zaterdag 17 februari 2018

Procedurefouten - Bij zekere uitspraak van Jan Jambon*

     Meester Sven Mary wil dat zijn cliënt, de van terreur verdachte Salah Abdeslam, wordt vrijgelaten, dat wil zeggen: terugkeert naar zijn Franse gevangenis. In het Belgische dossier tegen Abdeslam – betreffende een schietpartij in Vorst – steekt namelijk een document dat in het Frans is opgesteld, terwijl dat in het Nederlands had moeten zijn. En volgens Mary bepaalt de wet dat zo’n foute taalkeuze de nietigheid van het hele dossier tot gevolg heeft. Nu, als de wet geen andere keuze laat, dan heeft de rechter, geloof ik, ook geen andere keuze: hij moet het dossier nietig verklaren en hij moet Abdeslam laten gaan. De stelregel dura lex, sed lex gaat op in de twee richtingen, voor de daders, maar ook voor de slachtoffers, in dit geval de politieagent die invalide raakte door de kogels van Abdeslam – of van iemand anders volgens Mary.
     Dat correcte procedures in de rechtspraak belangrijk zijn, daar zijn de rechtsgeleerden van alle scholen het over eens. Het belang van die regels bleek indertijd uit de fameuze Dreyfusaffaire die Frankrijk beroerde tussen 1894 en 1906. De Joods-Franse officier Dreyfus werd ervan beschuldigd dat hij geheime documenten doorspeelde aan de Duitse legerleiding. Hij werd veroordeeld door een militaire rechtbank, op grond van een geheim dossier dat ‘onweerlegbare bewijzen’ bevatte van zijn schuld. Na zijn veroordeling kwamen andere onweerlegbare bewijzen aan het licht, die integendeel de onschuld van Dreyfus aantoonden. Wat nu?
     De Franse maatschappij scheurde doormidden. Je had de anti-Dreyfusards die de eer van het Franse leger belangrijker vonden dan het lot van een vuile Jood die voor hun part mocht verrekken op een tropisch eiland met een moordend klimaat. En je had de Dreyfusards die het opnamen voor de onschuldige. Het aardige is nu dat ook het kamp van de Dreyfusards een flinke scheur vertoonde, maar niet in het midden. Het merendeel van dat kamp gooide zich in de strijd uit een goedhartige bekommernis om de brave officier, maar je had ook zure medestrijders zoals de jonge filosoof Julien Benda die zich van de braafheid en de onschuld van Dreyfus niets aantrokken. De correcte procedure was niet gevolgd, dat was de crux van de zaak, de rest was onzin.
Alfred Dreyfus, die ondanks procedurefouten veroordeeld
werd door een partijdige militaire rechtbank
     Die correcte procedure was inderdaad niet gevolgd. Het militair wetboek voorzag dat het zogenaamde geheime dossier niet geheim had mogen blijven** – dat het in tegendeel aan de verdediging had moeten worden meegedeeld. Ook iemand die niet rechtsgeleerd is, begrijpt dat zo’n regel belangrijk is. Hoe kan men namelijk vaststellen dat de bewijzen in een dossier onweerlegbaar zijn, als de verdediging de kans niet krijgt om ze te weerleggen.
     De antidreyfusards konden daar wellicht tegenin brengen dat het dossier gevoelige gegevens bevatte waarvan de bekendmaking een gevaar inhield voor de nationale veiligheid. Ze konden inbrengen dat het dus om uitzonderlijke omstandigheden ging. Maar ik geloof dat de wet het niet zo begrepen heeft op uitzonderlijke omstandigheden die in haar eigen teksten niet vermeld worden. Als in de wet staat dat het hele dossier aan de verdediging moet worden meegedeeld, dan moet dat hele dossier worden meegedeeld, ook al staan alle grondplannen van de Franse forten er netjes in uitgetekend. Je kunt geen uitzonderingen verzinnen ‘pour les besoins de la cause’.
     Het geheime dossier tegen Dreyfus is tot op vandaag geheim. Wellicht heeft het nooit bestaan. Maar wat als dat dossier nu eens wel echt had bestaan en echt de onweerlegbare bewijzen van Dreyfus’ schuld had bevat. Het merendeel van de Dreyfusards had daar dan gestaan, met de ogen aandachtig turend naar hun schoenpunten. Zo niet de autistische Benda. Hij schrijft ergens dat hij eigenlijk liever had gezien dat Dreyfus wél schuldig was. Dan kon hij met een partij van zuiveren de vrijspraak blijven eisen op grond van loutere procedurefouten.*** Dan moest hij niet meer arm in arm lopen met sentimentele, humanitaire zeurpieten als Zola, Blum en Jaurès. Het abstracte recht was hem liever dan die officier die hij van haar noch pluimen kende. En als hij hem wel had gekend, zou dat ook geen verschil hebben gemaakt.
     Ik volg Benda in zijn autisme, maar niet helemaal. De procedure moet altijd worden toegepast. Vanzelf! Als de wet voorschrijft dat een procedurefout tot nietigheid leidt, dan moeten daar geen uitzonderingen bij worden verzonnen. Nooit. Het lot van één beklaagde, schuldig of onschuldig, is minder belangrijk dan de correcte regels die ervoor zorgen dat – in de meeste gevallen althans – onschuldigen niet, en schuldigen wél worden veroordeeld. Ik onderschrijf die regels. Ik juich ze toe. Ik ga er helemaal in mee. Maar het is die nietigheid die mij dwars zit. Dat procedures een eerlijke rechtsgang waarborgen voor de beklaagde is zonneklaar. Maar waarom moeten fouten tegen de procedures voor de beklaagde een bonuspunt opleveren, een extra kans op vrijspraak die hij op grond van de rest van het dossier niet verdient?
     Stel: ik word onrechtvaardig beschuldigd van verkrachting door een leugenachtige leerlinge of collega. Er zijn geen getuigen. Het is mijn woord tegen haar woord. En er is ‘circumstantial evidence’ tegen mij die ik mij liefst niet al te aanschouwelijk voorstel. Ik zou in zo’n geval mijn advocaat de instructie geven om elke mogelijke procedurefout aan te grijpen om mij vrij te krijgen. Maar tegelijk zou ik het moeilijk blijven hebben met een wettelijke regeling die mij die mogelijkheid biedt.
     Er zijn allerlei wetten waar ik mij vierkant achter plaats: geen foltering van verdachten, geen huiszoeking zonder rechterlijk bevel, geen willekeurig bespionering van burgers. Ik begrijp dat die folteringen, huiszoekingen en bespionering toelaten om meer misdaden op te helderen, maar toch wil ik er niet van weten. De kans op misbruik is te hoog, de mogelijkheid van onschuldige slachtoffers is te groot. Hitler liet ooit, op grond van zijn intuïtie, een verdachte van lustmoord overdragen aan de Gestapo, die de beklaagde in een verhitte kamer uitdorstte. Het bewijsmateriaal liet niet lang op zich wachten. Maar wat als Hitler zich nu eens had vergist? Hij vergiste zich wel meer.
     Het procesrecht verbiedt om gebruik te maken van bewijzen die verzameld werden door foltering, onwettige huiszoeking of willekeurige bespionering.**** Dat is een goed middel om gerechtsdienaren, onderzoeksrechters en procureurs van die prakijken weg te houden. Maar moet dáárom  bewijsmateriaal dat nog goed bruikbaar is met het grof afval worden meegegeven? Is het echt niet mogelijk de praktijken van foltering enzovoort op een andere manier te beteugelen: door een administratieve berisping, tegenhouden van bevordering, dringend ontslag of gevangenisstraf? Is juridische nietigheid de enige oplossing?
     Die laatste vragen zijn niet retorisch. Ik ken het antwoord heus niet. Het weinige wat ik van procesrecht ken, heb ik uit Amerikaanse films en series, en dat stemt mij zorgelijk. Als in de spannende televisiereeks The Wire druggangsters worden afgeluisterd zonder dat tegelijk een foto van hen wordt genomen, kan de procureur zijn veroordeling vergeten. Er is dan immers een procedurefout gemaakt, en daarom gaat Avon Barksdale of een van zijn mannetjes vrijuit. In de VS hebben ze dus hetzelfde probleem als wij, en ik vermoed dat dat in andere rechtstaten niet anders is. Als het probleem makkelijk op te lossen was, dan was in één van die rechtstaten de oplossing al lang gevonden, en had dat in de krant gestaan. Maar ik blijf hopen dat ondertussen een rechtsgeleerde mij eens op een bevattelijke manier uitlegt wat precies het probleem is.


* In het programma De Zevende Dag van 11 februari 2018.  ‘We hebben [dat] trouwens in het regeerakkoord geschreven en collega Geens is daar werk van aan het maken, dat een procedurefout nooit tot vrijspraak kan leiden.’
 
** Het burgerlijk strafwetboek scheen die bepaling niet te bevatten. 

*** Ik vind het citaat van Benda niet terug. Ik heb zojuist Mon premier Testament, Jeunesse d’un clerc, Exercice d’un enterré vif en Mémoires d’infratombe doorbladerd.

****Marc Ernst wees mij erop dat die formulering voor België moet worden genuanceerd sinds het arrest van 14 oktober 2003 van het Hof van Cassatie, het zogenaamde Antigoonarrest. Wie op Google ‘Antigoonarrest’ en ‘Antigoonleer’ intikt, zal kennismaken met een reeks mooie rechtskundige redeneringen en onderscheidingen.  

dinsdag 13 februari 2018

Nogmaals over schoolpoortkamperen

   Onder mijn stukje over kamperen voor de schoolpoort heeft Tom Naegels een kritisch maar vriendelijk antwoord geplaatst, wat bewijst dat hij niet alleen een Gutmensch is, zoals hij zelf verklaart, maar ook een goeie mens – of toch minstens een vriendelijke mens, wat ook niet te versmaden is. Dat hij het scheldwoord ‘Gutmensch’ als geuzennaam voor zichzelf claimt, bewijst dat hij niet nerveus wordt van woorden, en dat vind ik fijn. Ik word ook niet nerveus van woorden en durf mijzelf desnoods ‘neoliberaal’  of ‘rechts’ noemen als ik daar iemand een plezier mee kan doen.
     Die vrijmoedige omgang met woorden heeft Naegels altijd gehad, geloof ik. Ik las eens, misschien wel twintig jaar geleden, een stuk van hem in een of ander baldadig tijdschrift waarin hij de lezer opriep geen hoge borst op te zetten en moreel niet boven zijn stand te leven. Het stuk eindigde met een krachtig: ‘Laat de fascist in u los’, of woorden van die strekking, maar ‘fascist’ kwam erin voor. Of heb ik mij dat allemaal ingebeeld?
     In zijn antwoord schrijft Naegels dat de schoolpoortkampeerders hun kind blijkbaar ‘uniek’ en ‘onwaarschijnlijk speciaal vinden’. Daar zit iets in. Zelf vind ik mijn zoon (20) ook onwaarschijnlijk speciaal. Hij kan allerlei dingen die ik niet kan: hij voert statistische toetsen uit, voetbalt, staat op de dansvloer als hij uitgaat, en hij begrijpt vrouwen. In de lente heeft hij als eerste een bruin kleurtje, en in de herfst is hij de laatste die dat kleurtje behoudt. Als de zon door zijn haren schijnt, lijkt hij op de antieke stripheld Alex. Weliswaar is die gelijkenis de jongste jaren wat afgenomen, want zijn haar wordt nu donkerder. Maar ik dwaal af.
     Naegels maakt van het schoolpoortkamperen een financiële kwestie. Rijke mensen kunnen een mobilhome huren, schrijft hij, en ze kunnen het zich makkelijker veroorloven om enkele dagen vrij te nemen. Een collega van mij vertelde zelfs dat rijke autochtonen soms allochtonen inhuren om in hun plaats te kamperen. Een beetje zoals een 19de-eeuwse rijkaard die, als hij uitgeloot was voor legerdienst, een arme boerenzoon kon inhuren om in zijn plaats drie jaar soldaat te spelen.
     Maar de meeste kampeerders doen het geloof ik zonder mobilhome; en als die allochtonen kunnen worden ingehuurd om te kamperen voor andermans kinderen, kunnen ze, denk ik dan, ook tijd maken om voor hun eigen kinderen te kamperen. De enigen die volgens mij echt benadeeld zijn in het kampeersysteem zijn alleenstaande ouders, mensen met een klein netwerk, en inwijkelingen zoals wij, die hun geboortestreek hebben verlaten waar hun ouders, ooms, tantes, neven en nichten zijn blijven wonen.
     Ik heb in mijn vorige stukje nagelaten om iets te zeggen over de kwestie van de solidariteit. Naegels wijst mij daarop in zijn antwoord, want dat is voor hem is het ‘essentiële punt’, des Pudels Kern om ook Goethe te citeren. Solidariteit … tja, wat kan ik daar ook over zeggen? Ik ben in elk geval bereid om elke vorm van vrijwillige solidariteit te prijzen. Ik ben ook bereid toe te geven dat zelfs een opgelegde solidariteit soms tot een aanvaardbare oplossing leidt. Maar ik geloof vooral, met Adam Smith, dat het op een redelijke wijze nastreven van eigenbelang vaak de beste uitkomst oplevert voor iedereen.
     Naegels betwist dat laatste als het om schoolkeuze gaat. Ouders die gaan kamperen voor een school berokkenen volgens hem schade aan ouders die dat niet doen. Een school die niet meedoet aan het centrale aanmeldingssysteem, vergroot de schaarste voor de rest. Dat is ‘wiskundige logica’, schrijft hij.
     Die wiskundige logica betwijfel ik. Ik zie het zo. Als een derde van de ouders door flink te kamperen hun kind kunnen binnenloodsen in de school van hun voorkeur, dan hebben die allemaal, dus 100 procent, hun eerste keuze gekregen. Ouders die het centrale systeem gebruiken –  de overige twee derde dus –  zullen misschien maar in 60 procent van de gevallen hun eerste keuze krijgen. Een heel verschil. Maar alles samen genomen krijgt in zo’n scenario 73 procent van de ouders hun eerste keuze, als ik dat tenminste goed heb uitgerekend.* Als alle ouders daarentegen gedwongen worden aan de centrale aanmelding meedoen, krijgt slechts 60 procent van de totale groep hun eerste keuze. Mij lijkt een totale tevredenheid van 73 procent beter dan een totale tevredenheid van 60 procent.
     Is het rechtvaardig als in de eerste groep een tevredenheid heerst van 100 procent en in de tweede slechts van 60 procent? Ik vind van wel. In de twee groepen heersen andere spelregels, dat is waar. Aan de eerste groep worden bijzondere eisen gesteld, met name de bereidheid om te kamperen. Maar de rechtvaardigheid bestaat erin dat iedereen de kans krijgt om te kiezen voor een van de twee groepen, en voor de spelregels die erbij horen.
     De wiskundige kant van het probleem blijft mij achtervolgen. Klopt het dat de tevredenheid van de ouders die in het centrale systeem stappen gelijk blijft – bijvoorbeeld 60 % – als er meer of minder scholen aan deelnemen? In zekere zin wel. Als 2000 leerlingen zich inschrijven in 40 scholen via een centrale aanmelding, of 3000 leerlingen in 60 scholen, moet dat eenzelfde aantal eerste keuzes, tweede keuzes, enzovoort opleveren, en eenzelfde algemene tevredenheid. Aangezien ik indertijd slecht heb opgelet in de wiskundeles, heb ik het probleem eens voorgelegd aan enkele wiskundige en wetenschappelijke collega’s en die gaven mij gelijk.
     Maar het klopt ook niet helemáál – dus weer heeft Naegels een beetje gelijk. Als ik binnen eenzelfde oppervlakte – Antwerpen – tussen minder scholen kan kiezen, dan wordt de kans wat kleiner dat ik een school vlakbij de deur vind. Ook kunnen het juist de beste scholen zijn die zich uit het systeem terugtrekken en wat heb je aan een eerste keus binnen het systeem als dat niet je échte eerste keus is? Niet veel natuurlijk. Maar dan kun je je afvragen:  wat is precies de beste school?* De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker niet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar onze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.
     Toch blijft er, als je wil, iets oneerlijks kleven aan een regeling waarbij sommige scholen wél en andere niet aan een centrale aanmelding meedoen.*** Ouders die de nabijheid van de school boven alle andere eigenschappen stellen, worden een beetje benadeeld. En omgekeerd.**** Bovendien worden ouders die heel veel moeite willen doen om de school van hun keuze te krijgen, door de regeling bevoordeeld. Dat zijn dan ouders die, om het alweer met de woorden van Naegels te zeggen, ‘na eerst de hele procedure van het aanmeldingsysteem te hebben doorlopen, ook nog eens gaan kamperen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Zo gek is niemand.’
    Maar dat weet ik nog zo niet.



* 100 % tevredenheid van bijvoorbeeld 1000 ouderparen, en 60 % tevredenheid van 2000 ouderparen levert een gemiddelde tevredenheid op van (100 % x 1000 + 60 % x 2000) / 3000 = 73 %.

** Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.

*** Natuurlijk had ik liever gehad dat er helemaal géén aanmeldingssysteem bestond. Maar als scholen daar vrijwillig aan deelnemen, kan ik hen moeilijk tegenhouden.

**** Zie bijvoorbeeld de ontroerende getuigenis van Jonathan Holslag over ouders die de nabijheid van de school niet als hoogste goed beschouwen.

donderdag 8 februari 2018

Kamperen voor de schoolpoort

     Toen wij een middelbare school moesten kiezen voor Jan, hebben we daar niet lang over moeten nadenken. Het Sint-Ursula-Instituut in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9, was uitermate geschikt. Ik kende die school – ik geef er zelf les –, ze was bereikbaar met bus, fiets en auto, en het onderwijs was er, ondanks verwoede innovatieve pogingen van de toenmalige directie, redelijk traditioneel. Het niveau lag er naar verluidt hoger dan bij de dichtstbijgelegen concurrent wiens naam en adres de lezer niet hoeft te weten. Ook voor Jan was het een uitgemaakte zaak, want elke donderdag stonden er in Waver frietjes op het menu, een argument waarmee hij driekwart van zijn klasgenootjes overtuigde om dezelfde schoolkeuze te maken.
     In Antwerpen – en op andere plaatsen – gaat dat allemaal wat moeilijker, lees ik. Er is in Antwerpen een zekere schaarste aan scholen. Veel ouders willen hun kinderen allemaal naar dezelfde school sturen, waar dan onvoldoende plaats is. Om het probleem op te lossen is er een centraal ‘Meld je aan’-systeem uitgedacht. Alle scholen komen op één lijst en de ouders kunnen in de volgorde van hun voorkeur vijf scholen aanduiden. Dan wordt op die keuzes een computeralgoritme toegepast, en krijg je thuis een melding welke school zich uiteindelijk over jouw kind zal ontfermen. Heb je geluk, dan krijg je keuze 1, heb je ongeluk, dan krijg je keuze 5 – iedereen heeft evenveel kans op een geschikte of minder geschikte school.* Het heeft iets eerlijks, zoals ook Russische roulette iets eerlijks heeft.**
     Nu hebben 20 van de 66 Antwerpse scholen geweigerd om deel te nemen aan het centrale systeem. Journalist en schrijver Tom Naegels maakt zich over die weigering erg druk. Hij heeft er op zijn Facebookpagina over geschreven en hij heeft er een stukje over gepubliceerd in de Gazet van Antwerpen. Het ‘Meld je aan’-systeem, schrijft Tom, is ‘niet ideaal, maar het is ver te verkiezen boven het oude systeem, waarin de rijke, goed opgeleide, haast voor de volle 100 % blanke ouders alle mooie plaatsen weggristen voor de neus van de anderen, omdat zij gingen kamperen.’ ***
     Oh, dat kamperen! Bij ons in de buurt wordt weinig gekampeerd voor schoolpoorten, maar ik zie dat wel eens op de televisie. Ouders trekken enkele dagen voor de inschrijvingen beginnen, naar de schoolpoort, om zeker bij de eersten te zijn als die eindelijk opengaat. Er worden strandstoelen, stroken plastiek, en grote paraplu’s aangesleept. Onder een sombere lucht worden tentjes opgezet. Er wordt hete soep rondgedeeld. Ik vind dat hartverwarmend.**** Dat zijn dus allemaal ouders die de ellende van de kou, en de verveling van het wachten, ondergaan om hun kind toch maar te kunnen inschrijven aan de school waarvan ze denken dat het de meest geschikte is. Zulke mensen verdienen die inschrijving, vind ik. En als directeur zou ik zulke ouders aan het hart drukken, liever dan iemand die mijn school misschien als vijfde keuze op een formulier heeft aangeduid.
     Maar, zal de lezer opwerpen, wat doe je dan met de kritiek van Naegels? Bestaan die kampeerders immers niet uit rijke, goed opgeleide, blanke ouders, wat dan weer leidt tot elitescholen met allemaal blanke rijkeluiskinderen? Dat schijnt nogal mee te vallen. Een ex-kampeerster antwoordde op Facebook dat in háár rij zeker een derde niet blank was. Ook moet je voor dat kamperen geen dure campingkaart kopen zoals op toeristische plaatsen, en zijn er geen andere speciale kosten die kleinverdieners kunnen afschrikken. En in de scholen zelf waartoe de kampeerders toegang hebben afgedwongen, blijkt de sociale samenstelling achteraf niet zo homogeen blank en rijk als Naegels had gevreesd.
     Toch geloof ik dat Naegels een beetje gelijk heeft. De scholen die niet meedoen met het centrale systeem zullen wellicht iets blankere, iets rijkere en vooral iets beter opgeleide ouders aantrekken. Het tegendeel zou me verwonderen. Het zijn vaak goed opgeleide mensen die het meest gemotiveerd zijn om hun kinderen diezelfde goede opleiding te laten genieten. En die goed opgeleide mensen hebben vaker een hoog inkomen en zijn wellicht ook vaker blank. Zeker, veel laagopgeleide en allochtone ouders zullen er ook alles aan doen om hun kinderen de best mogelijke opleiding te bezorgen. Maar het zou me verwonderen als de aandacht voor opleiding precies evenredig verdeeld zou zijn over de verschillende geledingen van de samenleving.
     Naegels heeft dus een beetje gelijk als hij meent dat voor de schoolpoort kamperen niet de beste garantie is voor een perfecte ‘sociale mix’. Maar dat is het ‘Meld  je aan’-systeem eigenlijk ook niet. Heel gemotiveerde ouders zullen desnoods alle scholen van Antwerpen bezoeken vóór zij hun lijstje van vijf voorkeurscholen opstellen*****, of desnoods uitwijken naar andere gemeenten, terwijl minder gemotiveerde ouders misschien gewoon de vijf dichtstbijzijnde scholen invullen. En voor je het weet verwijder je je weer van de ideale school die, zoals Naegels dat verwoordt ‘een mooie sociaaleconomische dwarsdoorsnede van de Antwerpse bevolking’ vertoont. Zó’n school krijg je maar als je, zoals in zoveel andere landen gebeurt, elke keuzemogelijkheid voor ouders afschaft, en alle scholen van alle gemeenten in een centraal systeem betrekt. Dan kan een algoritme worden uitgewerkt waarbij elke school precies dezelfde sociale samenstelling heeft. Het ideaal van de vrije schoolkeuze wordt dan opgeofferd aan het ideaal van de schoolse gelijkheid. De concurrentie tussen de scholen verdwijnt, verschillen in pedagogische projecten worden onbelangrijk, verschillen in schoolkwaliteit eveneens. Alle scholen zullen dan even goed zijn. Of even slecht.

*Ik begrijp niet goed hoe men kan garanderen dat je één van de vijf scholen toegewezen krijgt. Als bijvoorbeeld alle ouders de vijf zelfde scholen aanduiden, dan loopt het systeem toch in de soep?

** Naast eerlijk is het aanmeldsysteem ook efficiënt. Je voorkomt ermee dat ouders hun leerlingen op meerdere scholen inschrijven om hun kansen open te houden. Vandaag gebeurt dat wel vaker, en het zorgt voor chaos bij het begin van het schooljaar.

*** Eigenlijk moet Naegels zich niet opwinden over de schooldirecties maar eerder over de ouders die door die schooldirecties op hun wenken worden bediend. Dat zijn dan ouders die, zoals ik, het academische niveau van een school belangijker vinden dan een correcte multiculturele samenstelling. Ik heb de indruk dat Naegels die twee minstens even belangrijk vindt. Net zoals hij er, misschien paradoxaal, van overtuigd is dat er geen verband bestaat tussen het academisch niveau van een school en het aantal allochtone leerlingen. Over dat laatste schreef ik al iets bij een vorige gelegenheid.

**** Sommige mensen worden boos dat die ouders ‘moeten’ kamperen, terwijl het fijne juist is dat ze dat vrijwillig doen. Misschien zijn die mensen wel een beetje jaloers op die kampeerders die zoveel over hebben voor de school van hun kinderen. Zoals ik een beetje jaloers ben op het idealisme van Tom Naegels die bij zijn schoolkeuze even begaan is met de opvoedkundige belangen van zijn eigen zoon als met die van de allochtone buurjongen. 

***** Naegels bijvoorbeeld schijnt dat van plan te zijn.

donderdag 1 februari 2018

Argumentum ad Hitlerum

    Het argumentum ad Hitlerum wordt dezer dagen veel te weinig gebruikt. Af en toe wordt een nationalist - of een echte of vermeende racist - verweten dat zijn standpunten op die van Hitler gelijken. En ’t is waar. Hitler was een groot voorvechter van het nationalisme en een groot tegenstander van rassenvermenging. Maar er was zoveel waar hij voor en tegen was.*
     Je moet maar even door de Tischgespräche bladeren en je vindt wel iets naar je gading. Voor het christendom (‘Jesus was een Ariër’), tegen het christendom (‘Paulus was een Jood’), voor de oorlog (‘het houdt de natie jong’), tegen de oorlog (‘Joden zijn oorlogsstokers’), voor ware vroomheid (‘nederigheid ten aanzien van het mysterie’), tegen godsdienst (‘een bedrieglijke uitvinding van de papen’), voor het socialisme (‘sociale rechtvaardigheid en planeconomie’), tegen het socialisme (‘gelijkheidsleugen van de Roden’), voor de moslims (‘ze hebben tenminste een fatsoenlijke hemel’), tegen de moslims (‘geperverteerd Jodendom’), voor de Engelsen (‘tolerant’), tegen de Engelsen (‘uitbuiters’), voor euthanasie (‘genadedood’), tegen abortus (‘een misdaad tegen het ras’), voor de jacht (‘een onschuldige ontspanning’), tegen de jacht (‘lafaards die konijnen neerknallen’). Bij een kwaadwillige lezing krijg je wel eens de indruk dat de Filosoof van Linz niet vrij is van enige tegenspraak.**
     Er wordt aan Hitlers tafel over elk mogelijk onderwerp gesproken en gedebatteerd: over het leven op andere planeten, over het voortbestaan na de dood, over de kinderachtigheid van leraren, over de rol van intuïtie in de meteorologie, over de noodzaak om godsdienstlessen te vervangen door een vak algemene filosofie. Daarbij zijn maar weinig onderwerpen waarover de Führer onbuigzaam één lijn aanhoudt. Maar die onderwerpen bestaan. Het zijn onder andere de Joden (tegen), de kapitalisten, de bourgeois en de vrije markt (tegen), de bureaucratie (tegen), natuurbehoud (voor), gezonde voeding (voor), de Verlichting (voor), de Amerikanen (tegen).***
     Hier ligt een schat aan retorisch materiaal. Wie meent zijn discussieopponent een gevoelige slag toe te dienen door hem met Hitler te vergelijken, moet maar zijn hand uitsteken - de argumenten liggen voor het grijpen. Je kunt Hitler in stelling brengen tegen haast iedereen: de christenen, de christenhaters, de gelovigen, de atheïsten, en, inzake buitenlandse politiek, de ‘haviken’ en de ‘duiven’. En verder de socialisten, de kapitalisten, de islamofielen, de islamofoben, de anglofielen, de anglofoben, de antibureaucraten, de zionisten, de antizionisten, de Amerika-haters, de Verlichtingsadepten, de jagers, de dierenvrienden, de macrobiotiekers en de groenen.

* De mening van je opponent vergelijken met die van Hitler is eigenlijk altijd een zwak argument. Kenmerkend voor Hitler waren niet zijn meningen, maar de fanatieke meedogenloosheid waarmee hij bereid was ze in de praktijk te brengen.

**De citaten tussen aanhalingstekens zijn niet letterlijk. Ik ga het boek nu ook weer geen tweede keer doornemen.

*** Ik heb ondertussen wat verder gelezen en nu blijkt dat Hitler wel iets zag in Amerika’s industriële standaardisering. - Een van de weinige onderwerpen waar Hitler niet over spreekt is dat van de immigratie. Hij heeft het des te meer over het drama van de emigratie. Dat honderdduizenden Duitsers zijn uitgeweken naar de Verenigde Staten is voor hem hetzelfde als waren ze neergeschoten en vergast. Voor decadente individualisten zoals wij is er een groot verschil: honderdduizenden persoonlijke drama’s tegenover honderdduizenden verhalen van hoop op een nieuwe toekomst. Maar voor Hitler is de rekeneenheid het ras. Honderdduizenden Duitsers die het geboorteland verlaten, dat betekent een gruwelijke wonde in het lichaam van de collectiviteit. Vanuit dezelfde redenering vindt hij het helemaal niet erg als in een oorlog veel Duitsers sneuvelen, op voorwaarde dat er tegelijk evenveel nieuwe Duitsers geboren worden. Als door de oorlog meer kinderen geboren worden dan er soldaten sneuvelen, is dat zelfs pure winst.  



dinsdag 30 januari 2018

Seksuele voorlichting

Als je hier klikt, hoor je er ook een liedje bij.
     Mijn ouders hebben mij nooit seksueel voorgelicht, goddank. Wel heeft mijn grootmoeder mij eens terzijde genomen om mij te waarschuwen voor een bepaald soort vrouwen. Het was een heel zijdelings verhaal, en weinig werd ondubbelzinnig benoemd. Mijn grootvader, vernam ik, had tijdens zijn legerdienst iemand gekend, en die iemand had ook iemand gekend, en dat was er een van wijntje en trijntje, een echte boemelaar, een nachtbraker eerste klas. En die was op zekere keer naar één van die huizen bij één van die vrouwen geweest en, ja, hij had meteen prijs. Na een week kreeg hij een zweertje. Het deed helemaal geen pijn, en ’t zag er erg ongevaarlijk uit, maar je wist maar nooit. Mijn grootvader werd erbij gehaald, want die had in Gent gestudeerd – muziek weliswaar, maar toch. ‘Onmiddellijk naar de dokter,’ had hij gezegd. Mijn grootmoeder keek mij veelbetekenend aan. Zou ik dat goed onthouden?
     Ik heb dat zeker goed onthouden. Nog altijd ga ik bij het minste zweertje, wratje, knobbeltje of kuchje onmiddellijk naar de dokter.
     Mijn vader had ook een verhaal, iets wat hij nog wist van de lessen Latijn. Van de oude Cato, ook Cato de Censor genoemd, was bekend dat hij erg streng was, en erg gesteld op de goede zeden. Maar een pilaarbijter was hij nu ook weer niet. Die kwamen pas enkele honderden jaren later. Toen de oude Cato dus een keer een jongeman uit een bordeel zag komen (exeuntem de lupanari vidisset), gaf hij hem een bemoedigend schouderklopje, zei dat het beter was dat de jongeman naar zo’n ontspanningsruimte ging dan dat hij andermans vrouwen lastig viel, maar dat het nu ook weer niet de bedoeling was dat hij daar zou gaan wonen (adulscens, ego te laudavi tamquam hunc intervenires, non tamquam hic habitares). Zo zag je maar, zei mijn vader, dat je met niets moest overdrijven.
     Ook dat heb ik goed onthouden. Ik probeer zo weinig mogelijk te overdrijven.

vrijdag 26 januari 2018

Gedichten uit het hoofd kennen, in Calais en in Moskou

Links Vanfraechem - rechts: Gerd Wiesler
     Marc Vanfraechem stel ik mij voor als die Stasi-agent Gerd Wiesler uit Das Leben der Anderen. Die had opdracht zijn mogelijk subversieve buurman uren na elkaar af te luisteren. Marc, beeld ik mij in, laat zijn buurman met rust. Maar met een hoofdtelefoon om de oren  beluistert hij urenlang, zonder zich een ogenblik rust te gunnen, de Franse radiostations, daarbij om de paar minuten van golflengte veranderend, om een Française te betrappen op een schrandere uitspraak, of een Parijse bobo op een bêtise. Dankzij Marc weet ik nu ook wat Yann Moix, de beroemde schrijver, cineast en televisiepresentator, deze week op France Inter heeft gezegd. Marc heeft alles geregistreerd, getranscribeerd en vertaald. ‘Onder de Afghanen [die illegaal kamperen in Calais],’ zei Moix, ‘zijn er mensen die Victor Hugo kennen, die Victor Hugo in het Farsi gelezen hebben en hem op hun duimpje kennen, en die dáárom naar Frankrijk zijn gekomen. En dan komen ze hier, en men klopt erop.’ Die Fransen zijn dus naar Calais gekomen vanwege Victor Hugo! Nou, nou.
     Marc heeft daar allerlei vragen bij, en ik ook. Heeft Moix met die Afghanen gesproken?, is zo’n vraag. En was dat in het Farsi? En heeft hij die Afghanen dan verteld dat Hugo al lang overleden is en dat ze hem niet meer kunnen bezoeken. En waarom willen ze eigenlijk vooral naar Engeland, terwijl ze toch moeten weten dat de schrijver allesbehalve een anglofiel was? Het enige Engelse woordje dat hij kende was geloof ik ‘look-out’, en hij sprak het uit als ‘loekoet’. En waarom vragen onze Afghanen niet meteen een verblijfsvergunning aan voor het eiland Guernsey waar de grote man zo lang gedicht, geschilderd en bemind heeft? Dat zijn allemaal vragen die we aan de Afghanen zelf zouden moeten stellen, op een moment dat ze zich niet in de laadbak van een vrachtwagen hebben verstopt.
     Ik zou hun nog iets anders willen vragen. Hoe doen ze dat, om ál die gedichten van Hugo uit het hoofd te leren? Ik ken geen enkel gedicht van Hugo uit het hoofd. Soms probeer ik wel een gedicht uit het hoofd te leren, van Heine of van Yates, maar dat ben ik dan na enkele dagen weer vergeten. Is het een kwestie van volgehouden oefening? Of zijn andere mensen daar zoveel beter in dan ik? Ik zou het haast denken.

     Het begint al bij Alexander de Grote. Die kon de héle Ilias uit het hoofd opzeggen – alle zestienduizend verzen. Hitler kon héle hoofdstukken van Schopenhauer voordragen als hij iemand vond die wou luisteren. Fénélon kon álle poëzie van de Ouden uit zijn mouw schudden. Ik vind dat allemaal heel sterk. Zelf ken ik alleen iemand die een kwartiertje lang schunnige limericks kan afvuren.
     Het sterkste voorbeeld van dat uit het hoofd opzeggen vond ik bij de Engelse literatuurprofessor George Steiner. ’t Was in 1937, vertelt Steiner, het jaar van de grote zuiveringen in communistisch Rusland. Er was een grote bijeenkomst van de Bond van Sovjetschrijvers. Er waren tweeduizend genodigden. Twee dagen na elkaar komt de ene na de andere schrijver het podium op om met knikkende knieën kameraad Stalin te prijzen als de beste vriend van alle schrijvers en kunstenaars over de hele wereld. Vanuit de coulissen wordt alles gadegeslagen door Stalins gevreesde handlanger Andrej Zjdanov. Op de derde dag dan, na de zoveelste kruiperige rede van een literaire kontlikker, staat de half-dissidente schrijver Pasternak op en gaat naar voren. Pasternak is een boomlange kerel en ziet eruit – dixit Karel van het Reve – als een bronstige hengst. Een volkomen stilte daalt neer over Rusland – dixit Steiner. Dan roept Pasternak: ‘Nummer zesenzestig!’ De hele zaal veert recht en begint, met donderende cadans en zonder haperen, het zesenzestigste sonnet van Shakespeare voor te dragen:

                ‘… Hoe kunst door het gezag de mond gesnoerd
                Door dwaasheid die het hoge woord nu voert …’

’t Zijn woorden die in het Rusland van 1937 alleen kunnen worden geduid als een bijzonder dappere aanklacht tegen de rode dictatuur in het algemeen en tegen haar kunstpolitiek in het bijzonder.
     Je kunt nu zeggen: ’t is maar één sonnetje, dat nummer zesenzestig, veertien regeltjes – dat is niet veel. ’t Is waar.  Maar Steiner vertelde zijn verhaal ook wel eens met nummer dertig in de glansrol, als hij toevallig iets kwijt wou over ‘herinnering’ en ‘gemis’. Misschien werden die sonnetten wel allebei voorgedragen bij die unieke gelegenheid. Dat zijn dan al achtentwintig regels. En het aardigste is natuurlijk dat elk aanwezig lid van de schrijversbond toevallig nummer zesenzestig of nummer dertig of nummer zesenzestig én nummer dertig uit het hoofd kende, en wel allemaal in de vertaling van Pasternak zelf.
     In elk geval, ik blijf het sterk vinden, van die Afghanen, van Alexander, van Hitler, van Fénélon en vooral van die tweeduizend Russen in 1937. Als het allemaal waar is tenminste. Als ik bijvoorbeeld op dat congres van 1937 was geweest, had ik de sonnetten niet meegedreund. Omdat ik geen Russisch ken, omdat ik moeilijk gedichten onthoud, en omdat ik doodsbang zou zijn geweest van Zjdanov in de coulissen, en van het vuurpeloton om de hoek.

woensdag 24 januari 2018

Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert

     Het gedenkschrift van Boudewijn Bouckaert, Professorale belevenissen, is maar een dun boekje geworden. Niet meer dan 250 bladzijden. Dat is niet zo’n groot nadeel als de lezer misschien zou denken. Bouckaert bezit de gave om iets kort en duidelijk onder woorden te brengen. Hij vat ergens Hayeks Law, Legislation and Liberty samen op een halve bladzijde, en ’t is een verdomd goede samenvatting. Hij besteedt enkele bladzijden aan het jaar dat hij aan Harvard les heeft gegeven. ’t Is vooral zijn persoonlijk verhaal, maar toen ik die bladzijden gelezen had, wist ik over die Amerikaanse law schools ongeveer alles wat ik wilde weten. Eerder in het boek wijdt hij enkele zinnen aan de overleden maoïstenleider Ludo Martens. Door die zinnen lijkt het alsof ik Ludo nu heel wat beter ken, terwijl ik hem vaker gezien en gesproken moet hebben dan Bouckaert. Als mijn zoon iets zou willen weten over de studenterevoltes van de jaren zestig – die nieuwsgierigheid zou hem sieren – zou ik hem de eerste vijftig bladzijden van Bouckaert aanraden. Alles wat ik er zelf van weet – alles wat de moeite is bedoel ik – staat erin. Dat de trotskisten bijvoorbeeld hippe vestjes droegen, en leninbaardjes en trotskibrilletjes, of er in ieder geval speciaal uitzagen. Ja, daarvoor waren het ook trotskisten!
     Bouckaert is onmiddellijk na zijn afstuderen en zijn legerdienst terwerkgesteld geweest aan de Rijksuniversiteit van Gent: tijdelijk assistent, eerst aanwezend assistent, docent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. De laatste stap is ‘dood gewoon hoogleraar’ voegt Bouckaert eraan toe en hij hoopt dat die laatste benoeming nog even op zich laat wachten. De weg van assistent naar hoogleraar is er een bezaaid met voetangels en wolfksklemmen, en benoemingen hangen evenzeer af van kantoorgekonkel als van academische verwezenlijkingen. De hoofdstukken daarover lezen als een vermakelijke campus novel.
     Inzake politieke overtuiging dan is Bouckaert meer dan één keer van kamp veranderd. Begonnen als rechts-katholiek werd hij aan de universiteit links-katholiek, dan radicaalsocialist, dan sociaaldemocraat om ten slotte rust te vinden bij het libertarisme – ook klassiek liberalisme genoemd. Die laatste overtuiging is hij trouw gebleven, al was hij achtereenvolgens lid van VLD, N-VA en LDD. Wel stelde hij zich pragmatisch op en begreep hij dat in de politiek de beste én de tweedebeste keuze meestal ‘niet haalbaar’ zijn. Vaak gaat het erom de vierdebeste keuze te laten zegevieren over de vijfdebeste, en als dat gelukt is, kun je met recht en reden verzuchten: autant de gagné sur l’ennemi.
     Een van de aantrekkelijke eigenschappen van Bouckaert is zijn eerlijkheid. Hij komt er rond voor uit dat hij met grote tegenzin examens afneemt, trucjes verzint om het aantal mondelinge examens te beperken en dat hij op het einde van een examendag humeurig kan uitvallen tegen studenten. Als hij dan ziet dat ze schrikken, schrikt hijzelf ook en biedt zijn excuses aan. Toen hij assistent was van professor Calewaert, een hevige socialist, en bij hem doctoreerde, zorgde hij ervoor dat zijn eigen libertarische overtuiging wat onderbelicht bleef. Ook dat erkent hij achteraf. En die keer dat hij in De Morgen werd aangevallen door Yves Desmet antwoordde hij met een nogal onhandig satirisch stuk. In zijn boek geeft hij toe dat hij toen uit verbittering handelde. Dat is het soort toegeving dat je niet elke dag in gedenkschriften tegenkomt.
     Vooral in het eerste deel van het boek, verwerkt Bouckaert enkele aardige anekdotes. Zo moest hij tijdens zijn legerdienst het militair reglement uit het hoofd leren. Een van de regels luidde: ‘De soldaat heeft recht op zijn brood.’ Daar hoorde dan de examenvraag bij: ‘Wat heeft de soldaat op zijn brood?’ Het juiste antwoord was: ‘Recht.’
     In zijn studententijd werd Bouckaert ooit gearresteerd bij een betoging aangaande Vietnam. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een politieagent met een ‘pancarte’ had bedreigd. Zo’n ‘pancarte’ waar een slogan op geschilderd is, kan inderdaad een gevaarlijk wapen zijn, afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt. Een stuk karton is vrij onschuldig, maar een bord uit stevig betonplex van dertig op vijftig centimer, vastgemaakt aan een stevige stok, dat is een andere zaak, vooral als je dat bord met de scherpe kant laat neerkomen op het hoofd van je slachtoffer. Bouckaert verscheen dus voor de rechtbank en een politieman kwam getuigen dat de student hem had bedreigd met een … met een … pamflet. Bij die verspreking, schrijft Bouckaert nogal droog, veerde advocaat Piet van Eeckhaut recht en wees erop hoe gevaarlijk zo’n papieren ding wel kon zijn.
     Misschien was meester Van Eeckhaut die dag ook kort en droog. Maar wie hem ooit aan het werk geeft gezien, op televisie of in het echt, stelt zich de scène anders voor. ‘Een pamflet! Edelachtbare, een pamflet! Ziedaar het wapen van de crimineel. Ziedaar het wapen van de terrorist! Ziedaar het moordwapen … (grist een blad uit zijn boekentas). Een onschuldig blad papier, edelachtbare, een onschuldig blad papier waarmee je geen geen mus in de tuin, waarmee je geen vlieg op het raam kunt verwonden, laat staan doden! Een blad papier dat een boodschap bevat van vrede en hoop en solidariteit met dat moedige volk in dat verre deel van Azië, dat volk dat alleen in alle rust en vrede zijn rijst wil verbouwen op zijn vruchtbare akkers. En nu wil men ons doen geloven, edelachtbare, dat deze zwaarbewapende agent, opgeleid en gedrild om gangsters en criminelen te bestrijden, dat deze zwaarbewapende agent, zeg ik u, zich bedreigd voelde door dit … (dramatische stilte, toont weer zijn papier) … pamflet? Ik vraag de vrijspraak voor mijn cliënt!’
     Meester Van Eeckhaut is rood aangelopen. Het is niet helemaal duidelijk of hij zo geboren is, teveel gedronken heeft in zijn leven, zo hard zijn best moet doen om niet in de lach te schieten, of dat hij het dramatische talent bezit om naar believen rood te kleuren als hij verontwaardiging wil veinzen.

zondag 21 januari 2018

Hoe beoordeel je het verleden?

Hoe lang is homoseksualiteit een perversie geweest?

     Aangezien de mens een oordelend en veroordelend dier is, en de historicus een mens is, moeten we niet te veel verwachten van een neutrale geschiedschrijving. Ook de historicus oordeelt en veroordeelt als hij de gaskamers, de goelag of het schrikbewind van de wrede hertog Alva beschrijft. Het is één ding om te berekenen wat het gewicht was van  de slavenhandel in de Hollandse economie in de 18e eeuw – 0,005 procent van het nationaal inkomen volgens professor Piet Emmer –, het is een heel ander ding welke bewoordingen je kiest om over die slavenhandel te schrijven. En die bewoordingen kun je kiezen op twee manieren: vanuit de normen van het verleden zelf of vanuit de verlichte normen van het heden.
     Je zou denken dat de normale benadering die is waarbij je het heden tot maatstaf neemt. Het heden kennen we het best; zijn maatstaf is onze maatstaf. Maar is dat ook zo als je je gedurende lange tijd in het verleden hebt verdiept?
     Ik denk nu bijvoorbeeld aan het verschijnsel van de gelijkgeslachtelijke liefde. Vijftig jaar geleden kon de historicus Pieter Geyl in dat verband nog spreken van een ‘schending van de natuurwet’ – vandaag vind je zulke standpunten alleen nog wijd verspreid binnen de moslimgemeenschap. Toch las ik onlangs iets raars in een biografie van Scott Fitzgerald. Daarin bespreekt Jeffrey Meyers de roman Tender is the Night, en hij merkt daarbij op : ‘The immorality of the class that leads Dick from idealism to corruption is symbolized by sexual perversions: Luis Campion and Royal Dumphrey are homosexuals, Mary North and Lady Caroline pose as lesbians.’

     Nee maar. Homoseksuele en lesbische liefde – een seksuele perversie? Dat kon je ook in 1994, toen de biografie verscheen, al lang niet meer schrijven. Jeffey Meyers zou dat in een gewoon stuk ook nooit geschreven hebben. Maar hij heeft zich jaren ondergedompeld in de leefwereld van Scott, hij heeft al die romans gelezen, al die verhalen, al die brieven, al die notities, en niet die alleen van Scott – ook die van Zelda, van Hemingway, van Edmund Wilson en van al die andere tijdgenoten. En dan neem je zonder dat je er erg in hebt de oordelen en vooroordelen van die tijd over, is het niet in gedachten, dan toch in de verwoording.
     Hoe zou dat gaan met onze persoonlijke geschiedenis? Ik heb zoals zovelen van mijn generatie de reis gemaakt van extreemlinks naar centrumrechts. Als ik mij gebeurtenissen, gesprekken of overtuigingen voor de geest haal van vroeger, dan neig ik ertoe om die te beoordelen vanuit mijn huidige gezichtspunt. Maar het kan ook anders, zoals ik merkte in de memoires van Christopher Hitchens (1949-2011). Ook Hitch heeft de reis gemaakt van links naar rechts. Hij was in zijn jonge jaren hartstochtelijk tégen de Westerse tussenkomst in Vietnam, en op zijn oude dag al even hartstochtelijk vóór zo’n tussenkomst in Irak. Je zou denken dat Hitch dan in zijn memoires de Vietnamtijd bekijkt vanuit zijn nieuwe gezichtspunt. Hij heeft alle reden om zich met terugwerkende kracht aan de zijde van de Amerikanen te scharen, tegen de stalinisten van Ho Chi Minh. Maar nee hoor. Vietnam en Irak zijn twee volstrekt verschillende conflicten, vindt Hitch, die verschillend moeten worden beoordeeld.

     En Hitch heeft natuurlijk gelijk. Vietnam en Irak wáren volstrekt verschillende conflicten. Maar is dát de reden waarom hij zijn opstelling over Vietnam niet herzien heeft? Ik geloof het niet. Ik geloof eerder dat het komt omdat hij dat conflict benadert met de maatstaf van het verleden, van zíjn verleden – de maatstaf van eind de jaren zestig, en niet de maatstaf van begin de 21e eeuw – de maatstaf van de jonge linkse rakker, en niet de maatstaf van de oude rechtse zak.

woensdag 17 januari 2018

De grootste intellectueel van Vlaanderen

    Een vraag die ik mij vaak stel is deze: wie is nu eigenlijk de grootste intellectueel van Vlaanderen? Dat is geen gemakkelijke vraag, vooral omdat ik niet alle Vlaamse intellectuelen ken, en degenen die ik ken, ken ik meestal alleen van naam. Nur dem Namen nach, zoals de Duitsers zeggen. En hoe kun je nu de grootste van een verzameling aanwijzen als je de hele verzameling niet zo goed kent?
     Nu heb ik vorige week hulp gekregen van Joël De Ceulaer. Joël stelde zich ook de vraag wie de grootste intellectueel van Vlaanderen was, en hij wist het antwoord blijkbaar al evenmin als ikzelf. Maar Joël was slimmer dan ik. Als je het antwoord niet weet, dacht Joël, vraag het dan aan iemand anders. En hij heeft het gevraagd aan honderd prominente Vlamingen, van Abou Jahjah tot Raymonda Verdyck en van Orban Agirdag tot Els Witte. De lijst van honderd prominenten is evenwel niet helemaal in balans. Joël is journalist bij De Morgen en hij nam niet minder dan zeven journalisten van die krant in zijn prominentenlijst op, hemzelf inbegrepen – hij wist het antwoord dus toch.
     Uit die prominentenbevraging zijn tien namen naar voren gekomen: een activiste (Rachida Lamrabet), een iman (Khalid Benhaddou), een rector (Caroline Pauwels), een schrijver (David Van Reybrouck), een politicoloog (Jonathan Holslag), een econoom (Geert Noels), drie vrijzinnige filosofen (Etienne Vermeersch, Maarten Boudry en Patrick Loobuyck) en één politicus (Bart De Wever), die het lijstje trouwens aanvoert.
     Bart De Wever de grootste of althans de invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen? En dan nog benoemd door een panel dat grotendeels uit zijn tegenstanders bestaat? Ik weet het nog zo niet.
     Neem nu die jaarlijkse intellectuele proef die al zoveel politici hebben moeten ondergaan: de Elsschotlezing. De Wever hield ze in 2016. En wat wist De Wever te vertellen over Elsschot? Goed. Hij had die boekjes gelezen, dat merkte je wel, en hij was erdoor gegrepen, dat merkte je ook. Maar toch week hij zo snel mogelijk uit naar zijn eigen terrein. Via een brugje over Elsschots kleindochter en het gezin Elsschot ging het al vlug over normen en waarden, en dat we traditionele instellingen als het huwelijk niet te snel moesten afschrijven. Tobback had het hem voorgedaan: van Elsschot via een brugje over zaken waar hij wél iets van af wist – Boccaccio, Camus –naar de dringende noodzaak van meer links politiek engagement. Je krijgt bijna de indruk dat De Wever en Tobback hun rede zelf hadden geschreven.
     Nee – geef mij dan maar iemand van formaat, iemand als … euh … Kris Peeters. Dát was nog eens een Elsschotrede. Het begon nochtans slecht. Peeters gaf toe dat hij op school de boekjes van Elsschot maar niks vond. Ze waren te dun, de taal was te doorzichtig, de personages te doordeweeks. Die bekentenis maakte op mij een slechte indruk want zelf vond ik die boekjes ook op school al geweldig. Peeters dus niet. Pas later, veel later, begreep hij de grootheid van Elsschot. Maar Peeters weet ook hoe het komt dat hij zich zo laat tot het Elsschotgeloof bekeerde. Het was de schuld van de schrijver zelf, die zijn taalmeesterschap immers slechts ‘toonde in wat het verborg’. Het was niet Peeters zijn schuld.
     Dan komt Peeters op dreef. We worden ondergedompeld in Latijnse zegswijzen, Franse citaten en Engelse wijsheden – horresco referens –  ars est celare artem – le style c’est l’homme – steal from the best.* En niet alleen létterlijke zegswijzen en citaten. Peeters kan die ook naar zijn hand zetten als het moet: la vanité c’est les autres – fiat pecunia, pereat mundus.** En boven alles is hij een meester in het citeren van Elsschot zelf: lange citaten, korte citaten, verborgen citaten, pastiches, zowel uit de bekende werken als Kaas, Dwaallicht en Lijmen, als uit de minder bekende als De verlossing, Tankschip en Pensioen. Overal vindt Peeters wel enkele woorden, soms slechts één woord, dat naadloos past in zijn betoog. Zoiets kan alleen iemand die innig vertrouwd is met het werk van de schrijver, of die zich weken aan een stuk, onder verwaarlozing van zijn politieke taken, met het Verzameld Werk heeft beziggehouden.

     En Peeters kan meer dan citeren, want jij en ik, beste lezer, kunnen dat ook - als we ons best doen en over een onderzoeksmedewerker beschikken. Maar kunnen we zinnen bedenken als deze: ‘In het venster dat [Elsschot] ons biedt op de wereld trachten we vergeefs de spiegeling van ons eigen gelaat te ontwijken.’ Zo’n zin zou ik nooit kunnen schrijven. Hier is een ware filosoof aan het woord.
     Vroeger liet Peeters zich af en toe ontvallen dat hij járenlang Schopenhauer op zijn nachtkastje liggen had. Nu heeft Schopenhauer niet zo veel geschreven (multum, non multa), maar als je hem in het Duits leest, en je wil alles begrijpen, ook de Vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, dan ben je daar inderdaad wel even mee zoet. Later werd Schopenhauer op Peeters zijn nachtkastje opgevolgd door een andere filosoof, maar hier lopen de bronnen uiteen. Volgens de enen was die filosoof Kant (De Standaard, 31 december 2004), volgens anderen was het Hegel (De Standaard, 4 augustus 2014). Ik gok op Kant, want nogal wat lezers wagen zich na Schopenhauer aan Kant, wat dan niet meevalt. Aan Hegel beginnen ze niet want dat is immers die kerel met zijn ‘Bierwirthsphysiognomie … auf dessen Gesicht die Natur mit leserlichster Handschrift “Alltagsmensch” geschrieben hatte.’***

     Het is bekend dat Peeters graag burgemeester van Antwerpen wil worden. Mocht dat niet lukken, kan hij proberen aan een onzer universiteiten de filosofie van Kant, Hegel en Schopenhauer te doceren. En als ook dat niet lukt, kan hij nog altijd een goede leraar Nederlands worden. Zijn Elsschotlezing heeft mij overtuigd. Hopelijk worden tegen die tijd nog altijd échte literatuurlessen voorzien in de eindtermen en de leerplannen.

 

* Ik huiver als ik eraan denk – de kunst bestaat erin de kunst te verbergen – de mens zelf is de stijl – steel van de besten.

** ‘IJdelheid, dat zijn de anderen’ – variatie op ‘de hel, dat zijn de anderen’ en ‘de wereld mag vergaan, als er maar geld verdiend wordt’ – variatie op ‘de wereld mag vergaan, als er maar recht geschiedt.’

*** ‘… kerel met zijn kroegbaasfysionomie, op wiens gezicht de natuur in haar duidelijkste handschrift “banale mens” geschreven had.’

 

zondag 14 januari 2018

Voor Paus en Zoeaaf


   Ik zou de roman Spanooghes Queeste van Danny Chambaere wellicht niet gelezen hebben als ik de auteur niet persoonlijk kende. Ik zou dan veel gemist hebben: een uiteenzetting over de vroegmiddeleeuwse pornocratie, een geheime samenzwering die vele eeuwen omspant en tot op vandaag voortwoekert, een zichzelf kastijdende monnik, getrukeerde pornografische filmpjes, saffische liefde, stenen Cupidootjes die hun stenen slachtoffertjes de hersens inslaan met een gemzenhoorn, een hoogzwangere vrouw die over omheiningen klautert, een spannende ontsnapping en achtervolging in Zwitserland. En wat misschien het beste bijblijft: de koude regen en de felle wind op het Schotse eiland Saint Kilda – even ongenadig als de regen en de wind in de tweede en derde kring van Dantes Hel ….
      En dan de figuur van Gianni Utterwulghe.
     Halverwege het boek wordt een West-Vlaamse huisvrouw onder handen genomen door een gangster die dus Gianni Utterwulghe heet. De naam schijnt echt te bestaan. Utterwulghe martelt de vrouw met een elektrische prikstok zoals die in slachthuizen gebruikt wordt. Hij stelt vragen, roept af en toe enthousiast ‘Voor Paus en Zoeaaf’, en tettert voor de rest aan één stuk door in het Algemeen Beschaafd West-Vlaams*.
     “Uw orders zullen alleen via deze GSM gegeven worden [zei Utterwulghe]. Gesnopen? Draag hem altijd bij u, ook op de WC-pot, ook als ge u ligt te vingeren op de canapé. Zorg dat de batterij nooit leeg is. Want weet heel goed, madammeke, dat de batterijen van ’s Heerens Wreekstokken nooit plat zijn.” [Daarna deed hij de terrasdeur een paar keer open en dicht met één vinger]. “Bolt goed,” knikte hij goedkeurend. “Soms hebde van dieje camelot die zo steeg is als een droge hoer. Kwaliteit dit. Veel geld gekost zeker?” Hij begon te gniffelen. “Gij en ik noemen dat een porte-fenêtre, nietwaar madammeke? Weet ge hoe Ollanders dat noemen? Een schuifpui! Echt waar, schuifpui. Ge houdt het niet voor mogelijk. Een land vol zwalpeiers, Olland.” Nee, ’t is geen typische martelscène.

     Bijna de helft van de roman bestaat uit dagboeknotities van Freddy Spanooghe, een wat pedante geschiedenisleraar die de pedanterie zo ver drijft dat hij het zelfs in zijn dagboek niet laten kan om voetnoten te gebruiken. Bij alles wat hij schrijft, schieten hem dingen te binnen die hij meteen in of onder het geschrevene verwerkt. Je zou het culturele referenties kunnen noemen maar Spanooghe spreekt van ‘ankerpunten’, een ‘emotioneel kader’ dat hem later toelaat om het moment van het schrijven opnieuw te beleven.
     Een geleerde die binnen tweehonderd jaar het boek openslaat, zal een redelijk beeld krijgen van hoe een enigszins bovengemiddelde  culturele bagage bij het begin van de 21e eeuw eruit zag. Wat wist iemand die omstreeks 1953 geboren was en omstreeks 2018 een boek publiceerde? Op elke bladzijde zal de geleerde wel een of meer kennissnippers kunnen onderstrepen. Veel van die snippers van Freddy Spanooghe – en van Danny Chambare – behoren ook tot mijn bagage. Dat Germaine Greer een beroemde feministe was, dat Maria van Boergondië  van haar paard viel in de buurt van Wijnendale, dat maoïsten in de jaren zestig groene parka’s droegen, dat Schubert een lied maakte – op een tekst van Goethe – over een Elfenkoning,  dat China bij het begin van de twintigste eeuw geleid werd door een keizerin-regentes met een slecht karakter**, dat Bach een reeks canons opdroeg aan Frederik de Grote en dat één daarvan ‘quaerendo invenietis’ heet, wat Latijn is en betekent: ‘zoekt, en gij zult vinden,’ en dat dat een citaat is uit de bijbel.

     Ik vraag mij af hoeveel hiervan ook tot de bagage van onze toekomstige geleerde zal behoren: Schubert, Goethe, Bach, de Elfenkoning en Frederik de Grote wellicht wel. Maar zouden Germaine Greer, Wijnendale, de maoïsten met hun parkas, het slechte karakter van de keizerin-regentes en het Latijn er nog bij zijn?***


* Dat Algemeen West-Vlaams is ook in de rest van het boek onderhuids aanwezig. Daarbij probeert Chambaere een aantal oude zegswijzen te redden die zijn vader vroeger hanteerde. Uit die zegswijzen blijkt dat magere mensen in de oude, politiek niet correcte tijden vaak het mikpunt waren van spot en discriminatie. Iemand met een smal hoofd was een ‘flessenpikker’: hij kon immers met zijn snavelachtige kop een snip drank uit een fles ‘pikken’. Van zo iemand werd ook gezegd: ‘smijt een brood tegen zijn ongeschoren bek en het valt in boterhammen uit elkaar’. En magere mensen in het algemeen ‘konden maar twee ziektes krijgen: de velziekte en de beenderziekte.’

 ** Chambaere schrijft over de ‘dowager empress’ en verwijst naar de film van Bertolucci, The Last Emperor (1987). Ik zou spreken van de ‘keizerin-douairière’ en verwijzen naar de film van Nicolas Ray, 55 Days at Peking (1963). In de ondertiteling van de film zag ik voor het eerst dat rare woord ‘doaurière’.

 ** En dan spreken wij nog niet van het Grieks, want bij Lukas 11:8 heet het niet ‘quaerendo invenietis’ maar ‘ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε’.

woensdag 10 januari 2018

Regeringscrisis

     Er is, naar het schijnt, een regeringscrisis geweest, en die is, naar het schijnt, weer bedwongen. Toen ik erover las, dacht ik met weemoed terug aan de regeringscrisissen van mijn jeugd. Dát waren crisissen. Een partijvoorzitter maakte ruzie met zijn eigen eerste minister. Iemand van de meerderheid zou een wet ‘met de karwats door het parlement jagen’. In de kamer werd geroepen dat ‘de grondwet geen vodje papier was’. En de leider van de regering gebruikte de enige woorden die zo’n crisis de luister geven die ze verdient: ‘Ik ga naar de koning.’
     Maar nu? Een Wouter Beke doet alsof hij het ontslag van Theo Francken vraagt; een Bart De Wever doet alsof hij dat dreigement ernstig neemt; en de journalisten doen alsof het allemaal een zaak van leven of dood is.

     Pas op, ik begrijp Beke, De Wever en de journalisten. Beke denkt bij zichzelf: hoe vaker ik het woord ‘ontslag’ gebruik, al is het in een glibberig tsjevenzinnetje, hoe meer de mensen zullen denken dat die Francken iets Heel Ergs heeft gedaan. Wat dat erge is, dat is niet helemaal duidelijk, maar het moet Heel Erg zijn, anders zou zo’n nette jongen als Beke zulke grove woorden als ‘ontslag’ niet gebruiken. De Wever denkt bij zichzelf: als ik niet snel even uit mijn krammen schiet, blijft CD&V dat vuurtje verder aanwakkeren door nu eens warme en dan weer koude lucht te blazen. De journalisten denken: daar zit een lekkere kop in; we plaatsen dat mooi op de voorpagina, en relativeren dat wel in het stuk op bladzijde acht.
     Laat ik bij het begin van dit nieuwe jaar de heren Beke en De Wever, alsook de dames en heren journalisten, alle goeds toewensen. Voor die laatsten heb ik wel een nederig verzoekje: of ze misschien voorzichtig willen zijn met hun metaforen. ‘Het spierballengerol van N-VA heeft diepe wonden geslagen,’ schrijft Het Nieuwsblad van eergisteren. Spierballen die diepe wonden slaan, het doet mij denken aan de Lustige Kapoentjes van mijn jeugd. Daar had je een ‘champetter’ die als leus hanteerde: de arm der wet heeft lange benen.

vrijdag 5 januari 2018

Wat ik onder welbevinden op school versta*

     U vraagt mij wat ik denk van leerlingenwelbevinden op school. Dat is een controversieel onderwerp. En als een onderwerp controversieel is, heb ik er een mening over. Oké dan, dít is wat ik denk van welbevinden op school.
     Als u onder welbevinden op school verstaat, de eeuwige verwennerij, de nooit aflatende betutteling, de eindeloze debilisering, waarbij leerstof door spelletjes, en aandachtig opletten door groepswerkgetater en debatjes wordt vervangen; als u onder welbevinden verstaat dat de klas eruitziet als een cyberkroeg met bartafeltjes en zithoeken, waar niet het bier en de sterkedrank, maar de punten rijkelijk vloeien; als u bedoelt dat de kinderen pantoffeltjes aantrekken vooraleer te lezen uit boekjes die ‘aansluiten bij hun leefwereld’; als u bedoelt dat pen en potlood wijken voor hersenloos getik en geschuif op een iPad; als u bedoelt dat het schoolkind ‘gecoacht’ wordt als was het een voetballertje of een danseresje, in plaats van onderricht te worden in een schools vakgebied; dat dat schoolkind niet met vaste hand wordt geleid naar en op het nauwe pad der kennis, maar losgelaten en losgeslagen vanzelf vaardigheden en vaardigheidjes dient te verwerven; dat het niets moet wéten omdat het alles kan opzoeken; dat huiswerk en examens worden afgeschaft om bij teleurstellende cijfers de erbij horende teleurgestelde blikken en traantjes te vermijden – als u dát bedoelt met welzijn op school, dan ben ik er helemaal tégen.
     Maar als u onder welbevinden op school verstaat, de vreugde van het leren, de trots op het geleerde, het zelfzekere meesterschap als gevolg van geduldig oefenen; als u onder welbevinden verstaat de opwindende ontdekking van wat zich búiten de eigen leefwereld bevindt, van wat níet komt aanwaaien: de wetten der natuur, de kennis van het menselijke lichaam, de boeiende rijkdom van het verleden, de schoonheid van de oude literatuur; als u onder welbevinden verstaat dat in een ordelijke klas al eens gelachen wordt;  dat anekdotes tot het vaste repertoire behoren en niet als ‘onwetenschappelijk’ worden weggezet; als u bedoelt dat de leraar Latijn zijn lange zinnen zó voorleest dat je ze haast begrijpt als je ze alleen maar hoort, en dat de lerares wiskunde de oefening zó uiteenzet dat het lijkt alsof je de oplossing zelf ook had kunnen vinden; dat vreemde talen worden aangereikt in grappige stukken proza, boeiende verhalen en ontroerende maar soepel lezende gedichten en dat daarbij in een brede boog wordt heengelopen om ‘zakelijke teksten’, vooral als die een ‘actuele’ of, erger nog, een ‘jongeren’-problematiek behandelen – als u dát bedoelt met welbevinden op school, dan ben ik er helemaal voor.
      Dat is mijn standpunt. Ik zal er niet van afwijken. Ik zal geen compromissen sluiten.


 
 
* In dit stukje pas ik de drogreden ‘If by whiskey’ toe. De drogreden werd oorspronkelijk toegepast door Noah Sweat om, met veel gedruis van woorden, te verbergen dat hij geen standpunt innam over de mogelijke legalisatie van whiskey in Mississippi. De drogreden kan ook gebruikt worden, zoals hierboven, om te verbergen dat men geen argumenten aandraagt. Die worden dan vervangen door een nuancering van het standpunt, of door een opsomming van allerlei kleine standpuntjes, die elk op zich niet worden ondersteund.