dinsdag 8 augustus 2017

Opscheppers

     De beroemde dichter Dante Alighieri (1265-1321) kende geen Grieks. Dat is geen schande. Weinig geleerden in zijn tijd kenden Grieks. Zelfs Petrarca die een halve eeuw later leefde en heel vlijtig studeerde, kende geen Grieks en kwam daar rond voor uit. Maar Dante spreekt over de taal alsof hij ze wél kent. Ergens schrijft hij terloops over de onvertaalbaarheid van gedichten. De muzikale eigenschappen kan men niet overbrengen van de ene taal naar de andere, zegt hij. En als een kenner gaat hij verder: ‘Hierdoor komt het dat men Homerus niet uit het Grieks in het Latijn heeft vertaald, zoals men dat met de andere geschriften van de Grieken wel heeft gedaan.’
     Dan krijg je toch een beeld van Dante die voor het ontbijt een zang van de Illias leest, met de lintjes van zijn kap speelt en dan zucht: ‘Nee, dàt vertalen, daar is geen beginnen aan. Zoals Homeros het houwen van de zwaarden weergeeft in de klanken van zijn woorden, dat kunnen wij niet in ons Latijn of ons Italiaans.’
     Het doet me denken aan die keer dat Hugo Claus ontvangen werd in het boekenprogramma van Bernard Pivot. Pivot prees de schitterende vertaling van Het verdriet van België - Le chagrin des Belges – waarop Claus hem vroeg of hij, Pivot, dan Nederlands kende. Claus ergerde zich merkbaar aan het bekakte sfeertje van het programma. Toen het gedaan was, slaakte hij een zucht. Minstens een luisteraar meent gehoord te hebben dat Claus bij die gelegenheid stilletjes zei: ‘Krabbelanmegatski’.

zaterdag 5 augustus 2017

Collega Brinckman over feiten en meningen

     In Knack van vorige week interviewt Walter Pauli zijn collega Bart Brinckman van De Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en ‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine jongen uit Road to Perdition die als enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is mooi, zo’n zelfbeeld.
      Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
  •  Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
  • sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
  • de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Misschien is dat niet allemaal waar en is er ook wat fantasie bij – wie weet? – maar laten we voor het gemak de fantasieën dan maar onder de feiten rekenen.
     Dan Brinckmans meningen:
  • Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
  • een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
  • het is onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Dat eerste vind ik ook, over dat tweede heb ik geen mening en over dat derde wil hier iets zeggen.
     Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
    Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
     Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
     De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
     Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
     Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
     Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
     Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.

* Letterlijk formuleerde Brinckman het als volgt: ‘Bij de federale verkiezingen (in 2010) had Bart De Wever de N-VA dat jaar naar een landslide geleid. U kent het vervolg: de N-VA probeerde samen met de PS een regering te vormen en dat mislukte. In die periode heeft De Standaard de kant gekozen van de partijen die hun nek uitstaken om een nieuwe regeringsvorming te laten slagen. Op de redactie leefde het gevoel: ‘Het is goed geweest.’ We vonden ook dat De Wever een historische kans had gemist. Dat is nog altijd onze overtuiging. Dus kwam er in de kolommen al meer kritiek op de N-VA dan zij gewend waren.’
  
** Vroeger was mijn hang naar opinie nog veel heviger. Als zestienjarige was ik verzot op het opinieblad De Nieuwe van de onlangs overleden Mark Grammens. Ik was er trots op dat ik zo’n ‘moeilijk’ blad las. In mijn grootheidswaanzin besloot ik dan ook maar meteen Le Monde Diplomatique te gaan lezen. Dat viel tegen. Het blad was niet alleen in het Frans, het stond ook vol feiten. En die feiten waren niet eens in zo’n slagorde opgesteld dat je zag wie de goeien en wie de slechten waren. Wat kon het mij interesseren wat het hooggerechtshof in Chili beslist had, of hoe de economische situatie in dat land was. Ik wou lezen dat Pinochet een moordenaar was en Allende een verrader. Feiten die die stellingen ondersteunden waren welkom.

***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant dus, en als de kwaliteit van die opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is lastig en wil alles tegelijk.

*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares oportet … At opinio facillime sumitur.

Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/

zondag 30 juli 2017

Brinckman vs De Wever vs Brinckman

      Laatst ontsnapten twee nogal boosaardige gevangenen toen ze moesten verschijnen voor de Antwerpse rechtbank. Journalist Bart Brinckman van De Standaard had kritiek op Burgemeester Bart De Wever omdat die de schuld van zijn eigen politiepersoneel doorschoof naar Justitie. Het was de politie die ‘geblunderd’ had, beweerde Brinckman. (hier)
         Ik zal het antwoord van De Wever niet samenvatten, want je kunt het hier nalezen. Wat mij bezighoudt is De Wever zijn conclusie. Die luidde als volgt: De Standaard zou er beter aan doen de schrijfsels van Brinckman te plaatsen daar ‘waar ze thuishoren: op de opinie-pagina’s.’ Is dat zo? Ik geef daar les over in het vijfde jaar. ‘Het verschil tussen een bericht en een commentaar’ staat er bovenop de dia’s die ik projecteer. En met ‘commentaar bedoel ik ‘opiniestuk’.
     Eerst moeten mijn leerlingen aandacht leren hebben voor de uiterlijke kenmerken van een krantenstuk. Gebruiken we die maatstaf  voor het stuk van Brinckman, dan hebben we geen commentaar maar een bericht: kop én bovenkop, credit (van onze redacteur), vermelding van plaats (Brussel), een ‘lead’ als begin en ten slotte een thematische foto met onderschrift. Eén van die vijf kenmerken is niet genoeg, maar als die vijf  kenmerken samenkomen, ja, dan gaat het meestal om een bericht.
     Die uiterlijke kenmerken zijn natuurlijk niet alles. Anders zou mijn examen wel erg gemakkelijk zijn. Mijn leerlingen moeten ook de taal van een stuk bekijken en daar de verschillen tussen opinie en bericht herkennen. En als we de zaak vanuit de taal bekijken, dan moeten we De Wever minstens ten dele gelijk geven. Het stuk van Brinckman bevat inderdaad veel kenmerken van een opinie. We treffen aan:
  • Hyperbolen*: blunderen, ongemeen felle uitval
  • Ironische aanhalingstekens: de ‘geëngageerde’ voorzitter van het Antwerpse Hof
  • Dode metaforen: het hazenpad kiezen
  • Retorische vragen: Wat bezielde De Wever?**
  • Suggestieve taal: De ontsnapping verleidde BDW tot een uithaal.
  • Ongenuanceerd woordgebruik: De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de lokale politie.
  • Geen of vage bronvermelding: Waarnemers denken …
  • Intentieproces: de burgermeester wilde lokaal stoken …
  • Speculaties: door toeval haalde de zaak het nationale nieuws
  • Vage insinuaties: … er wordt gespeculeerd over de rol van ...
  • Afsluiten met een pointe: Ondanks zijn uithaal had De Wever deze week geen tijd voor een gesprek met Geens.***
      Niet alle staaltjes hierboven zijn ondubbelzinnig. Ik zou de meeste niet als voorbeeld in de klas gebruiken. Maar alles samen zijn het er vrij veel voor een artikel van 549 woorden.
    Dat betekent ook weer niet dat het stuk van Brinckman losweg op de opiniepagina kan. Daarvoor bevat het toch wat te veel informatie  over wat Geens beweerd heeft, over wie nu juist verantwoordelijk is voor de transport van gevangenen, over de rol van het GEOV-team daarbij, over de onderbemanning van het Veiligheidskorps ... Dat hoort allemaal thuis in een bericht. Alleen is de informatie die ik van Brinckman krijg onvoldoende voor een lezer zoals ik.
  • Wat wordt nu precies beweerd door Geens en wat door Brinckman?
  • Wat is nu juist de verantwoordelijkheid van het Veiligheidskorps in de hele zaak?
  • Wat is het GEOV? Is dat een onderdeel van de politie of van Justitie?
  • Hoe stond het precies met de onderbemanning omstreeks 20 juli toen de gevangenen ontsnapten?
     Die informatie moet ik ergens anders zoeken. Een redelijk gedetailleerde versie van wat Geens beweert, vind ik op De Morgen.be (23.07.2017). Daaruit blijkt dat Brinckman nogal sterk leunt op Geens zijn versie, zonder al te veel aanhalingstekens te gebruiken. Op de site van de politiezone van Ieper lees ik dat een van de taken van het Veiligheidskorps bestaat uit het ‘overbrengen en bewaken van gevangenen tussen de gevangenissen en de ...  rechtbanken.’  Dus toch niet volledig de verantwoordelijkheid van de poltie? Uit Het Laatste Nieuws (20.07.2017) leer ik dan weer dat GEOV staat voor ‘Gerechtshoven en Overbrengingen’ en dat het een onderdeel is  van de Antwerpse lokale politie. En over de onderbemanning leer ik uit hetzelfde artikel dat op bijvoorbeeld 14 juli slechts 4 van de 36 leden van het Antwerpse Veiligheidskorps beschikbaar waren – en die 36, dat is nog niet de helft van de 77 die gevraagd zijn.****
     Het artikel van Brinckman presenteert zich dus als een bericht, heeft veel taalkenmerken van een opiniestuk, en bevat minder duidelijke informatie dan kortere stukken die ergens anders gepubliceerd zijn. Maar wat moeten we daaruit besluiten? Ik ben het niet zomaar met De Wever eens dat Brinckman zo snel mogelijk moet verhuizen naar de opiniepagina. Dat is al te gemakkelijk. Die jongen kan nog groeien. Als iemand hem nu eens geduldig de verschillen uitlegde tussen een bericht en een commentaar. Misschien komt alles dan nog goed.

* De recente polemiek rond Brinckman-De Wever leverde een aantal fraaie proeven van hyperbool op. De Wever sprak van ‘persoonlijk vendetta tegen hem’, Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard sprak van ‘brutaal pestgedrag jegens zijn krant’. Het verst ging Pol Deltour van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ). Hij had het over een ‘krant helemaal de afgrond in duwen’ en een ‘journalist kaltstellen’. Verder vergeleek hij De Wever met Trump, en op het VTM-nieuws zelfs met Erdogan. Voor een nuchtere benadering: zie Leo Neels zijn bijdrage.

** Dit is geen zuiver voorbeeld van een retorische vraag omdat ze past in een rijtje informatieve vragen, en er ook een antwoord op wordt geformuleerd. De woordkeuze ‘Wat bezielde’ geeft evenwel een retorische klank aan de vraag.

*** Wie het verschil wil proeven met een ‘informatieve’ – zij het wat zware – afsluiter, vergelijke met het artikel in De Morgen (23.07.2017): ‘De minister wil graag opnieuw in overleg met de Antwerpse burgemeester en de minister van Binnenlandse zaken de verzekering van de justitiële veiligheid in de nabije toekomst bespreken’.

**** Geens beweert dat die 77 alleen gevraagd zijn, De Wever beweert dat ze ook toegezegd zijn. Brinckman zou dat eens kunnen uitzoeken. ’t Zou een goede oefening zijn in het schrijven van informatieve berichten.


Dit stukje verscheen ook op http://de-bron.org/

donderdag 27 juli 2017

Dokters, schurken en deugnieten

     Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, had weinig vertrouwen in de geneeskunde van zijn tijd. De beste dokters, schreef hij in een brief*, waren de kwakzalvers die pillen gemaakt van brood voorschreven, of gekleurd water.** Zij hielden de hoop van hun patiënt levend en bespoedigden zijn natuurlijke herstel. De meer rechtlijnige beoefenaren van het beroep daarentegen maakten meer levens kapot in één jaar “dan alle Robin Hoods, Cartouches en Macheaths in een hele eeuw”.
     Dat is een eigenaardige vergelijking.
     Om te beginnen heeft slechts één van de opgesomde misdadigers echt bestaan. Louis Dominique Cartouche (1693-1721) was een Franse dief en moordenaar die stierf op het rad. Die andere twee zijn min of meer verzinsels. Robin Hood is een held uit Middeleeuwse legenden en Macheath is een personage uit het komische stuk ‘The Beggar’s Opera’ (1728).
      Eigenaardiger is dat Jefferson zijn keuze laat vallen op drie nogal aantrekkelijke schurken: Robin Hood die steelt van belastingsambtenaren om het geld te verdelen onder de armen, Cartouche die zich geliefd maakt als grapjas, acrobaat en minnaar en, de veelwijver Macheath die zo populair is dat hij aan het eind van het stuk, op verzoek van het publiek, niet wordt opgehangen.
     Of zag men dat toch enigszins anders in de tijd van Jefferson? Is men die wetsovertreders vooral later aardig gaan vinden door de boeken van Walter Scott, de films met Reggiani en Belmondo en de antikapitalistische stukken van Bert Brecht?***
     In de taalkunde spreekt men wel van meliorisatie. Begrippen die oorspronkelijk een ongunstige betekenis hebben zoals ‘deugniet’, ‘rakker’ en ‘guit’, krijgen in de loop der jaren een onschuldiger betekenis. Het lijdt geen twijfel dat Robin Hood, Cartouche en Macheath guiten waren. Maar wat is een guit?


_______________


* De brief is van 1807. Hij was gericht aan een universiteit waar hij zijn kleinzoon wou laten inschrijven als student geneeskunde. De kleinzoon mocht de vakken biologie en chirugie volgen, maar niet het vak medicijnen.

** Uit later onderzoek bleek dat het placebo-effect van grote pillen aanzienlijker is dan dat van kleine, en ook dat rode kleurtjes beter werken dan blauwe.

** Respectievelijk: Ivanhoe (1820), Cartouche (1956 en 1962) en Dreigroschenoper (1928).
 
 
 
 

 

zondag 23 juli 2017

Kleurrijke buren

     Als kind woonde mijn moeder in het Leiedorpje Wevelgem. In het huis ernaast woonde het gezin D. Dat waren fatsoenlijke mensen want de man deed in tabak. Maar tijdens de oorlog veranderde de tabaksmarkt door schaarste en rantsoenering. Op de zwarte markt betaalde je hoge bedragen voor een pakje tabak.  D. zag zijn kans schoon. Hij ging samenwerken met Duitse officieren die wat wilden bijverdienen en kocht van iedereen rabarberbladen op waar hij de rookwaar mee versneed. Zijn winsten schoten de hoogte in.
     Je zal het vaak zien: met de rijkdom kwam het moreel verval. Mijnheer D. begon naar de hoeren te gaan en mevrouw D. kocht elke week een nieuwe hoed. Je vraagt je af wat erger is. Toen ze ook begonnen te drinken, was het oude fatsoen helemaal weg. In hun dronkenschap tierden en schreeuwden ze zo luid dat de bewoners van de belendende huizen een deel van de ruzie konden volgen. De wederzijdse verwijten kwamen in een bepaalde volgorde: op het hoogtepunt, diep in de nacht, riep mevrouw D. dan: ‘Moordenaar! Moordenaar!’ Mijn moeder vertelt dat nogal rustig. ‘Ja, misschien had D. wel iemand vermoord. Een smokkelaar wellicht. Dat gebeurde.’
     Naast het gezin D. woonde mevrouw W. Mevrouw W. was niet fatsoenlijk. Mevrouw W. was heel gemeen. Tijdens de oorlog scharrelde zij met Duitse soldaten. Ze bood ook haar brave dochter aan die soldaten aan. Het kind moest toch ‘het leven’ leren kennen, nietwaar.  Het spreekt vanzelf dat zo’n gedrag niet onbestraft bleef. Na de oorlog werd mevrouw W. door een groep vrouwen over de straat gesleept en kaalgeschoren. Het kappersgezelschap stond onder leiding van mevrouw G. Die mevrouw G. moet ook een hele gemene vrouw geweest zijn, denk je dan. ‘Helemaal niet,’ zegt mijn moeder. ‘Die had alleen een slechte inborst.’
     Naast mevrouw W. woonde mevrouw K. Mevrouw K. was een seut.

zaterdag 22 juli 2017

Marseille (France)

Om de tuin te bereiken moet je aan deze affiche naar rechts afslaan
     In Marseille verbleven we in een vroegere kloosterschool. Dat was in het oude stadsdeel Le Panier. Een ondernemend echtpaar had een verdieping van het gebouw vertimmerd en verbouwd tot mooie gastenkamers. De bedden waren goed, de hoofdkussens zacht en het ontbijt lekker. Dat ontbijt namen we in een heerlijk verwilderde tuin. Un jardín rebelde, zoals een Spaanse vriendin dat noemt, het soort tuin dat mij altijd doet denken aan chique hippies, bohemien kasteelbewoners en een mei 68 zonder barricades.
     Voor mij had het logement een nadeel. Om de tuin te bereiken moest je door een doolhof van gangen en trappen en ik heb veel last om mij in de ruimte te oriënteren. Volgens Jan, die geneeskunde studeert, heeft het te maken met mijn hippocampale ‘place cells’. Daar moet iets mis mee zijn.
     Maar de goede gastheer en gastvrouw hadden rekening gehouden met de ruimtelijk uitgedaagde medemens. Op verschillende plaatsen in de gangen hadden ze affiches opgehangen die als herkenningspunten dienst konden doen. Op een bijzonder moeilijke tweesprong hing een grote affiche van de filmtrilogie Marius-Fanny-César. Dan moest ik naar rechts. Dan de deur openen met de rode sleutel. Dan rechtdoor. De deur openen met de groene sleutel, en ik was in de hippie-tuin.
     Met die grote affiche was ik erg ingenomen, want ik hou van Pagnol en vooral van zijn drie toneelstukken die zich aan de haven van Marseille afspelen. Ik moet zeven geweest zijn toen ik de film Fanny zag met Leslie Caron en Horst Buchholz en ik vond dat toen de mooiste film die ik ooit had gezien, en Fanny het mooiste meisje.* Toen ik een jaar Franse les gaf, moesten mijn leerlingen elke week één scène uit die stukken lezen, waar ik ze dan streng over ondervroeg.
     Marseille doet anders niet veel rond Pagnol en rond de trilogie. Er is geen straatnaam, standbeeld of museum. Hier en daar is er een etablissement dat naar de schrijver verwijst, of naar zijn helden César, Panisse of de oude Escartefigues. Veel is het niet. We hebben ook gezocht of er misschien voorstellingen waren. Het enige wat we vonden, was Pagnol Ma Vie, waarin een komiek, zijn eigen leven vertelde, ‘onderbroken en aangevuld door de bekendste scènes uit het oeuvre van Pagnol’. Hij deed dat in Le Quai du Rire, een zaaltje vlak naast het jeugdtheater ‘Badaboum’. ‘Dat klinkt niet erg serieus,’ zei mijn vrouw.
     We zijn toch maar een kijkje gaan nemen. Aan de kassa zat een kerel die er zelf als een komiek uitzag. Of er nog plaatsen waren voor Pagnol Ma Vie? Nee, die voorstellingen waren afgelast. Hoe kwam dat? ‘Le comédien n’a plus envie,’ zei de man aan de kassa eraan toe. Hij zei het op een grappige manier.
     Sindsdien heeft Jan er een nieuwe uitdrukking bij. Als ik iets flauws zeg, antwoordt hij nu, uit de hoogte en zonder een spier te vertrekken: ‘Hou dat maar bij voor de Quai du Rire.’ En dan denk ik bij mezelf: ‘Le comédien n’a plus envie’.

* Van die film herinner ik mij alleen het volgende: een vrouwenstem roept: ‘Fanny! Fanny!’, een veelkleurig vliegengordijn wordt opzij geschoven, en Fanny komt het café binnen. Ze heeft een lieve glimlach.

woensdag 19 juli 2017

Dijon (France)

    Als kind las ik over een boer die bij het ploegen een aarden pot ontdekte, met het geheimzinnige opschrift MJDD. Een geleerde onderzocht de pot, besloot dat hij Romeins van oorsprong was en veronderstelde dat het onderschrift betekende: Magno Jovi Deo Deorum. Wat later kreeg hij een brief van een winkelier: het was een mosterdpot en het opschrift betekende Moutarde Jaune De Dijon.
     Dit jaar hebben we op onze terugkeer uit het Zuiden Dijon aangedaan en ik moet zeggen: ’t is een aardig stadje. De voetbalclub, wist Jan, speelt in de Ligue 1, wat mooi is. Omdat we laat arriveerden in het hotel, wilden we meteen iets gaan eten. We vroegen aan de jonge baliemedewerker wat hij ons kon aanraden.
     De medewerker had een vakkundige glimlach. Hij klonk als een vliegtuigpiloot die tijdens de vlucht zijn passagiers toespreekt - zinnen uitgebracht in één lange ademtocht, met eerst een lange stijgende toon en daarna een lange dalende. ‘This is your captain speaking. We are currently cruising at an altitude of 33,000 feet //at an airspeed of 400 miles per hour. The weather looks good and with the tailwind on our side // we are expecting to land in Honolulu approximately fifteen minutes ahead of schedule.’ Zoiets, maar dan met ‘bon restaurant’, ‘bien manger’, ‘prix raisonables’, ‘ambiance charmante’ en ‘à seulement dix minutes à pied d’ici’. Hij zei ook nog iets van ‘Emile Zola’ en zetten een kruisje op het stadsplan.
     Het was allemaal nogal snel gegaan en Jan en ik waren het niet eens over wat de medewerker juist had gezegd. Konden we eten op de ‘Place Emile Zola’ of in het ‘Restaurant Emile Zola’? Jan dacht het eerste, ik het tweede. Nu, veel verschil maakte het niet, zei ik, want op een ‘Place Emile Zola’ zou er ook wel een ‘Restaurant Emile Zola’ zijn. Dat zou dan wel een groot toeval zijn, vond Jan.
     Wedden? Ja, wedden!
     We bereikten uiteindelijk de ‘Place Emile Zola’. We konden kiezen tussen  ‘Les Moules Zola’, ‘L’Emile Brochettes’ en gewoonweg ‘Restaurant Emile Zola’. Jan grijnsde. Ik ook. Een grijns is vaak een glimlach die je niet helemaal onder controle hebt omdat de situatie zowel grappig als ongemakkelijk is.
     We hebben toen maar pizza’s gegeten in de ‘Cosa Nostra’, Rue Berbisey. ’t Is vlakbij.

dinsdag 18 juli 2017

Game of Thrones op Play More

      Tussen de brieven, kranten en reclame die tijdens de vakantie waren binnengekomen, vond ik een folder van Telenet met een interessant aanbod. We konden ons Play-abonnement gedurende twee maanden omzetten in een Play More-abonnement aan de helft van de prijs. Dat kwam goed uit want we hadden juist Play More nodig om naar het nieuwe seizoen van Game of Thrones te kunnen kijken.
     De folder van Telenet was iets merkwaardigs. Hij doet zich voor als een ‘magazine’, heeft een ‘hoofdredacteur’ en bevat  ‘artikels’, waarvan het langste nu net aan Game of Thrones is gewijd.  Dat ‘artikel’ staat vol met woorden als ‘verslavend’, ‘onmisbaar’, ‘iconisch’ en ‘kijkervaring’. Sommige woordcombinaties zijn ronduit ongelukkig. Er wordt gesproken over de ‘geflipste* aflevering’. De helden gebruiken ‘messcherpe zwaarden’. Sansa Stark probeert ‘krachtdadig te overleven.’ En ook de achtergrondinformatie is niet altijd even bijzonder. ‘De makers verklapten recent dat ze de reeks beschouwen als één lange film.’ Ja, als ze zoiets al gaan verklappen! Hopelijk gaan ze ons ook de afloop niet ‘verklappen’.
     Maar dat zullen ze niet doen, de afloop verklappen. Het Play More-stuk herhaalt tot drie keer toe dat in Game of Thrones ‘onvoorspelbaarheid troef is’. En dat is waar. Er worden in de reeks vaak personages vermoord van wie je dat niet had zien aankomen. En wie de eerste aflevering van seizoen zeven heeft gezien, zal moeten toegeven dat de eerste scène weer een heel onvoorziene wending neemt.
     De laatste scène van de aflevering had ik dan wél weer kunnen voorspellen. Als je de reeks kent en de aflevering nog niet hebt gezien, dan zul je als je er even bij stil staat zelf ook wel kunnen bedenken welk personage men juist voor de laatste scène achter de hand gehouden heeft.
     Een en ander is trouwens heel goed gedaan. De hele scène duurt zes minuten en gedurende heel die tijd wordt geen woord gesproken.** Er gebeurt ook niets. Er is veel decor, veel muziek en een beetje choreografie. Voor de rest moeten we het stellen met cameravoering en montage. Zowat alle kaders, standpunten, bewegingen en scherptes die de filmgeschiedenis heeft opgeleverd volgen elkaar in snelle afwisseling op. Zelfs de adolescente kijker die alleen maar actie en gevechten wil zien, zal zich niet vervelen.
__________________

* [Sic]. Ik geef toe dat ‘gefliptste’ mét een tweede ‘t’ ook raar zou zijn.

** Dat is heel verstandig want dialoog is, in tegenstelling tot monoloog, het zwakke punt van veel epische films. Die bevatten teveel zinnen van het soort: ‘Oh Richard, Richard, you just have to save Christianity’.

maandag 17 juli 2017

Troyes (France)

Troyes: rue Emile Zola - een van de vele literaire straatnamen
     Telkens als we met de auto naar het Zuiden rijden, over de Franse tolwegen, komen we voorbij Troyes, één keer op de heenreis en één keer op de terugreis. ‘Troyes,’ denk ik dan, ‘Chrétien de Troyes, 1140-1190’ want ik ben romanist van opleiding. En we rijden onverstoord verder.
     Dit jaar hebben we het anders gedaan. We hebben de afslag genomen, zijn het stadje binnengereden, hebben ons aangemeld bij het Bureau voor Toerisme, en hebben aan de juffrouw achter de balie gevraagd wat de stad doet om haar beroemde zoon Chrétien te eren. Dus: staat er ergens een standbeeld? Is er een jaarlijks festivalletje? Een museumpje? Een bioscoopje waar men driemaal per dag de film ‘Perceval Le Gallois’ van Röhmer vertoont? Maar dat valt tegen.* De juffrouw achter de balie heeft nog nooit van Chrétien gehoord. Ze haalt er een collega bij en ook die kijkt ons aan alsof het ergens heel in de verte aan het donderen is. Leren ze daar dan niets op die Franse scholen?
      Ik leg geduldig uit* dat Chrétien de uitvinder is van de Arturroman, dat hij de legende van de Heilige Graal bedacht heeft, dat velen hem beschouwen als de grootste middeleeuwse schrijver na Dante en Chaucer. Ik wil er nog bij zeggen dat alleen door het toevoegsel ‘de Troyes’ achter de naam Chrétien men ook aan Amerikaanse universiteiten weet heeft dat het Franse provinciestadje bestaat. Maar ik hou me in en misschien is het niet waar. Misschien kende in Amerika alleen Mary McCarthy iets van middeleeuwse Franse letteren. En Mary McCarthy is al enige tijd dood.
     ‘Een middeleeuwse schrijver?’ vraagt een van de baliejuffrouwen. ‘Dan moet je in de gemeentebibliotheek zijn. Daar hebben ze hele oude boeken.’
     Als we in de gemeentebibliotheek arriveren, melden we ons weer bij de balie aan en stellen we onze Chrétien-vraag aan een jongeman met een bril. Die weet heel goed wie Chrétien is en ook dat er in de bibliotheek niets mee gedaan wordt. Er is wel een tentoonstelling van middeleeuwse manuscripten, zegt hij.
     Die tentoonstelling hebben we dan maar bezocht. In de manuscripten waren allerlei mooie gekleurde tekeningen aangebracht.
___________

* Ik heb in mijn boekenkast een Nederlandse vertaling van ‘Perceval’ in een kinderlijk ogende uitgave: nagenoeg vierkante bladzijden, verbreed lettertype. In het ‘Nawoord’ lees ik: ‘Hij [Chrétien] werd geboren in Champagne, in de stad Troyes, waar echter niets dan een straatnaam nog aan hem herinnert.’ Ik deel de verontwaardiging van de auteur, maar wat hij schrijft is niet helemaal correct. Er is naast een ‘Rue Chrestien de Troyes’ ook nog een ‘Rue du Chevalier Perceval’ en een ‘Rue du Chevalier au Lion’, en zelfs een ‘Lycée Chrestien-de-Troyes’. Die discrete verwijzingen stellen natuurlijk weinig voor in vergelijking met de ‘Boulevard Victor Hugo’, de ‘Avenue Anatole France’ en het ‘Collège Albert Camus’. Maar ’t is toch iets.

** Een duidelijk voorbeeld van ‘mansplaining’. Zie hier.
  
 

zaterdag 15 juli 2017

Buskruit, slangen en de niqab*

    In de vroege 19de eeuw was Yale een soort High School waar Latijn, Grieks en Hebreeuws werden aangeleerd, en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer werd belaagd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies  werd onverbiddelijk van school getrapt, wat bijvoorbeeld gebeurde met de zestienjarige James Fenimore Cooper, de latere auteur van de Lederkousverhalen.
     Dat buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en er ook meestal een paar onder zijn  hemd bij zich had. Toen de rector daarvan hoorde, schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Een laatste schoolreglementverhaal brengt heden en verleden samen. Theodore Dalrymple (1949) vertelt ergens van een Britse medische faculteit waar enkele meisjesstudenten plots gesluierd in de aula verschenen en wel op zodanige manier dat alleen hun ogen zichtbaar bleven. Zo’n sluier heet een niqab geloof ik. Wat nu? De decaan kon moeilijk die niqab verbieden als religieus symbool van vrouwenvernedering of segregatie. Een decaan die zoiets doet, zou beschuldigd worden van racisme, discriminatie en islamofobie. Gelukkig vond hij een oud en eerbiedwaardig reglement van 1857 waarin bepaald werd dat artsen en artsen in opleiding altijd hun volledige gezicht moeten tonen aan hun patiënten. Hoe kon de patiënt anders weten of die arts eerlijk was over zijn ziekte, over de behandeling ervan of over het ereloon?
     Dankzij het oude reglement verschenen de meisjes weer op school zonder niqab. De decaan was opgelucht, Dalrymple was opgelucht, de meisjes wellicht ook, en zelf ben ik er evenmin rouwig om. Op school, geen buskruit, geen slangen en geen niqab.
 
*  Enige tijd geleden wou ik iets schrijven over de schoolreglementen van Yale College en Stephens College. Daarbij viel mij van alles te binnen over de schoolreglementen in mijn tijd, vergeleken met de schoolreglementen van nu, en over de toen actuele kwestie van ‘dampen op school’. Het gedeelte over Yale en Stephens liep een beetje verloren tussen de andere beschouwingen. Toch wou ik het niet loslaten.
Toen ik mijn stukje echter naar De Bron opstuurde kreeg ik een korzelig antwoord van eindredacteur Eddy Daniëls. Die ‘flauwekul’ over Yale en Stephens moest eruit. Kill your Darlings, voegde hij er nog aan toe.
Eddy had gelijk. Maar hij moest niet denken dat ik mijn lievelingen zomaar als geaborteerde foetussen in de vuilnisemmer zou gooien. Hier krijgen ze een ordentelijke begrafenis.

Dit stukje verscheen ook op http://doorbraak.be/


woensdag 28 juni 2017

Hugo, Dumas en Zoonvan

     Victor Hugo (1802-1885) was goed bevriend met Alexandre Dumas (1802-1870). De twee hadden heel wat met elkaar gemeen: wegbereiders van de romantische beweging, onverzettelijke werkkracht, veel vrouwen. Hugo was gierig als de pest en Dumas gooide het geld door ramen en deuren, maar dat was een detail. Dat deed niet ter zake. Soms hadden ze ook ruzie als hun minnaressen belust waren op dezelfde theaterrol, maar die ruzie werd dan bijgelegd want Hugo was de kwaadste niet en Dumas al zeker niet. ‘L’excellent Dumas’, noemt Alain Decaux hem.
     Als schrijver hadden ze allebei veel succes. Toch werd Hugo meer au sérieux genomen. Hij nam zichzelf ook heel erg au sérieux en dat helpt. Uiteindelijk werd hij in 1841 verkozen tot lid van de Académie française. Hij kreeg een groen uniform en een degen, en mocht plaats nemen in het midden van de veertig ‘onsterfelijken’ om mee de belangen van de Franse taal en literatuur te  behartigen over de hele wereld. Alexandre Dumas daarentegen  geraakte nooit binnen in dat voorname clubje en moest ook na zijn dood wachten tot 2002 voor hij werd begraven in het Panthéon – waar Hugo al onmiddellijk na zijn verscheiden was bijgezet.
     Lid worden van de Académie was niet gemakkelijk geweest, zelfs niet voor een groot man als Hugo. Hij moest wachten tot een ander academielid stierf en zich dan kandidaat stellen, naar mondaine feestjes gaan, zoete broodjes bakken met de andere leden, of, als die vis niet wilde braden, met hun vrienden, hun verloofdes, hun vrouwen of hun minnaressen. Omgekeerd kon je het eens verworven lidmaatschap ook niet meer kwijtraken. Hugo leefde twintig jaar in ballingsschap omdat hij ruzie had met Napoleon III en al die tijd bleef zijn stoel – nr. 14 – onbezet. Toen Napoleon III verdreven was, keerde Victor Hugo terug en kon hij zijn plaats weer innemen. Dat was in 1870, het jaar ook van de dood van Alexandre Dumas.
     Welnu, die Alexandre Dumas had een zoon en die heette ook Alexandre Dumas. Omdat hij net als zijn vader toneelstukken en boeken schreef, was het noodzakelijk dat de namen van elkaar onderscheiden werden. De ouwe, dikke Dumas werd Dumas père genoemd, en zijn zoon Dumas fils. Maar dan ontstond zoetjes aan de gewoonte om dat ‘Dumas fils’ uit te spreken zonder pauze tussen de twee woorden en met een klemtoon op de laatste lettergreep. Je moet het eens proberen – Dumasfils - en je zult het lichte misprijzen voelen van zo’n uitspraakwijze die verder ook haar eigen schrijfwijze meebracht: Dumafice. Les voilà: Dumas et Dumafice. Dat is zoiets als: kijk, daar heb je ze, Dumas en Zoonvan.
     Tussen de jonge Dumas en Hugo vlotte het niet zo goed. Hugo was een man van links, de jonge Dumas was een man van rechts, ‘un homme de l’ordre’*. Hugo was geschokt toen de arbeidersopstand van 1871 op gruwelijke wijze werd onderdrukt, met veel executies, lange gevangenisstraffen, dwangarbeid en verbanning naar onherbergzame eilanden aan de andere kant van de wereld. De jonge Dumas van zijn kant juichte de onderdrukking toe. Hugo zag een blinde wraakoefening, de jonge Dumas een noodzakelijke maatregel om de beschaving veilig te stellen.
     Welnu, in 1874 wou de jonge Dumas zich laten verkiezen voor de Académie. Elke stem was van belang. Langs tussenpersonen probeerde hij te vernemen of hij de stem van Hugo kon krijgen, maar de grote man zweeg grimmig. Op de dag van de verkiezing nam de jonge Dumas plaats op een bankje in de buurt van de Académie en wachtte angstig af. Zou hij voldoende stemmen behalen? Zou Victor Hugo een kruisje plaatsen naast de naam Dumas? Toen kwam Hugo naar buiten, zag de nerveuze kandidaat-académicien en stapte naar hem toe. Zonder hem de hand te schudden, zei hij: ‘J’ai voté pour votre père,’ en ging weg. 
      Zoonvan was verkozen. Stoel nr. 40.

*Un homme de l’ordre - mooie uitdrukking. Advocaat de Callatay zei mij ooit: ‘Philippe, vous ne comprenez pas cela. Vous n’êtes pas un homme de l’ordre.’

zondag 25 juni 2017

De samenzwering van Yves Desmet


     Je bent een brave linkse jongen of een brave linkse meid. Militairen ‘in het straatbeeld’ doen je aan rechtse dictaturen denken. Je wil ze zo snel mogelijk weg. Je vindt ook dat het gevaar voor islamistische aanslagen erg wordt overdreven, zeker vergeleken met de onveiligheid in het verkeer. En dan gebeurt er tóch weer een aanslag, dit keer in Brussel-Centraal. Die mislukt weliswaar, maar ’t is toch een aanslag. En de terreurzaaier wordt ter plekke doodgeschoten door een aanwezige militair.
Wat nu?
      Yves Desmet, de vroegere hoofdredacteur van De Morgen, laat zien hoe je de zaak in zeven ‘tweets’ naar je hand kunt zetten. Ik citeer ze even.

  1. Militair heeft vrij duidelijk uit wettige zelfverdediging gehandeld.
  2. Er zijn weinig momenten dat er minder volk in Brussel Centraal aanwezig is dan op het moment van de aanslag.
  3. De ontsteker ontplofte, de bom niet. Omdat de dader een prutser is, of net niet?
  4. De militairen hebben de ontploffing niet verijdeld, die was al gebeurd vóór hun ingrijpen.
  5. De dader loopt na de mislukte ontploffing, blijkbaar toen ongewapend, op de militairen af.
  6. De dader is bekend voor zedenfeiten, niet voor radicalisering. Gefrustreerd dus.
  7. Maakt dat alles de hypothese van ‘suicide by cop’ niet minstens het onderzoeken waard?
     Punten 1, 4, 5 en 6 zijn niks speciaals. Wettige zelfverdediging –  ja natuurlijk. Aanslag niet verijdeld – nee, eigenlijk niet. Dader liep ongewapend op de militairen af – ja, zo staat het in de krant. Dader niet bekend om zijn radicalisering – nee, toch niet vóór de aanslag. Dat staat allemaal min of meer vast. Daar hebben we Desmet niet voor nodig.
     Bij punt 3 wordt uit een ander vaatje getapt. Het maken van een goede TATP-bom schijnt nogal moeilijk te zijn en onze terreurzaaier heeft het verprutst. Dat is wat we in gewone kranten lezen. En Desmet lijkt hierin mee te gaan. Een prutser – zeker dat kan, maar dan voegt hij er, na een dramatische komma, aan toe: ‘Of net niet?’ Het doet denken aan een populair Amerikaanse tv-programma over de Vierde Dimensie, waar om de zoveel minuten een voice-over zegt: just a coincidence – or is it? Waardoor we ook weer met andere ogen kijken naar het tijdstip van de aanslag (punt 2) –  een moment dat er weinig volk in het station aanwezig was. Alweer: just a coincidence – or is it?
     Desmet werkt toe naar zijn uiteindelijke vraag: ging het hier niet om een ‘suicide by cop’? Moet dat niet eens onderzocht worden? In één betekenis is die veronderstelling meer dan redelijk. De terreurzaaier had inderdaad verwacht als eerste dood te zijn. Daarom noemen we zulke mensen ook zelfmoordterroristen. En toen dat niet lukte moest het maar anders: op de politie afstormen om zich te laten neerschieten en zo alsnog als martelaar naar de moslimhemel te gaan.
    Maar Desmet suggereert meer. Door zijn suicide-by-cop vast te haken zowel aan het verkeerde tijdstip als aan de niet- ontploffing van de bom, lijkt Desmet te zeggen dat de dader helemaal geen aanslag wou plegen. Dat de reiskoffer en de springstof en de dodelijke spijkers en het ontstekingsmechanisme en de kreet Allahu Akbar niets meer dan een vertoning waren, een onderdeel van een ingewikkeld plan om zichzelf te laten neerschieten door een militair. Omdat de brave man niet wilde dat er ook andere slachtoffers vielen, zorgde hij ervoor dat de bom niet ontplofte. En om helemaal zeker te zijn koos hij een tijdstip dat er weinig volk was in het station. Het was allemaal één grote samenzwering met deze bijzonderheid: dat er maar één samenzweerder was.*
     Dat schrijft Desmet allemaal niet. Dat heb je met samenzweringstheorieën. Het blijft bij vragen, suggesties, verdachte omstandigheden, toevalligheden die geen toeval kunnen zijn, ‘niets is wat het lijkt’ … En dat maakt het ook zo vermoeiend om die theorieën te lezen.** Je weet nooit waar men eigenlijk naartoe wil, terwijl duidelijk maken waar je naartoe wil een van de eerste regels van helder schrijven is.
     Mooier zou zijn als de opstellers van samenzweringstheorieën te werk zouden gaan volgens de bekende wetenschappelijk methode: beginnen met een zo eenduidig mogelijke werkhypothese. Desmet bijvoorbeeld had in zijn ‘tweet’-reeks kunnen schrijven: ‘De man in Brussel-Centraal wou geen aanslag plegen. Zijn enige doel was zich te laten neerschieten door een militair.’ Dan had het parket ten minste geweten wat het moest onderzoeken.

* Op de sociale media vind je in verband met Brussel-Centraal ook uitgebreider samenzweringstheorieën. Zo lees je dat Oussama Zariouh werd doodgeschoten omdat hij anders misschien de Waarheid aan het licht zou brengen.
** Behalve natuurlijk in de spionageromans van John le Carré

donderdag 22 juni 2017

Maar wat was zijn motief?

    Zo onmiddellijk na een terreuraanslag is het voor een  krantenschrijver of nieuwslezer soms moeilijk om de juiste toon te vinden. Een mediterraan type heeft ‘Allahu Akbar’ geroepen en heeft daarna een bom laten ontploffen, een automatisch pistool leeggeschoten of is met een vrachtwagen op een menigte voetgangers ingereden. Je kunt dan terugvallen op clichés zoals: ‘Over de motieven van de dader is nog niets bekend’.
     Het is een beetje lachwekkend, maar ook een beetje begrijpelijk. Het maakt deel uit van een oude traditie: je maakt een gezicht onherkenbaar, je gebruikt initialen (O.Z. uit M.), je verklaart met een zorgelijk gezicht dat de ‘uitkomst van het gerechtelijk onderzoek wordt afgewacht’. Je spreekt uiteraard van ‘verdachte’ in plaats van ‘dader’, ook al had die verdachte – heel verdacht – een bebloed mes in de hand toen hij werd gearresteerd, of had de verkrachter zijn broek op de enkels. En ten slotte zeg je dus nog iets over de motieven die ‘voorlopig nog onbekend zijn’.
     Ik heb daar allemaal geen probleem mee. Een paar dagen later vernemen we hoe dan ook dat bijvoorbeeld ons mediterrane type op zijn appartementje een ruime verzameling islamistische literatuur had, op de sociale media zijn sympathie uitsprak voor terreuraanslagen en, wie weet, misschien zelf op een lijst stond van mogelijke aanslagplegers. En daarmee zijn zijn motieven dan eindelijk toch bekend.
     Maar nu heeft Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad iets nieuws. Over de mislukte aanslag van gisteren schrijft hij: ‘Oussama Zariouh is een kopzorg. Omdat we niet weten wat er in zijn hoofd omging … Zolang we de motieven niet kennen van mensen die snel radicaliseren, kunnen we ook geen echt antwoord bieden op de terreurdreiging.’
     Dit is duizelingwekkend.
     Want we kennen natuurlijk de motieven van Zariouh om zijn aanslag te plegen: hij was een van die ‘geradicaliseerde’ moslims die de koran letterlijk interpreteren. Aangezien dat boek in verschillende hoofdstukken oproept om ongelovigen te doden, wilde Zairouh daar graag zijn steentje toe bijdragen. Barbaars en achterlijk, maar zonneklaar.
     Maar dan komt Mijlemans met een tweede vraag: wat waren zijn motieven om te radicaliseren? We moeten met andere woorden niet alleen Zairouhs motieven kennen voor de aanslag, we moeten ook de motieven kennen van die motieven. En zo kunnen we nog even doorgaan. Moeten we immers ook de motieven van die motieven van die motieven niet kennen? In de logica spreekt men in zo’n geval geloof ik van regressus ad infinitum.
     Stel dat Zariouh geradicaliseerd is omdat hij op Wikipedia een artikel heeft gelezen over het verdrag van Sykes-Picot (1916). Moeten we nu ook niet nagaan wat zijn motieven waren om iets over dat verdrag te lezen? En moeten we iedereen gaan schaduwen die iets over dat verdrag heeft gelezen? Ik heb dat tenslotte ook wel eens gedaan. Of moeten we het artikel op Wikipedia laten weghalen?
     En stel nu dat Zariouh véél motieven had om te radicaliseren – een eindeloze rij van frustraties: het onrecht van Sykes-Picot, een ongehoorzame vrouw, een ontoereikend loon in de gsm-winkel waar hij werkte, een ketchupvlek op zijn mooiste T-shirt  … Moeten wij dat allemaal weten? Willen wij dat allemaal weten?
     En als we het allemaal weten, zijn we dan beter uitgerust om, zoals Mijlemans schrijft, een ‘echt antwoord’ op de terreurdreiging te kunnen bieden?

Regressus ad infinitum met twee spiegels

zaterdag 17 juni 2017

Dampen op school

     Over ‘dampen’ – elektronisch roken – heb ik geen mening. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad is tégen en dan moet ik mij geweld aandoen om niet meteen vóór te zijn, maar tot nu toe is het mij aardig gelukt. Een andere kwestie is evenwel die van dampen op school. Wat doe je als zo’n brutale vlegel op de speelplaats gaat dampen en, daarop aangesproken, antwoordt: ‘Daar staat niets over in in het schoolreglement. Daar staat alleen iets in over roken.’ Moet dat dampen dan apart in het reglement worden opgenomen? Daar wil ik iets over zeggen vanuit mijn levenservaring en vanuit mijn boekenstudie.    
     In mijn tijd bestond een schoolreglement uit een A-4’tje dat ophing aan het raampje van de schoolwinkel. Ik heb dat reglement ooit grondig bestudeerd om te zien of het geen aanvechtbare bepalingen bevatte, bepalingen die aanleiding konden geven tot ontevredenheid, actie, of misschien zelfs staking. Dat viel niet mee. Ja, er stond ergens in dat onze haarsnit ‘verzorgd’ moest zijn. Maar kon je daar nu tegen zijn?
      Toch was op onze jongensschool bijna alles verboden. Je mocht niet spuwen op de grond. Je mocht je stofjas niet open dragen. Je mocht je haar niet over je oren kammen. En je mocht op de speelplaats niet te lang met dezelfde vriend staan praten – er mocht zich eens een ‘speciale’ vriendschap ontwikkelen, stel je voor. Maar al die verboden, die stonden niet op het A-4’tje van het winkelraam, en dat was ook niet nodig. Een repressie-apparaat van drie ‘subregenten’ en een woeste ‘secretaris’ bepaalde op elk moment wat mocht en wat niet mocht. Wij verkeerden in een staat van volslagen rechteloosheid.
     Nu is dat allemaal anders. Het schoolreglement is een heus boekje geworden – op onze school zelfs twee boekjes, samen meer dan 100 bladzijden. En nog staat niet alles erin, wat erin moet staan. Er staat bijvoorbeeld nergens een duidelijk verbod in op het gooien van schoenen in de klas, en ik heb dat nochtans een keer meegemaakt in het 4de jaar Handel. Je kunt natuurlijk zeggen dat schoenen gooien indruist tegen de bepaling ‘respectvol omgaan met elkaar’, maar dat vind ik toch een kwestie van interpretatie. Ik geloof ook niet dat het reglement verbiedt dat leerlingen gewapend naar school komen. Er staat alleen iets in over ‘gewapend zijn tegen individualisme en zelfzucht’.
 
     Wij zouden dus op mijn school, in dezelfde visie van rechtszekerheid, de regel ‘Roken levert strafstudie op’ kunnen uitbreiden tot ‘Roken en dampen leveren strafstudie op.’ Ja, dat kunnen we. Maar zijn we dan zeker dat dat genoeg is? Misschien komt na de elektronische sigaret weer iets nieuws – de digitale sigaret? – de virtuele sigaret? Nee, hier kunnen we beter bij Godfried Bomans ten rade gaan. In De avonturen van Bill Clifford  citeert hij op de eerste bladzijde al het reglement der Posterijen: ‘Alle ambtenaren, die, hetzij met een sigaret, hetzij met een sigaar, hetzij met een pijp, hetzij met enig ander rookwerkuig worden aangetroffen,  zijn gehouden hiervan aan de directeur verantwoordig af te leggen.’ Enig ander rookwerktuig - de Posterijen waren op alles voorbereid.
     Zo gaan we het doen bij ons op Sint-Ursula. We verbieden pijp, sigaar, sigaret en enig ander rookwerktuig. En geen slangen meebrengen in de klas natuurlijk, want dat zijn vieze beesten.

woensdag 14 juni 2017

Hilde Sabbe en Yvan Mayeur

     Columniste Hilde Sabbe wordt nu overal een beetje uitgelachen omdat ze vorig jaar zo’n  lovend stuk schreef over PS-burgemeester Mayeur toen hij de Vlamingen, enigszins veralgemenend ‘fascisten’ of ‘extremisten’ had genoemd. Sabbe had Mayeur geprezen voor zijn passie, zijn overtuiging en zijn emotie. Ook was hij ‘zeer intelligent’. Veel politici waar Sabbe mee gepraat heeft zijn ‘zeer intelligent’.
     Maar nu is gebleken dat die Mayeur zich rijkelijk liet betalen door een organisatie voor daklozen terwijl hij helemáál niet dakloos is. Daarover is nu veel verontwaardiging. Vooral vrijwilligers die zelf al eens wat doen  in de armoedebestrijding zonder daar een cent voor te vragen hebben bedenkingen bij zo’n graaier die hoge zitpenningen ontving voor vergaderingen die niet eens plaats vonden. Die zitpenningen beliepen 19 000 euro bruto per jaar, lees ik.
     Sabbe had kunnen stilzitten en zwijgen als een schaap dat geschoren wordt. Maar ik geloof niet dat dat iets voor haar is, dat zwijgen. Op Facebook maakt ze duidelijk dat ze bóós is op de kranten die van Mayeur een sjoemelende burgemeester hebben ‘gemaakt’. Mayeur heeft een koel hoofd, schrijft Sabbe, en een open geest. Mayeur is geen racist. Mayeur heeft veel talent in zijn vingertop. Mayeur is geen lid van de N-VA.
     Dat kan allemaal best waar zijn.
     Maar die zitpenningen dan? Sabbe gaat in de tegenaanval: ‘Die les hadden de grote graaiers natuurlijk allang begrepen: je nooit laten vergoeden voor geleverde diensten voor sociale organisaties. Alleen maar werken voor kapitaalkrachtige instellingen, dan kraait er geen haan naar hoeveel je betaald wordt.’
     Ik zou nu kunnen vitten en zeggen dat die diensten voor sociale organisaties naar het schijnt juist niet ‘geleverd’ zijn, maar daar gaat het mij niet om. De hele redenering lijkt er mij op neer te komen dat je je gerust flink mag laten betalen door een sociale organisatie die leeft van subsidies en giften want anderen laten zich ook flink betalen door ‘kapitaalkrachtige’ firma’s. Dat die firma’s niet leven van subsidies en giften doet er niet toe. Het gaat er alleen om hoeveel je betaald wordt. Die anderen krijgen dat, dus Mayeur heeft er ook recht op. En Sabbe misschien ook.
     Je kunt op zoveel manieren eerlijk je geld verdienen: een eigen zaak uitbaten, betaald worden door iemand die een eigen zaak uitbaat, aan de staat werken volgens een barema. Je kunt een laag- of een hooggeschoold beroep uitoefenen. Je kunt geld van anderen beleggen en daar kleine procentjes voor opstrijken die samengeteld een enorm bedrag opleveren. In zo’n systeem zal de ene een veel hoger inkomen hebben dan de ander.
     Socialisten en communisten zijn geneigd om die inkomensongelijkheid zelf als een misdaad te zien. Zodra iemand veel meer heeft dan een ander, is er vals gespeeld. Derrière chaque grande fortune il y a un crime, schreef Balzac, die nochtans geen socialist was en zijn leven lang wanhopig op zoek was naar een groot fortuin. Brecht brengt dezelfde boodschap in zijn Driestuiversopera: de hele maatschappij bestaat dankzij de misdaad. Als je nu geld verdient als ondernemer, straatrover, pooier of zaakvoerder van een bedelaarssyndicaat: wat telt is hoeveel je binnenrijft. Of zoals Sabbe schrijft: ‘hoeveel je betaald wordt’.
     Indien Mayeur redeneert als Sabbe, wat kan, of als socialist, wat waarschijnlijk is, dan heeft hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Yvan Mayeur verdient minder dan een grote bankier, een zakenman, een nefroloog of een eerste minister. Hij denkt dat hij dat verschil mag bijpassen, want hij werkt even hard en heeft evenveel talent. Wat dondert het dat het geld uit de kas van de daklozen komt? En wat dondert het dat hij dat geld kreeg voor vergaderingen die niet plaats vonden? Was hij op die avonden dat hij niet vergaderde voor de daklozen niet op een andere manier druk in de weer voor het algemeen belang? Als hij maar krijgt waar hij recht op heeft.
     Toch hebben Mayeur en Sabbe het verkeerd voor. In een fatsoenlijke maatschappij verdien je je geld in afspraak met degene die je het geld bezorgt: de klant, de patiënt, de werkgever, de staat. Tot op zekere hoogte krijgt zelfs de politicus zijn centen in afspraak met zijn kiezer.* Maar met wie heeft Mayeur zijn vergoeding afgesproken? Met de kameraden onder elkaar? In elk geval niet met de daklozen.
     In Oom Vanja van Tsjechov is er een discussie tussen de plompe Serebrjakov, eigenaar van een landgoed, en de brave Ivan Petrovitsj – Vanja dus – die het landgoed beheert. Vanja klaagt dat hij in al die jaren geen loonopslag gekregen heeft. De plompe Serebrjakov zegt dat hij die loonsopslag zelf maar uit de kas had moeten nemen. Daarover is Vanja erg verontwaardigd. Dat zou diefstal geweest zijn. Misschien niet in de wettelijke betekenis van het woord, maar toch: diefstal.
     Vanja heeft gelijk. Ook geld nemen uit de kas van een plompe landheer als Serebrjakov is diefstal. Maar eigenmachtig geld nemen uit de kas van de daklozen is véél erger. Dat begrijpt iedereen, behalve Mayeur, de gewetenloze graaiers van de PS en onze eigen Hilde Sabbe.
 
* Kiezers die vinden dat burgemeesters, parlementairen en ministers te veel verdienen kunnen stemmen voor een partij die tegen die hoge vergoedingen is. De PVDA bijvoorbeeld. Zelf heb ik niks tegen politici die goed verdienen én goed werk leveren.