zaterdag 15 juli 2017

Buskruit, slangen en de niqab*

    In de vroege 19de eeuw was Yale een soort High School waar Latijn, Grieks en Hebreeuws werden aangeleerd, en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer werd belaagd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies  werd onverbiddelijk van school getrapt, wat bijvoorbeeld gebeurde met de zestienjarige James Fenimore Cooper, de latere auteur van de Lederkousverhalen.
     Dat buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en er ook meestal een paar onder zijn  hemd bij zich had. Toen de rector daarvan hoorde, schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Een laatste schoolreglementverhaal brengt heden en verleden samen. Theodore Dalrymple (1949) vertelt ergens van een Britse medische faculteit waar enkele meisjesstudenten plots gesluierd in de aula verschenen en wel op zodanige manier dat alleen hun ogen zichtbaar bleven. Zo’n sluier heet een niqab geloof ik. Wat nu? De decaan kon moeilijk die niqab verbieden als religieus symbool van vrouwenvernedering of segregatie. Een decaan die zoiets doet, zou beschuldigd worden van racisme, discriminatie en islamofobie. Gelukkig vond hij een oud en eerbiedwaardig reglement van 1857 waarin bepaald werd dat artsen en artsen in opleiding altijd hun volledige gezicht moeten tonen aan hun patiënten. Hoe kon de patiënt anders weten of die arts eerlijk was over zijn ziekte, over de behandeling ervan of over het ereloon?
     Dankzij het oude reglement verschenen de meisjes weer op school zonder niqab. De decaan was opgelucht, Dalrymple was opgelucht, de meisjes wellicht ook, en zelf ben ik er evenmin rouwig om. Op school, geen buskruit, geen slangen en geen niqab.
 
*  Enige tijd geleden wou ik iets schrijven over de schoolreglementen van Yale College en Stephens College. Daarbij viel mij van alles te binnen over de schoolreglementen in mijn tijd, vergeleken met de schoolreglementen van nu, en over de toen actuele kwestie van ‘dampen op school’. Het gedeelte over Yale en Stephens liep een beetje verloren tussen de andere beschouwingen. Toch wou ik het niet loslaten.
Toen ik mijn stukje echter naar De Bron opstuurde kreeg ik een korzelig antwoord van eindredacteur Eddy Daniëls. Die ‘flauwekul’ over Yale en Stephens moest eruit. Kill your Darlings, voegde hij er nog aan toe.
Eddy had gelijk. Maar hij moest niet denken dat ik mijn lievelingen zomaar als geaborteerde foetussen in de vuilnisemmer zou gooien. Hier krijgen ze een ordentelijke begrafenis.

3 opmerkingen: