw K. was een seut.

zaterdag 22 juli 2017

Marseille (France)

Om de tuin te bereiken moet je aan deze affiche naar rechts afslaan
     In Marseille verbleven we in een vroegere kloosterschool. Dat was in het oude stadsdeel Le Panier. Een ondernemend echtpaar had een verdieping van het gebouw vertimmerd en verbouwd tot mooie gastenkamers. De bedden waren goed, de hoofdkussens zacht en het ontbijt lekker. Dat ontbijt namen we in een heerlijk verwilderde tuin. Un jardín rebelde, zoals een Spaanse vriendin dat noemt, het soort tuin dat mij altijd doet denken aan chique hippies, bohemien kasteelbewoners en een mei 68 zonder barricades.
     Voor mij had het logement een nadeel. Om de tuin te bereiken moest je door een doolhof van gangen en trappen en ik heb veel last om mij in de ruimte te oriënteren. Volgens Jan, die geneeskunde studeert, heeft het te maken met mijn hippocampale ‘place cells’. Daar moet iets mis mee zijn.
     Maar de goede gastheer en gastvrouw hadden rekening gehouden met de ruimtelijk uitgedaagde medemens. Op verschillende plaatsen in de gangen hadden ze affiches opgehangen die als herkenningspunten dienst konden doen. Op een bijzonder moeilijke tweesprong hing een grote affiche van de filmtrilogie Marius-Fanny-César. Dan moest ik naar rechts. Dan de deur openen met de rode sleutel. Dan rechtdoor. De deur openen met de groene sleutel, en ik was in de hippie-tuin.
     Met die grote affiche was ik erg ingenomen, want ik hou van Pagnol en vooral van zijn drie toneelstukken die zich aan de haven van Marseille afspelen. Ik moet zeven geweest zijn toen ik de film Fanny zag met Leslie Caron en Horst Buchholz en ik vond dat toen de mooiste film die ik ooit had gezien, en Fanny het mooiste meisje.* Toen ik een jaar Franse les gaf, moesten mijn leerlingen elke week één scène uit die stukken lezen, waar ik ze dan streng over ondervroeg.
     Marseille doet anders niet veel rond Pagnol en rond de trilogie. Er is geen straatnaam, standbeeld of museum. Hier en daar is er een etablissement dat naar de schrijver verwijst, of naar zijn helden César, Panisse of de oude Escartefigues. Veel is het niet. We hebben ook gezocht of er misschien voorstellingen waren. Het enige wat we vonden, was Pagnol Ma Vie, waarin een komiek, zijn eigen leven vertelde, ‘onderbroken en aangevuld door de bekendste scènes uit het oeuvre van Pagnol’. Hij deed dat in Le Quai du Rire, een zaaltje vlak naast het jeugdtheater ‘Badaboum’. ‘Dat klinkt niet erg serieus,’ zei mijn vrouw.
     We zijn toch maar een kijkje gaan nemen. Aan de kassa zat een kerel die er zelf als een komiek uitzag. Of er nog plaatsen waren voor Pagnol Ma Vie? Nee, die voorstellingen waren afgelast. Hoe kwam dat? ‘Le comédien n’a plus envie,’ zei de man aan de kassa eraan toe. Hij zei het op een grappige manier.
     Sindsdien heeft Jan er een nieuwe uitdrukking bij. Als ik iets flauws zeg, antwoordt hij nu, uit de hoogte en zonder een spier te vertrekken: ‘Hou dat maar bij voor de Quai du Rire.’ En dan denk ik bij mezelf: ‘Le comédien n’a plus envie’.

* Van die film herinner ik mij alleen het volgende: een vrouwenstem roept: ‘Fanny! Fanny!’, een veelkleurig vliegengordijn wordt opzij geschoven, en Fanny komt het café binnen. Ze heeft een lieve glimlach.

woensdag 19 juli 2017

Dijon (France)

    Als kind las ik over een boer die bij het ploegen een aarden pot ontdekte, met het geheimzinnige opschrift MJDD. Een geleerde onderzocht de pot, besloot dat hij Romeins van oorsprong was en veronderstelde dat het onderschrift betekende: Magno Jovi Deo Deorum. Wat later kreeg hij een brief van een winkelier: het was een mosterdpot en het opschrift betekende Moutarde Jaune De Dijon.
     Dit jaar hebben we op onze terugkeer uit het Zuiden Dijon aangedaan en ik moet zeggen: ’t is een aardig stadje. De voetbalclub, wist Jan, speelt in de Ligue 1, wat mooi is. Omdat we laat arriveerden in het hotel, wilden we meteen iets gaan eten. We vroegen aan de jonge baliemedewerker wat hij ons kon aanraden.
     De medewerker had een vakkundige glimlach. Hij klonk als een vliegtuigpiloot die tijdens de vlucht zijn passagiers toespreekt - zinnen uitgebracht in één lange ademtocht, met eerst een lange stijgende toon en daarna een lange dalende. ‘This is your captain speaking. We are currently cruising at an altitude of 33,000 feet //at an airspeed of 400 miles per hour. The weather looks good and with the tailwind on our side // we are expecting to land in Honolulu approximately fifteen minutes ahead of schedule.’ Zoiets, maar dan met ‘bon restaurant’, ‘bien manger’, ‘prix raisonables’, ‘ambiance charmante’ en ‘à seulement dix minutes à pied d’ici’. Hij zei ook nog iets van ‘Emile Zola’ en zetten een kruisje op het stadsplan.
     Het was allemaal nogal snel gegaan en Jan en ik waren het niet eens over wat de medewerker juist had gezegd. Konden we eten op de ‘Place Emile Zola’ of in het ‘Restaurant Emile Zola’? Jan dacht het eerste, ik het tweede. Nu, veel verschil maakte het niet, zei ik, want op een ‘Place Emile Zola’ zou er ook wel een ‘Restaurant Emile Zola’ zijn. Dat zou dan wel een groot toeval zijn, vond Jan.
     Wedden? Ja, wedden!
     We bereikten uiteindelijk de ‘Place Emile Zola’. We konden kiezen tussen  ‘Les Moules Zola’, ‘L’Emile Brochettes’ en gewoonweg ‘Restaurant Emile Zola’. Jan grijnsde. Ik ook. Een grijns is vaak een glimlach die je niet helemaal onder controle hebt omdat de situatie zowel grappig als ongemakkelijk is.
     We hebben toen maar pizza’s gegeten in de ‘Cosa Nostra’, Rue Berbisey. ’t Is vlakbij.

dinsdag 18 juli 2017

Game of Thrones op Play More

      Tussen de brieven, kranten en reclame die tijdens de vakantie waren binnengekomen, vond ik een folder van Telenet met een interessant aanbod. We konden ons Play-abonnement gedurende twee maanden omzetten in een Play More-abonnement aan de helft van de prijs. Dat kwam goed uit want we hadden juist Play More nodig om naar het nieuwe seizoen van Game of Thrones te kunnen kijken.
     De folder van Telenet was iets merkwaardigs. Hij doet zich voor als een ‘magazine’, heeft een ‘hoofdredacteur’ en bevat  ‘artikels’, waarvan het langste nu net aan Game of Thrones is gewijd.  Dat ‘artikel’ staat vol met woorden als ‘verslavend’, ‘onmisbaar’, ‘iconisch’ en ‘kijkervaring’. Sommige woordcombinaties zijn ronduit ongelukkig. Er wordt gesproken over de ‘geflipste* aflevering’. De helden gebruiken ‘messcherpe zwaarden’. Sansa Stark probeert ‘krachtdadig te overleven.’ En ook de achtergrondinformatie is niet altijd even bijzonder. ‘De makers verklapten recent dat ze de reeks beschouwen als één lange film.’ Ja, als ze zoiets al gaan verklappen! Hopelijk gaan ze ons ook de afloop niet ‘verklappen’.
     Maar dat zullen ze niet doen, de afloop verklappen. Het Play More-stuk herhaalt tot drie keer toe dat in Game of Thrones ‘onvoorspelbaarheid troef is’. En dat is waar. Er worden in de reeks vaak personages vermoord van wie je dat niet had zien aankomen. En wie de eerste aflevering van seizoen zeven heeft gezien, zal moeten toegeven dat de eerste scène weer een heel onvoorziene wending neemt.
     De laatste scène van de aflevering had ik dan wél weer kunnen voorspellen. Als je de reeks kent en de aflevering nog niet hebt gezien, dan zul je als je er even bij stil staat zelf ook wel kunnen bedenken welk personage men juist voor de laatste scène achter de hand gehouden heeft.
     Een en ander is trouwens heel goed gedaan. De hele scène duurt zes minuten en gedurende heel die tijd wordt geen woord gesproken.** Er gebeurt ook niets. Er is veel decor, veel muziek en een beetje choreografie. Voor de rest moeten we het stellen met cameravoering en montage. Zowat alle kaders, standpunten, bewegingen en scherptes die de filmgeschiedenis heeft opgeleverd volgen elkaar in snelle afwisseling op. Zelfs de adolescente kijker die alleen maar actie en gevechten wil zien, zal zich niet vervelen.
__________________

* [Sic]. Ik geef toe dat ‘gefliptste’ mét een tweede ‘t’ ook raar zou zijn.

** Dat is heel verstandig want dialoog is, in tegenstelling tot monoloog, het zwakke punt van veel epische films. Die bevatten teveel zinnen van het soort: ‘Oh Richard, Richard, you just have to save Christianity’.

maandag 17 juli 2017

Troyes (France)

Troyes: rue Emile Zola - een van de vele literaire straatnamen
     Telkens als we met de auto naar het Zuiden rijden, over de Franse tolwegen, komen we voorbij Troyes, één keer op de heenreis en één keer op de terugreis. ‘Troyes,’ denk ik dan, ‘Chrétien de Troyes, 1140-1190’ want ik ben romanist van opleiding. En we rijden onverstoord verder.
     Dit jaar hebben we het anders gedaan. We hebben de afslag genomen, zijn het stadje binnengereden, hebben ons aangemeld bij het Bureau voor Toerisme, en hebben aan de juffrouw achter de balie gevraagd wat de stad doet om haar beroemde zoon Chrétien te eren. Dus: staat er ergens een standbeeld? Is er een jaarlijks festivalletje? Een museumpje? Een bioscoopje waar men driemaal per dag de film ‘Perceval Le Gallois’ van Röhmer vertoont? Maar dat valt tegen.* De juffrouw achter de balie heeft nog nooit van Chrétien gehoord. Ze haalt er een collega bij en ook die kijkt ons aan alsof het ergens heel in de verte aan het donderen is. Leren ze daar dan niets op die Franse scholen?
      Ik leg geduldig uit* dat Chrétien de uitvinder is van de Arturroman, dat hij de legende van de Heilige Graal bedacht heeft, dat velen hem beschouwen als de grootste middeleeuwse schrijver na Dante en Chaucer. Ik wil er nog bij zeggen dat alleen door het toevoegsel ‘de Troyes’ achter de naam Chrétien men ook aan Amerikaanse universiteiten weet heeft dat het Franse provinciestadje bestaat. Maar ik hou me in en misschien is het niet waar. Misschien kende in Amerika alleen Mary McCarthy iets van middeleeuwse Franse letteren. En Mary McCarthy is al enige tijd dood.
     ‘Een middeleeuwse schrijver?’ vraagt een van de baliejuffrouwen. ‘Dan moet je in de gemeentebibliotheek zijn. Daar hebben ze hele oude boeken.’
     Als we in de gemeentebibliotheek arriveren, melden we ons weer bij de balie aan en stellen we onze Chrétien-vraag aan een jongeman met een bril. Die weet heel goed wie Chrétien is en ook dat er in de bibliotheek niets mee gedaan wordt. Er is wel een tentoonstelling van middeleeuwse manuscripten, zegt hij.
     Die tentoonstelling hebben we dan maar bezocht. In de manuscripten waren allerlei mooie gekleurde tekeningen aangebracht.
___________

* Ik heb in mijn boekenkast een Nederlandse vertaling van ‘Perceval’ in een kinderlijk ogende uitgave: nagenoeg vierkante bladzijden, verbreed lettertype. In het ‘Nawoord’ lees ik: ‘Hij [Chrétien] werd geboren in Champagne, in de stad Troyes, waar echter niets dan een straatnaam nog aan hem herinnert.’ Ik deel de verontwaardiging van de auteur, maar wat hij schrijft is niet helemaal correct. Er is naast een ‘Rue Chrestien de Troyes’ ook nog een ‘Rue du Chevalier Perceval’ en een ‘Rue du Chevalier au Lion’, en zelfs een ‘Lycée Chrestien-de-Troyes’. Die discrete verwijzingen stellen natuurlijk weinig voor in vergelijking met de ‘Boulevard Victor Hugo’, de ‘Avenue Anatole France’ en het ‘Collège Albert Camus’. Maar ’t is toch iets.

** Een duidelijk voorbeeld van ‘mansplaining’. Zie hier.
  
 

zaterdag 15 juli 2017

Buskruit, slangen en de niqab*

    In de vroege 19de eeuw was Yale een soort High School waar Latijn, Grieks en Hebreeuws werden aangeleerd, en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer werd belaagd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies  werd onverbiddelijk van school getrapt, wat bijvoorbeeld gebeurde met de zestienjarige James Fenimore Cooper, de latere auteur van de Lederkousverhalen.
     Dat buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en er ook meestal een paar onder zijn  hemd bij zich had. Toen de rector daarvan hoorde, schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Een laatste schoolreglementverhaal brengt heden en verleden samen. Theodore Dalrymple (1949) vertelt ergens van een Britse medische faculteit waar enkele meisjesstudenten plots gesluierd in de aula verschenen en wel op zodanige manier dat alleen hun ogen zichtbaar bleven. Zo’n sluier heet een niqab geloof ik. Wat nu? De decaan kon moeilijk die niqab verbieden als religieus symbool van vrouwenvernedering of segregatie. Een decaan die zoiets doet, zou beschuldigd worden van racisme, discriminatie en islamofobie. Gelukkig vond hij een oud en eerbiedwaardig reglement van 1857 waarin bepaald werd dat artsen en artsen in opleiding altijd hun volledige gezicht moeten tonen aan hun patiënten. Hoe kon de patiënt anders weten of die arts eerlijk was over zijn ziekte, over de behandeling ervan of over het ereloon?
     Dankzij het oude reglement verschenen de meisjes weer op school zonder niqab. De decaan was opgelucht, Dalrymple was opgelucht, de meisjes wellicht ook, en zelf ben ik er evenmin rouwig om. Op school, geen buskruit, geen slangen en geen niqab.
 
*  Enige tijd geleden wou ik iets schrijven over de schoolreglementen van Yale College en Stephens College. Daarbij viel mij van alles te binnen over de schoolreglementen in mijn tijd, vergeleken met de schoolreglementen van nu, en over de toen actuele kwestie van ‘dampen op school’. Het gedeelte over Yale en Stephens liep een beetje verloren tussen de andere beschouwingen. Toch wou ik het niet loslaten.
Toen ik mijn stukje echter naar De Bron opstuurde kreeg ik een korzelig antwoord van eindredacteur Eddy Daniëls. Die ‘flauwekul’ over Yale en Stephens moest eruit. Kill your Darlings, voegde hij er nog aan toe.
Eddy had gelijk. Maar hij moest niet denken dat ik mijn lievelingen zomaar als geaborteerde foetussen in de vuilnisemmer zou gooien. Hier krijgen ze een ordentelijke begrafenis.

Dit stukje verscheen ook op http://doorbraak.be/